Tag Archives: Verzet

Freek de Jonge, verzetsstrijder

7 okt

Een paar jaar geleden hield Freek de Jonge in het Zaans Museum ten overstaan van betrokkenen bij  het oorlogsproject Monumenten Spreken (zie de website) een prachtige inleiding. Daarbij vertelde hij onder meer dat ‘verzet’ het eerste woord was dat hij, geboren in 1944, hoorde. Waarna hij, als ik me goed herinner, zijn moeder citeerde, die tegen haar echtgenoot zei: “Verzet jij de wieg even.” Deze week herhaalde hij de grap tijdens een bijeenkomst van het Netwerk Oorlogsbronnen, en opnieuw had hij de lachers op zijn hand.

Weinig mensen weten het, maar Freek de Jonge maakte inderdaad deel uit van het vaderlandse verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het bewijs vond ik daags na de meeting  van het Netwerk Oorlogsbronnen, in een archiefstuk uit 1945 of 1946.

U gelooft me niet?  Klik even op de zinnen hieronder.

Advertenties

Nieuw: de Jaap Buijsbrug in Zaandam

11 nov

Guus Luijters meldde maandag in Het Parool dat Amsterdam ruim duizend naamloze bruggen telt. Een pagina verder wist een andere columnist, James Worthy, dat het er exact 1334 waren. Da’s veel. Dat vond het gemeentebestuur eveneens, want dat wil alle bruggen nu alsnog een naam geven.

Goed idee. Hoeveel bruggen Zaanstad bezit, weet ik niet. Een paar honderd? Dat die over de Zaan allemaal een -meestal koninklijke- naam hebben, is me wel bekend. En ook dat er talloze overblijven zonder naamplaatje. Het biedt kansen.

De Zaanstedelijke straatnamencommissie beheert een lange wensenlijst. Daarop staan onder meer verzoeken van mensen en organisaties om een straat te vernoemen, veelal naar Zaanse verzetsstrijders. In het tempo waarin ze nu publiekelijk worden geëerd, gaat het nog decennia duren voor die allemaal aan de beurt zijn. Het wordt een ander verhaal wanneer we, in navolging van de Jan Brassertunnel en de Anton de Kombrug, ook andere plekken gaan benoemen.

Laat ik een voorzetje geven. Ik weet niet of hij op de straatnamencommissielijst staat, maar mag om te beginnen de vlakbij zijn voormalige woning gelegen brug over de Vaart worden vernoemd naar de onbekende, maar Zaans-nationale verzetsgrootheid Jaap Buijs? Hij verdient het.

Jaap Buijs, 1944 (collectie Charlot Smith-Buijs)

Robert Rudolf Pel 100 jaar

20 nov

Hij zou vandaag honderd zijn geworden, maar helaas overleed Robert Rudolf Pel ruim zes jaar geleden. ‘Bob’ Pel (Zaandam, 21-11-1914/Huis ter Heide, 1-3-2008) behoort tot de minder bekende Zaanse verzetsstrijders tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er is geen straat naar hem vernoemd en er zijn nauwelijks artikelen aan hem gewijd. Dat is onterecht. Rechercheur Pel behoorde namelijk tot de grootsten binnen de regionale illegaliteit.

De in Zaandam geboren en getogen Robert Pel volgt na de mulo de Kweekschool, maar slaagt er niet in om een onderwijzersdiploma te halen. Hij gaat vervolgens in dienst en wordt beroepsmilitair. Wanneer Nederland in mei 1940 capituleert, werkt hij bij de Militaire Politie. Al op de dag van de Duitse inval wordt Pel bij Lobith gevangengenomen. Pas in augustus van dat eerste oorlogsjaar mag hij vanuit Duitsland terugkeren naar zijn woonplaats. Daar solliciteert hij met succes bij de lokale politie.

Plaatsvervangend commissaris A.J. van Doorn haalt hem begin 1941 over om zich aan te sluiten bij het ontluikende verzet. Kort daarna, in mei, krijgt Van Doorn ‘onbeperkt ziekteverlof’ (hij overlijdt het jaar daarna). Het verlof hoort bij de ingrepen van de nieuwe NSB-burgemeester Van Ravenswaaij, die het ambtenarenkorps wil omvormen tot een Hitlergetrouwe organisatie. Wanneer diens opvolger, de eveneens nazigezinde burgemeester Vitters, het in mei 1943 nodig acht om alle politiebeambten een eed van trouw op het nieuwe bewind te laten afleggen is Pel de enige van de (onder-)wachtmeesters die weigert. Hij is tevens de eerste Zaandamse politieman -in totaal werken er ongeveer zestig- die dat doet. Na hem durft slechts een enkele collega op dat beladen moment nee te zeggen. Wonder boven wonder komt Pel er zonder schade vanaf en kan hij in functie blijven.

Het is de tweede keer dat Pel aan arrestatie ontsnapt. Begin 1943 heeft hij geweigerd om Sophia Schagen-Christiaansen aan te houden. Zijn ‘foute’ superieur, waarnemend commissaris Meindert Talma: “Ik heb eens aan Pel opdracht gegeven om een dame uit de Schildersbuurt te arresteren en voor [te] geleiden bij de SD. [Sicherheitsdienst]. Pel is naar haar toegegaan, maar kon haar niet arresteren, omdat ze jonge kinderen had. Hij rapporteerde me dit, waarop ik tegen hem zei: ‘Je weigert een opdracht, dan moet ik je ontwapenen.’ Zover kwam het echter niet. Juist op dat moment kwam [inspecteur Tonny] Jansen binnen, die Pel in de verdediging nam.”

Bob Pel ontsnapt aan ontslag en waarschijnlijk erger. Hij is dan al tot over zijn oren betrokken bij de vele illegale acties in en rond zijn woonplaats. In zijn naoorlogse dossier is zijn verzets-CV samengebald in één lange zin: “Heeft vanaf 1941 tot aan de bevrijding honderden valse persoonsbewijzen uitgereikt aan leden van diverse verzetsgroepen, Joden, Engelse en Amerikaanse piloten, alsmede andere door Duitse politie-instanties gezochte Nederlanders; hij maakte daarbij volledig gebruik van materiaal en gegevens welke hem in zijn toenmalige functie van rechercheur van politie te Zaandam ten dienste stonden, in feite juist om vervalsingen op dit gebied te achterhalen.” De opsomming geeft weer hoe belangrijk Pel was, maar doet hem desondanks tekort. Robert Pel deed namelijk veel meer. Een onvolledige opsomming maakt dat duidelijk.

Willem Ragut

In februari 1943 krijgt Bob Pel opdracht om de ondergedoken joodse familie Vles te arresteren. Alvorens (een dan uiteraard overbodige) huiszoeking te doen waarschuwt hij hen en zorgt er voor dat ze op hun nieuwe onderduikadres worden voorzien van documenten en geld. Aan het eind van de oorlog krijgen ze zelfs onderdak in zijn woning aan de Tuinstraat. Ook boven de Zaanstreek uit hun toestel gesprongen vliegeniers worden door hem naar onderduikadressen vervoerd. Arrestanten die van Zaandam naar de Sicherheitsdienst moeten worden gebracht raken soms spoorloos ‘zoek’. Pel benut daarbij onder meer de Duitse bureaucratie om hun namen uit de dossiers te krijgen.

Tonny Jansen, die na de liquidatie van zijn chef Willem Ragut (ook hiervan weet Pel tevoren) hoofdcommissaris wordt in Zaandam, kruist vaker Pels pad. De Zaanse verzetsleider Jaap Buijs, rechercheur Pel en de nationale ‘bankier van het verzet’ Walraven van Hall besluiten begin 1943 om de nieuwe Zaandamse commissaris, over wie ze belastende informatie hebben, onder druk te zetten. Buijs: “Pel had zich al enige malen bij mij beklaagd dat Jansen diverse zaken niet uitvoerde of deze op een verkeerde manier aanpakte. Op zekere dag vertelde Pel mij dat het hem bekend was geworden dat Jansen een radiotoestel had gestolen. Ik heb toen gezegd: ‘Nu kunnen wij hem naar onze kant dwingen, of hem anders afhandelen’ [lees: liquideren]. Als hij niet wilde meewerken, zou er met hem afgerekend moeten worden. Als het ware was dit eigenlijk chantage. We zagen hierin een middel om Jansen min of meer te dwingen zijn volledige medewerking aan de illegaliteit te verlenen. Pel kwam, nadat hij hierover met Jansen gesproken had, bij mij met de boodschap dat het een uitkomst voor Jansen was geweest, hij had het zelfs met grote ijver aanvaard.”

Jansen moet voortaan berichten die van belang zijn voor de verzetsorganisaties doorgeven aan Pel en Buijs, onder meer via een, mede dankzij Pel tot stand gekomen, clandestiene telefoonlijn. De commissaris hapt toe. Buijs: “Wij kunnen constateren dat door hem minstens tachtig mensen uit handen van de Gestapo zijn gehouden. Bovendien is zijn werk voor ons van enorme betekenis geweest, omdat wij hierdoor altijd met alles op de hoogte waren.” De waarschuwingsdienst functioneert tot aan de bevrijding naar behoren: tal van ondergedoken joden en gezochte verzetsstrijders weten erdoor te ontkomen aan de nazi’s en hun handlangers.

Op zaterdag 15 januari 1944 nemen Pel (schuilnaam ‘Bakker’) en zijn collega Folkert Brandsma de trein naar Breda. Van daar lopen ze naar het huis van de gebroeders Van Nunen, die enkele uit Engeland overgevlogen geheim agenten huisvesten. Ze zijn met zendapparatuur, vuurwapens, munitie en €120.000,- gedropt in de omgeving van Princenhage. Pel en Brandsma slagen er in om de goederen met de trein over te brengen naar Zaandam, vanwaar ze worden verspreid onder diverse illegale organisaties. Drie dagen na dit gewaagde transport belandt Pel alsnog achter de tralies. Wanneer de Zaandamse verzetsstrijder Martin Arends wordt opgepakt treft de SD Pels naam aan in Arends’ notitieboekje. Het is voldoende om hem te arresteren en te beschuldigen van financiële steun aan het verzet. Door hardnekkig alles te ontkennen wordt Pel na enige tijd weer vrijgelaten. Zonder te aarzelen pakt hij zijn ondergrondse werkzaamheden weer op.

Grünen

Een treffend staaltje van zijn lef betreft het per politieauto wegbrengen van 20 of 30.000 bonkaarten (de genoemde aantallen variëren) voor onderduikers, van Wormerveer naar een Amsterdams advocatenkantoor. Bij de Hembrug gaat het bijna mis. Twee Grünen vragen hem of ze kunnen meerijden. Pel laat hen instappen en excuseert zich dat ze moeten plaatsnemen op enkele pakken papier (waarin de bonkaarten zitten). Aangekomen bij het afleveradres verlaat Pel kalm zijn auto, verzoekt de Duitsers om uit te stappen en laat hen vervolgens de bonnen naar het kantoor tillen.

Wanneer het verzet een inbreker neerschiet dekt Bob Pel de dader door de schuld op zich te nemen. Hij maakt valse processen-verbaal op, bijvoorbeeld over vermiste boten. Die kunnen vervolgens worden ingezet voor wapentransporten. Hij verleent medewerking aan de voorbereiding van overvallen op politiebureaus, distributiekantoren en gemeentehuizen, alsmede aan liquidaties van verraders. Met kerstmis 1944 verschijnen er aanplakbiljetten in de Zaanse straten, met oproepen voor de Duitse arbeidsinzet. Al de volgende dag hangt de omgeving vol met tegenpamfletten, het resultaat van Zaans topoverleg waarbij Walraven van Hall de centrale man is en waarbij verder Jaap Buijs, Robert Pel en August Sabel aanwezig zijn. Eerste kerstdag besluit het viertal om een tekst op te stellen met als strekking dat medewerking aan deze Liese-Aktion ongewenst is. De makers van het illegale Zaanse blad De Typhoon drukken nog dezelfde dag een groot aantal aanplakbiljetten met de oproep. In de nacht van 25 december worden ze her en der over de Duitse posters geplakt, met als resultaat dat slechts een klein percentage van de Zaanse arbeiders meewerkt aan de dienstplicht. Geen van de werkgevers vraagt Ausweise aan. Het ontwerp van het Zaanse aanplakbiljet dient in de navolgende weken als voorbeeld elders in Nederland.

Pel heeft gedurende de bezettingstijd een cartotheek opgebouwd met namen en activiteiten van NSB’ers, collaborateurs en andere ‘foute’ Nederlanders. Het vormt na de bevrijding een basis voor zijn werk als districts-arrestatie-officier van Gewest 11 van de Binnenlandse Strijdkrachten. Jammer genoeg heeft Robert Pel, voor zover bekend, slechts weinig oorlogsherinneringen op papier gezet. In oktober 1945 vertrekt hij naar Nederlands-Indië, waar hij drie jaar politiewerk verricht. Daarna keert hij terug als inspecteur-korpschef in Wormerveer en Krommenie. In 1955 wordt hij politiecommissaris in Kampen. In 1964 duikt zijn naam nog even op in de landelijke pers, wanneer hij als commissaris een ondergeschikte op het matje roept nadat die ten onrechte het boek Ik Jan Cremer in beslag neemt. Daarna wordt het steeds stiller rond de oud-verzetsman.

Pels oorlogservaringen maken nieuwsgierig. Wie weet er meer over deze bijzondere persoon en zijn ondergrondse activiteiten? Informatie is welkom via info@schaapschrijft.nl.

Robert Rudolf Pel (oktober 1945)

Robert Rudolf Pel (oktober 1945)

In aanbouw: Zaans liquidatieboek

26 aug

Er zullen weinig Nederlandse regio’s zijn waar tijdens de Tweede Wereldoorlog zoveel liquidaties plaatsvonden als in de Zaanstreek. De illegaliteit schoot hier tientallen mannen (en een enkele vrouw) dood. Vooral vanaf september 1944 sneuvelden er nogal wat mensen. Meestal waren dat collaborateurs en zwarthandelaars. Ze leidden soms tot wrede represailles. Soms ook maakten de gewapende strijdgroepen vergissingen, met onnodige en zelfs onschuldige doden als resultaat. De ondergrondse aanslagen zijn om meer en minder begrijpelijke redenen tot vandaag de dag omgeven met raadsels en taboes.

Begin 2014 hoop ik daar een beetje verandering in te brengen, door alle eliminaties te beschrijven die plaatsvonden in de Zaanstreek of onder auspiciën van Zaanse verzetsgroepen. De mannen en vrouwen die zijn geveld door de kogels van het verzet krijgen een gezicht in een boek waarin ook, voor zover mogelijk, de daders en motieven achter de schietpartijen aan bod komen.

Hoewel ik inmiddels via gesprekken, literatuur- en archiefonderzoek veel informatie heb kunnen achterhalen, houd ik me aanbevolen voor meer gegevens, hoe futiel misschien ook op het eerste gezicht. Ze zijn van harte welkom via info@schaapschrijft.nl of 075-6313819. 

Willem Ragut
‘Foute’ politiecommandant Willem Ragut, in Zaandam geliquideerd door Hannie Schaft en Jan Bonekamp  

Twee Zaanse verzetsmensen in een Scheveningse cel (4)

1 jan

In het voorjaar van 1941 arresteerden de nationaal-socialisten Jan Kalff (1901-1974), de burgemeester van Krommenie. Hij werd Duitsvijandig bevonden en belandde daarom in de gevangenis te Scheveningen, ook wel bekend als het Oranjehotel. Na enige tijd kreeg hij bij toeval gezelschap van een streekgenoot, de Koger Dick de Vries. Die werd onder meer verdacht van spionage. De burgemeester en de technisch employé van Fokker zouden vier maanden op elkaars lip zitten. Kalff kwam weer vrij, hervatte zijn illegale activiteiten en haalde heelhuids de bevrijding. De Vries werd in juni 1943 na een showproces in Berlijn geëxecuteerd. In een lange en onthullende brief, die ik onlangs bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie vond, vertelde de op zijn post teruggekeerde Kalff vlak na de bevrijding van Nederland aan de ouders van Dick de Vries hoe hun ‘samenzijn’ in de cel er uitzag. Vandaag het laatste deel in een serie van vier. 

 “Al hadden wij ons in onze omstandigheden geschikt, dat wil nog lang niet zeggen dat wij getemd of terneergedrukt waren. Ik geloof dat maar zeer weinigen ‘er onder’ te krijgen waren, niettegenstaande ‘kurze Vernehmungen[1] en dergelijke. De taal die wij na de vele grote en kleine plagerijen uitsloegen was dan ook kernachtig en gaf een duidelijk beeld van wat ‘later’ onze plannen met de Duitsers zouden zijn.

Waaruit dat plagen dan wel bestond? Soms in individuele behandeling, als in de cel een emmer water leeggooien met bevel die in 15 minuten op te dweilen met een lapje ter grootte van een vierkante doek. Maar meestal in collectieve behandeling: zonder waarschuwing plotseling het licht uitdraaien, zodat wij ons in donker moesten uitkleden; plotseling luchten, als wij juist aan het eten begonnen waren; een week lang geen couranten geven; zeer kort luchten, etc. Wij maakten ons dan wel eens boos, maar hervonden spoedig ons humeur en lachten maar over de zielige pogingen ons klein te krijgen, dat zou toch nooit lukken. En dat lukte ook nooit; ten eerste omdat wij ons, met ongeveer 1000 man, door elkander gedragen gevoelden, wetende dat wij allen bezield waren door dezelfde idealen en dezelfde vaderlandsliefde. Ten tweede door ons onverwoestbaar optimisme, niet alleen ten aanzien van de afloop van de oorlog, doch ook ten aanzien van de tijd waarop dat zou geschieden. Elk gunstig bericht nam in onze gedachten en gesprekken enorme proporties aan, de ongunstige negeerden wij en van het hoera-geschrijf in onze Duitse couranten geloofden wij niets.

Wat hebben wij vaak over de mogelijkheid van een plotselinge bevrijding gesproken. Uit de gevangenis gehaald te worden door een juichende menigte plus pierement leek ons het prachtigste van alles, en vaak spraken wij er over of wij liever nu direct naar huis wilden of nog een poos op zó’n bevrijding wachten. Meestal varieerde de tijd extra zitten die wij daarvoor overhadden zo tussen 14 dagen en een maand.

Het optimisme was in augustus 1941 zo gestegen dat wij onze ons afgenomen bezittingen, die in de zogenaamde Effectenkamer waren opgeborgen, door onze familieleden lieten afhalen, zodat wij – sloeg het bevrijdingsuur – zo weg konden hollen. Ook hadden wij onze koffers, die wij in de cel hadden, gepakt klaar staan! Later werden wij weer wat kalmer, maar dergelijke tegenvallers doodden ons optimisme niet; de stemming was goed en bleef goed!

Ruzie hadden wij ook, de eerlijkheid gebiedt het te zeggen. Maar zelden en kort en maar over één onderwerp. Ik ben netjes. Dick is netjes, maar Dick was in de cel ‘afgrijselijk’ netjes en hij vond mij maar een slordig mannetje. Dick stapelde zijn bezittingen steeds keurig haaks op, vouwde zijn kleren vóór het naar bed gaan zó op, alsof zij net uit de linnenkast kwamen, Dick dweilde en veegde de vloer tot die steriel was en morste ik daarop bij het handenwassen een paar druppels schoon water, dan huppelde hij met een dweil achter mij aan om die op te vegen. Dat leverde nu en dan wrijving op, maar zoals gezegd: niet ernstig.

Deze voorvalletjes en bezigheden lijken bij elkaar nogal heel wat, maar verdeelt men ze over vier maanden dan is het duidelijk dat menige dag in verveling doorgeworsteld werd en het was daarom een zegen dat wij beiden zo goed sliepen. Wij sliepen om 9 à 10 uur in, soms zelfs vroeger, en waren niet vóór zeven uur wakker, dit nog aangevuld met een middagslaapje van 1,5 à 2 uur bracht de 24 uren van de dag welhaast tot de helft terug.

Eens hebben wij, na enkele vergeefse sollicitaties naar een ‘baantje’ op de gang, de cel van de wachtmeester mogen schrobben en een deel van de gang . Het kon in een half uurtje gebeurd zijn, wij deden er 3 uur over en kregen tot beloning een sigaret, waar Dick, hoewel het roken ook ontwend, vrij goed tegen kon; ik werd er lijkbleek van en voelde mij een uur lang allerbelabberst.

Eenmaal zijn wij beiden – niet tegelijk – uit de gevangenis geweest, om in het hoofdkwartier der SS op het Bezuidenhout gefotografeerd te worden, voor wat wij noemden het ‘boevenboek’. Foto en face, foto en profil, met en zonder hoed! De rit per auto was heerlijk, wij zagen mensen en bomen, zon en licht.

Tegen het einde van oktober kregen wij celgenoot nummer drie, een landarbeider uit ’s-Gravendeel. De man was niet ongeschikt, maar hij verstoorde wat de intimiteit en wij waren blij toen hij na drie weken vertrok. Maar drie man in de cel was rijkelijk veel en wij rekenden uit dat de 800 cellen met per cel 2,5 man 1000 gevangenen opkonden!!

Erg blij met het vertrek van nummer drie waren wij niet meer toen hij nog diezelfde dag vervangen werd door… een Duitser! Hij bleek een anti-Hitlerman te zijn, die, toen ik op de vraag van mijn buren wie er bij ons bijgekomen was antwoordde: ‘Een Duitser’, zelf riep: ‘Sagen Sie ruhig ein Rotmof.’ Niettegenstaande de verhalen die hij over Duitsland deed en de manier waarop hij op de nationaal-socialisten schold, waren wij toch zeer voorzichtig met hem. Ook overigens vonden wij hem maar een indringer en verlangden wij terug naar de dagen van ons rustig samenzijn.

Op 2 november stapte een soort halvegare onze cel binnen, een bijbelvorser of Jehova’s getuige. Met vier man in een ruimte van 3×1.80, dat ging toch niet, maar er werd bij gezegd: ‘Kalff geht hinaus.’ Dat zou dus het einde van ons samenwonen worden; ik verdeelde alles wat ik bezat en dat was veel, daar ik de dag tevoren bezoek gehad had: boter, chocolade, pantoffels, vitaminen, boeken, potloodjes, schrijfpapier, etc. Dick schreef gezwind enige briefjes die ik uit de gevangenis zou smokkelen en gaf mij vuil goed mede, o.a. de rendiertrui. Weinig dachten wij dat ik naar de strafgevangenis ging en de briefjes en kleren daar nog 2 maanden op de zolder zouden blijven.

Na een hartelijk afscheid van Dick werd ik gehaald en verdween ik uit cel 698. Gaarne hadden wij nog even wat intiemer gepraat dan mogelijk met twee vreemden daar bij die elk woord verstaan. Ik kon dus niet meer doen dan wat Dick deed: sterkte toe te wensen, chin up!! Ik verzekerde hem natuurlijk te zullen doen wat ik in zijn belang maar kòn doen en  alle boodschappen aan zijn moeder over te brengen. Een stevige handdruk en… aan ons samenleven van vier maanden was een einde gekomen. Gelukkig was ik de gevangenis te verlaten, ellendig vond ik het Dick te zien blijven en bovendien in zulk naar gezelschap.

En thans weet ik dat deze trouwe kameraad van precies eenderde deel eens jaars voorgoed de ogen heeft gesloten, dat ik, en wat zoveel schrijnender nog is, dat zijn ouders hem niet meer zullen zien. Mogen zij uit de beschrijving van ons leven in Scheveningen de wetenschap krijgen dat hun zoon zich al die tijd flink en als een man gedragen heeft, dat hij naast korte sombere buien opgewekt en vol goede moed gedurende het overgrote deel van de tijd was, dat hij verlangde naar de vrijheid zoals wij allen deden, zei het toch héél goed te kunnen uithouden in de gevangenis en dat ik wéét dat dat de waarheid is.

Mogen zij – met niet minder vertrouwen in hun eigen jongen dan ik in mijn kameraad – wéten dat hij met behoud van zijn geestkracht, en wellicht ook zijn geloof, ook de maanden na november 1941 heeft doorgeworsteld en bovenal wéten dat hij zonder de minste twijfel als een man zal zijn gestorven, met zijn gedachten bij zijn ouders en wel bovenal bij zijn moeder, die hij zozeer liefhad.”


[1] Kurze Vernehmung = kort verhoor, daar daarbij nogal eens geslagen werd, kreeg de uitdrukking de betekenis van een pak rammel.

Dick de Vries ligt op begraafplaats Westduin in Den Haag, waar een monument staat voor de Stijkelgroep. De Vries werd door de nazi’s beschouwd als lid van deze groep, een van de eerste verzetsorganisaties in Nederland. 47 Leden werden in het voorjaar van 1941 opgepakt, een kwart van hen was Zaans. Slechts drie vrouwen en één man zouden de bevrijding meemaken.  

Twee Zaanse verzetsmensen in een Scheveningse cel (3)

31 dec

In het voorjaar van 1941 arresteerden de nationaal-socialisten Jan Kalff (1901-1974), de burgemeester van Krommenie. Hij werd Duitsvijandig bevonden en belandde daarom in de gevangenis te Scheveningen, ook wel bekend als het Oranjehotel. Na enige tijd kreeg hij bij toeval gezelschap van een streekgenoot, de Koger Dick de Vries. Die werd onder meer verdacht van spionage. De burgemeester en de technisch employé van Fokker zouden vier maanden op elkaars lip zitten. Kalff kwam weer vrij, hervatte zijn illegale activiteiten en haalde heelhuids de bevrijding. De Vries werd in juni 1943 na een showproces in Berlijn geëxecuteerd. In een lange en onthullende brief, die ik onlangs bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie vond, vertelde de op zijn post teruggekeerde Kalff vlak na de bevrijding van Nederland aan de ouders van Dick de Vries hoe hun ‘samenzijn’ in de cel er uitzag. Vandaag deel 3 in een serie van vier. 

“En waarmede vulden wij de tijd, behalve met gesprekken van deze en andere aard? Hier moge een dagindeling volgen, die enig begrip kan geven van het leven dat wij leidden:

’s Morgens 7 uur opstaan, wassen, aankleden, bedden opmaken, waterkruiken buiten de deur zetten om gevuld te worden.

8 uur: ontbijt, bestaande uit brood en een kroes taptemelk.

Van 8 tot 12: niets, behoudens soms een kwartier of tien minuten ‘luchten’.

12 uur: warm eten.

Van 12-5: niets, soms luchten, wanneer dat ’s morgens niet was gebeurd.

5 uur: uitreiking van brood en koffie.

Van 5-8: niets.

8 uur: slapen.

Het ‘niets’ trachten wij zo goed mogelijk te vullen, en wel met lezen van couranten, d.w.z. het spellen van de eerste tot de laatste letter, waarbij het weermachtsbericht en de advertenties de meeste stof tot vrolijkheid gaven. Verder het om de beurt oplossen der kruiswoordraadsels uit die couranten, waarbij Dick steeds voor de oplossing der aardrijkskundige moeilijkheden zorgde. Zijn kennis op dat gebied was enorm; zo noemde hij mij eens alle Zuid-Amerikaanse republieken met de hoofdsteden en belangrijkste rivieren uit het hoofd op! Dan lazen wij onze boeken uit de gevangenisbibliotheek, meest reisbeschrijvingen, doch ook andere, als ‘Sil de Strandjutter’ en een handboek over het zeilen, dat mij voor die sport zeer enthousiast maakte, zodat wij afspraken samen te gaan zeilen.

Soms was Dick bij het lezen zeer afwezig, deed hij een half uur over één bladzijde, wat mij – als ik op het boek wachtte – wel eens hinderde. Maar al spoedig begreep ik dat hij dan niet las, maar piekerde over verloren kanen en toekomst.

Deze niet sombere, maar stille en min of meer verbeten buien, waarin hij nors en kortaf was, duurden soms wel een dag of drie en verdwenen dan weder vanzelf. Hoezeer ik probeerde, het was mij niet mogelijk hem daar uit te halen; slechts een toevallige belangrijke gebeurtenis, een gevangenissensatie of vooral bezoek, konden hem een plotseling einde aan zo’n bui maken, anders moest het uitzieken. Het is ook niet te verwonderen dat, met hoeveel flinkheid Dick ook zijn lot droeg en zei zich met de dood vertrouwd te hebben gemaakt, hij met die dood nog maar niet direct ook vrede kon hebben en dat uren van strijd daarom voorkwamen en hun nut hadden.

Over het leven hiernamaals, God en godsdienst spraken wij ook, maar dit was eigenlijk het enige waarover Dick gesloten was. Hij sprak over moeilijkheden met zijn predikant over de weerloosheid, waarvan hij natuurlijk niets moest hebben, doch een duidelijk begrip van zijn geloof kreeg ik nimmer. Vast staat dat hij zijn avondgebed geen enkele keer oversloeg, noch zijn bijbellezing, dat hij graag naar de kerk ging en aan de werkelijk goede preken van Ds. Bos veel steun had.

Helaas kwam kerkgang zelden voor (2 of 3 keer) en waren de bezoeken aan Ds. Bos, die naast zijn gewone bezigheden een duizend gevangenen te verzorgen had, kort en haastig.

Terugkerende naar onze bezigheden, mag ik vermelden dat ik een poging deed Dick Engels te leren. Deze is niet geslaagd; evenals bijna ieder in het O.H. kon hij zich slecht concentreren, zodat het geleerde spoedig vervloog. De hersenen waren er niet bij; al lerende luisterden wij naar voetstappen op de gang: zou er post voor ons zijn of bezoek? Waarom wordt die buurman alwéér niet uit de cel gehaald? Enzovoort! Tenslotte waren wij tevreden als enkele zinnen, liefst nog in Amerikaans slang, hem in het hoofd bleven en met de herhaling daarvan op geschikte en ongeschikte ogenblikken vermaakten wij ons dan ook wel weer.

Op een dag, toen wij nog pas kort tezamen woonden, ontving ik bij mijn schone was, overigens streng verboden, speelkaarten. Van toen af aan hebben wij een ontelbaar aantal patiences gelegd; wij kenden er drie en speelden die ieder apart of tezamen, soms wel een keer of tien per dag. Nu en dan begon Dick, die er bijzonder fel op was, reeds tussen aankleden en ontbijt in. Volkomen eerlijk ging het niet steeds toe; als zo’n ding niet wilde uitkomen bedrogen wij onszelf en elkaar zonder blikken of blozen.

Behalve de gesprekken over de reeds genoemde onderwerpen behandelden wij in onze vrije tijd veel economisch-sociale onderwerpen, als arbeidstoestanden en -voorwaarden, onderwijs, kiesrecht en vooral de toestand van ons land na de oorlog, de herbouw van Nederland en de manier waarop wij geregeerd behoorden te worden. Een vooruitstrevend democraat toonde Dick zich in deze gesprekken, maar een die gevoelde voor een krachtig regeringsgezag. Behoudens dat hij wat vooruitstrevender was dan ik, waren wij het meestal erg eens, wat de gesprekken aangenaam maakte. Voor al te veel steun van overheid voelde hij niet; hij wilde wel zéér graag vooruit in de wereld, maar door eigen kracht en inspanning, door het verzamelen van meer ontwikkeling en kennis.

Ons interessantste gesprek ging over de liefde; hij had mij namelijk uitvoerig van zijn engagement verteld en daarbij gezegd dat wanneer hij ooit trouwde hij ‘daarvan toch beter moest worden’. Deze wel zeer eigenaardige opvatting, waarvan ik hem graag af wilde brengen, deed ons gesprek ontstaan dat hier moeilijk weer te geven is. Ik heb hem daarin gezegd dat hij wèrkelijk liefde in het leven lerende kennen, deze idee onmiddellijk overboord zou gooien, daar hij liefhebbende de behoefte zou krijgen het voorwerp van zijn liefde te geven: geven in materiële zin, maar meer nog aan zorg, hartelijkheid en toewijding. Hij begreep dit ook wel en wilde het zeker inzien; het was zeker het beste gesprek wat wij hadden, en hij zei: ‘Met mijn moeder zelfs heb ik nauwelijks ooit zo’n intiem gesprek gehad.’

Toen Dick bij mij in de cel kwam, had hij nog nooit bezoek gehad en ik slechts een enkele keer. Spoedig werd dit beter en kregen wij regelmatig onze familieleden te zien. Evenals ieder ander was Dick daar uitermate gelukkig mee; wij vertelden elkaar de gevoerde gesprekken na en waren er enige uren opgewonden over, ook door het steeds zeer goede nieuws dat wij dan van het oorlogsterrein kregen. De medegebrachte versnaperingen waardeerde hij niet minder dan de ontmoeting en broederlijk werd alles gedeeld: gerookte paling, kaas, boter, pindakaas, chocolade, koek, enz. Het contact tussen zijn en mijn familie kwam al spoedig tot stand, waardoor de bezoeken en de zendingen levensmiddelen zó geregeld werden dat wij niet de ene week overvloed, de andere week niets hadden.

Zonder deze zendingen waren wij er slecht aan toe geweest, want het eten was ten enenmale onvoldoende. Namelijk: 42 sneden brood + 50 gram boter in de week, 1 ons suiker de week, 7 koppen melk, 7 koppen koffie (?) en 7 pannen aardappelen met groente. Eenmaal per week kregen wij soep in plaats van stamppot; die was in het begin erg goed, later veel minder. Het ergste was de wortels, aardappels en vis, die wij in de laatste tijd vrijdags kregen. De eerste keer aten wij er niets van, later een beetje – het stonk en wij noemden het ‘viskots’. Dagelijks aten wij onze 6 vitaminepillen en toen ik cel 698 verliet kon ik er Dick nog 200 achterlaten.

Behalve naar bezoek verlangden wij zeer naar brieven; helaas kreeg Dick die nooit en hij was zo overtuigd dat de door hem geschrevene niet verzonden werden, dat hij op het laatst zelfs niet meer schrijven wilde.

Behoudens de hier beschreven bezigheden en verzetjes bracht de gevangenisroutine ook nog wel wat afleiding: wij gingen baden (1x per 14 dagen), luchten, spraken dan andere mensen, lieten ons op de gang knippen en scheren, onder veel (verboden) conversatie, vroegen en kregen bezoek van de dokter of verpleger voor min of meer denkbeeldige kwalen. Enige malen ging Dick naar de tandarts, een prettige gang wegens het daar spreken van lotgenoten, een zware gang wegens de pijnen. Wat heb ik Dick uitgelachen toen hij de eerste maal terugkwam; de tandarts had geloof ik alleen maar aan de kies gevoeld, maar een pijn!! Hij – Dick – zag zo wit als een laken en vond de ervaring nog erger dan gevangen genomen worden.

Bijna evenzeer als de pijn drukten hem de gedachten aan de kosten der behandeling, want Dick was zuinig, zeer zuinig; hij was, zoals hij het zelf meer oprecht dan elegant uitdrukte, ‘zo gierig als de pest’. Dit kwam ook naar voren bij de kopzorgen die hij zich maakte over de kosten van advocaat, reizen, pakjes enzovoort die zijn ouders te zijnen behoefte maakten en toen de rekening van de tandarts kwam, bezorgde die hem bijkans een flauwte. Maar… tezijnertijd zouden de Moffen alles terugbetalen, reken maar.

Het enige waarop Dick niet zuinig was, was zijn schoeisel; lopende in de cel draaide hij bij elke rechtsomkeert zijn voet zo krachtig over de vloer dat al spoedig elk spoor van schoenzool verdwenen was. De instructie tot het draaien zonder zoolslijtage, welke ik hem trachtte te geven en die ik met goed succes toepaste, bleef zonder resultaat.”

(wordt vervolgd)

De gevangenis in Scheveningen, tijdens de Tweede Wereldoorlog ook wel Oranjehotel genoemd vanwege de duizenden verzetsstrijders die er langere of kortere tijd vastzaten.

Twee Zaanse verzetsmensen in een Scheveningse cel (2)

30 dec

In het voorjaar van 1941 arresteerden de nationaal-socialisten Jan Kalff (1901-1974), de burgemeester van Krommenie. Hij werd Duitsvijandig bevonden en belandde daarom in de gevangenis te Scheveningen, ook wel bekend als het Oranjehotel. Na enige tijd kreeg hij bij toeval gezelschap van een streekgenoot, de Koger Dick de Vries. Die werd onder meer verdacht van spionage. De burgemeester en de technisch employé van Fokker zouden vier maanden op elkaars lip zitten. Kalff kwam weer vrij, hervatte zijn illegale activiteiten en haalde heelhuids de bevrijding. De Vries werd in juni 1943 na een showproces in Berlijn geëxecuteerd. In een lange en onthullende brief, die ik onlangs bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie vond, vertelde de op zijn post teruggekeerde Kalff vlak na de bevrijding van Nederland aan de ouders van Dick de Vries hoe hun ‘samenzijn’ in de cel er uitzag. Vandaag deel 2 in een serie van vier. 

“Wellicht ben ik de enige die weet voor welke daden Dick gevangen genomen is, want allerminst staat vast dat de Duitsers alles bekend is. Na enige tijd, wij kenden elkaar toen al wel een maand of meer, vertelde hij mij daar van; eerst kleine episoden, daarna het gehele verhaal. Z33 was hij, een naamloze werker voor het vaderland, spionerende, saboterende en ook strijdende, gedreven door liefde voor zijn land, maar ook machtig getrokken door het avontuur.

Hij heeft met zijn medestrijders uit de Zaanstreek (o.a. E. Smit, E. Honig, J. Neuteboom, J. Groot, P.H. de Jong) een garage der Duitse weermacht te Zaandam in brand gestoken, waardoor de met roofgoederen tot vertrek gereedstaande auto’s verbrandden; hij heeft een poging tot brandstichting in een fabriek te Wormerveer gedaan, welke fabriek aan een in Duitse dienst staande NSB’er behoort; hij heeft over werkzaamheden voor de Duitsers bij Fokker en andere fabrieken opgaven gedaan die naar Engeland gezonden zijn; hij heeft bij Fokker aluminiumvoorraden vernield, het werk gesaboteerd, gereedschappen vernietigd, belastingsproeven van materiaal doen mislukken – althans verkeerd doen uitkomen; tekeningen van zweefvliegtuigen door Junkers te slepen naar Engeland gezonden na ze bij  Fokker te hebben ontvreemd; hij heeft aan Engeland opgaven verstrekt over de Nederlandse en Duitse fabrieken die vliegtuigonderdelen vervaardigden, met opgaaf van welke onderdelen; hij heeft tenslotte te Wormer twee Duitse Gestapo-agenten doodgeschoten en – luguber werk – de lijken op een bootje in de Wijdewormer gebracht en ze daar in het veen geduwd. Behoudens het laatste deed hij dit alles niet steeds alleen, doch tezamen met één of meer der genoemde personen. Ook heeft hij gedurende zes maanden tezamen met H. Ero en J.C. Thomas de twaalf Engelsen die dichtbij Van Hinte te Wormer verstopt waren en van daaruit spionage en sabotage pleegden, verzorgd en onderhouden.

Deze respectabele lijst, welker inhoud ik uit Dicks eigen mond leerde kennen, geeft hem – dit zij het enige wat er van gezegd wordt – aanspraak op de naam van waarachtige vaderlander! Nimmer heeft hij mij verteld wat precies de Duitsers hem van dit alles bewijzen konden en wat hij bekend had, maar zoals reeds gezegd: hij rekende op de doodstraf, en dus zal het belangrijkste niet te loochenen geweest zijn.

Het is niet doenlijk een verhaal te geven ‘van dag tot dag’, de dagen waren daartoe te zeer aan elkander gelijk en ook gaat de herinnering zover niet, evenmin is het mogelijk alle gesprekken weer te geven, maar sommige daarvan kan ik hier toch herhalen. Veel spraken wij over militaire toestanden; Dick was met hart en ziel soldaat en betreurde het zeer dat zijn ‘weermachtsinstructieverlof’ hem verhinderd had aan de werkelijke krijgsverrichtingen deel te hebben, maar… op het dak der Fokkerfabrieken stonden een paar zware vliegtuigmitrailleurs en de gezochte, maar nimmer gevonden bediener dezer wapens in mei 1940 was Dick de Vries.

In het militaire was er veel wat Dick hinderde en ergerde; zo bijvoorbeeld het feit dat van de 1800 bij Fokker werkende mensen slechts 1 of 2 bij de Militaire Luchtvaart als grondpersoneel werden ingedeeld; dat hijzelf ondanks vele verzoeken niet bij de M.L. kon komen en infanterist moest blijven. Dat, ondanks de waarschuwing uit Noorwegen, niet tegen parachutistengevaar geoefend werd; dat de Nederlandse soldaten de silhouetten van eigen en vreemde vliegtuigen niet kenden, zodat een luitenant der infanterie op Texel, waar Dicks garnizoen lag, op een G1 vuurde.

Voorts vond hij het een onding dat de commandant van het eiland Texel een reserve-kapitein was en ergerde hij zich aan de gewichtigheden van heren van het departement, die tot gevolg hadden dat de bouw van een bommenwerper maandenlang werd vertraagd, daar men het niet eens werd over de vraag: ‘W.C. links of rechts.’ De al te prachtige uitvoering der machines was hem ook een ergernis: ‘Alles moest té degelijk – alsof ze 20 jaren mee moesten – en te luxueus gemaakt worden’, en bij dit laatste noemde hij het varkenslederen met paardenhaar gevulde kussen voor de luchtschutter der G1, dat evengoed een matje had kunnen zijn.

Het allermeest ergerde hij zich over de niet-paraatheid der luchtmachten van Nederland en de geallieerden: ‘Terwijl ik, maar ook een leek, uit de in elke kiosk verkrijgbare vliegtuigbouw-tijdschriften, kon lezen wat Duitsland op dat gebied aan het maken was.

Tenslotte had Dick één vurige hartenwens: na de oorlog officier te mogen worden! Ik meen dat zijn belangstelling en opofferingsgezindheid hem er een zeker recht op gegeven zouden hebben dat die rang hem werd verleend. Mijn buitenmodel uniform, dat hem zeker gepast zou hebben, had ik hem al beloofd.”

(wordt vervolgd)

 

Afscheid van burgemeester J. Kalff in Krommenie, mei 1947