Tag Archives: Sjoerd Bos

Gleufhoeden! De actviteiten van BVD en PID in de Zaanstreek (5 en slot)

14 nov

In 1991 publiceerde ik de brochure Gleufhoeden!, over de werkzaamheden van de Binnenlandse Veiligheidsdienst en Politieke Inlichtingendienst in de Zaanstreek. De BVD werd de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de PID veranderde in de Regionale Inlichtingendienst (RID), maar in de basis bleven hun werkzaamheden gelijk. De geheime dienst verzamelt inlichtingen voor de overheid. En soms ook tegen de eigen bevolking.
Gleufhoeden! is al vele jaren uitverkocht. Ter lering ende vermaeck plaats ik hier de vijf belangrijkste hoofdstukken, aangevuld met wat nieuwe weetjes. Hoofdstuk 5 (slot): ‘Het zijn geen padvinders.’

Het vraaggesprek vindt plaats in de restauratie van NS-station Zaandam. Sjoerd Bos is op zijn hoede, maar gaat wel in op de vragen over zijn langdurige dienstverband bij de politie, en met name bij de Politieke Inlichtingendienst. Een organisatie die hij ondanks alles wat hem is toebedeeld een warm hart toedraagt.
Bos: ‘Ik heb weinig vertrouwen in de mensen en groeperingen die vrede en democratie verkondigen en vervolgens iedereen vermoorden die het met hun stellingen niet eens is. En dat slaat zowel op links als op rechts.’ De Oud-PID’er wil duidelijk maken dat hij niets heeft tegen inlichtingendiensten. Integendeel zelfs, BVD en PID zijn broodnodig. Alleen moet de overheid volgens hem iets doen aan de uitwassen. Er dient democratische controle te komen, zoals die bijvoorbeeld in Canada al bestaat. Dáárom vooral heeft hij zijn verhaal verteld in Nieuwe Revu en niet, zoals commissaris De Vries zei, uit ‘pure frustratie’. Bos: ‘Ik weet dat de PID in ZAanstad nog steeds functioneert als in het verleden. En dan kan De Vries wel beweren dat er niets onwettigs gebeurt, maar hij weet absoluut niet wat de dienst doet.’
-De BVD zal niet blij geweest zijn met uw onthullingen in Nieuwe Revu.
‘Ik heb van hen de nodige dreigementen thuis gehad. Ik kreeg een brief uit Den Haag waarin mij mogelijke strafbare feiten werden aangewreven. Met de officier van justitie heb ik er contact over gehad. Die zei: “Als u zich aan de wet houdt, vervolgen wij u niet.” Welnu, ik denk dat ik me aan de wet heb gehouden.’
-Hoe bent u bij de PID terechtgekomen?
‘Ik ben in ’72 voor de club in Den Haag gaan werken.’ (Bos heeft het consequent over ‘de club’ als hij de BVD bedoelt.) ‘Toen ben ik door de heren aangeboord. Ik was destijds rechercheman en Molukken-expert, zoals men dat noemde. Dat deed ik op een gegeven moment blijkbaar zo goed dat ik gevraagd werd door de club.’
-Hoeveel mensen werkten er bij de PID-Zaanstad?
‘In Wormerveer vier. Dat was voor de samenvoeging van de Zaangemeenten in 1974. Daarna, vanaf ’75, werkten in Zaanstad zeven PID’ers. En dat is tussen ’75 en plusminus ’81 zo gebleven.’
-De Vries zegt dat er maximaal vier mensen bij de PID hebben gewerkt.
‘Wat De Vries zegt interesseert me niet zoveel. Ik kan nog wel tot tien tellen. Ik kan de namen van die mensen geven, maar dat heeft weinig zin. Ik zal wat beginletters van namen noemen, dan heeft u een idee. Naast mezelf was er nog een B., ik had H., J. en C. Er was een juffrouw. Er liep nog iemand rond met een grote baard, waarvan ik de naam even kwijt ben. En ga zo maar door.’
-Werd er in de tijd dat u voor de PID werkte al minder aandacht besteed aan de CPN?
‘Nee, in mijn tijd nog niet.’
-In 1982 schijnt minister Rood opdracht te hebben gegeven de CPN niet langer in de gaten te houden.
‘Dat is niet waar. Die opdracht ken ik helemaal niet. Als-ie bestond, had ik hem ongetwijfeld gekend. Er moesten in ’84/’85 nog informanten bij de CPN gerund worden.’

Sjoerd Bos

ETA

-Het verbaast me. De CPN heeft haar revolutieplannen al tientallen jaren geleden laten vallen. De partij riep af en toe op tot een staking, maar daar bleef het wel bij. Ze waren toch niet staatsgevaarlijk?
‘Ook dat is niet waar. Ik zal u in het kort iets vertellen. Je hebt de ETA, de IRA, de RAF, de CCC. In Nederland had je de Rode Jeugd en de Rode Hulp. Er waren -laat ik het heel voorzichtig zeggen- binnen de kraakbeweging verschillende figuren die daar contact mee hadden en hebben. Je had het Zuidmoluks Bevrijdingsfront, waarvan iedereen dacht dat ze op een Vrije Molukken uit waren. Maar dat Bevrijdingsfront had nauwe contacten met de Rode Hulp, ETA, IRA en noem maar op. Nu, de CPN was ook actief. Met name binnen het Zuidmoluks Bevrijdingsfront. Als vijftien Nederlanders, waaronder een aantal van het Bevrijdingsfront, naar Zuid-Jemen gaan voor een terroristenopleiding, als ze daar van Russische en Cubaanse instructeurs onderricht krijgen, is het dan toeval dat prominente CPN’ers naar het Oostblok gaan? Ik praat over de jaren zeventig, begin jaren tachtig. Ik denk dat het terecht is dat een inlichtingendienst voor dat soort figuren belangstelling krijgt en heeft. Je kunt net doen of het Medisch-Juridisch Comité -waar mr. Bakker-Schut zitting in had- een heel onschuldige beweging is, maar de praktijk heeft uitgewezen dat het dat niet was. Er zijn aanslagen gepleegd, in Amsterdam, Den Haag, Utrecht en Nijmegen onder andere.’
-Waarom werd iemand als (de toenmalige CPN-wethouder in Zaanstad) Wim Nieuwenhuijse afgeluisterd?
‘Nieuwenhuijse verbleef regelmatig in Oost-Duitsland. Daar was men nieuwsgierig naar. De BVD wilde informatie over hem hebben en dus werd hij getapt. En wij (de PID-Zaanstad) verzamelden tegelijkertijd informatie over hem en andere mensen.’
-Hoe ging het afluisteren in z’n werk?
‘Het aftappen in Zaanstad was zuiver crimineel. In Zaanstad zelf werd niet afgeluisterd voor politieke doeleinden, want Jan en alleman zou dan kunnen meeluisteren. De politieke taps gebeurden in Den Haag. Zij hadden er ook de mensen voor. Als wij iemand afgeluisterd wilden hebben, ging er een telefoontje naar Den Haag met het verzoek die persoon af te tappen. En Den Haag kon natuurlijk ook op eigen houtje iemand afluisteren. Het is de vraag of de BVD het altijd aan ons doorgaf als ze iemand hadden afgetapt.’
-Hoe vaak werd er afgeluisterd?
‘Met de regelmaat van de klok. CPN’ers, krakers of zomaar iemand waarnaar de PID nieuwsgierig was.’

Lex Hester komt ter sprake. Bos weigert toe te geven dat Lex en de informant die hij meerdere malen noemt in Nieuwe Revu dezelfde persoon zijn. In een brief die hij enkele weken voor het interview heeft verstuurd, geeft Bos aan waarom hij Lex’ naam niet noemt. ‘Door de identiteit bekend te maken van BVD-informanten zou u zich schuldig kunnen maken aan een misdrijf tegen de veiligheid van de Staat, als bedoeld in artikel 98 en verder van het Wetboek van Strafrecht.’ Tegen het beantwoorden van vragen over Lex heeft Bos desondanks geen bezwaar.
-Hoe is het contact tussen Lex en u ontstaan?
‘Ik kende hem binnen de criminele sfeer, al voor 1978. Het was een hele aardige krullenjongen die aan lager wal was geraakt. Hij was vrij intelligent, had een vlotte babbel. Hij heeft een aantal behoorlijke klussen geklaard. Op een gegeven moment werd ik ’s nachts door hem gebeld. Hij zat in de gevangenis, maar had op dat moment proefverlof. In die gevangenis zat de prominente leider van een club waarvoor wij belangstelling hadden. En die twee waren bevriend geraakt. Lex belde of ik geïnteresseerd was in informatie over die man. Dat was ik.’
-Was binnen het politiekorps bekend dat Lex informant was?
‘Nee. [Hoofdcommissaris] Prakken wist er ook niets van.’

CCC

-Wat was het nut van die inbraak in Vlietsend 20?
‘De papieren uit het Vlietsend waren niet alleen van de RAF, maar ook van de CCC. Met name de ideologie van die laatste club werd daarin heel nauwkeurig beschreven. En dat was groot nieuws, want daar wisten we toen niets vanaf. Ik weet ook wie die papieren heeft samengesteld. Ik zou daar hele verhalen over kunnen vertellen.’
-Iemand uit de linkse beweging?
‘Ja.’
– Iemand van de CC?
‘Nee, nee. Het was een jongedame die dat op papier had gezet. Ze studeerde toen in Amsterdam en had hele nauwe contacten met de CCC en de RAF. Maar haar naam noem ik niet.’
[Het verhaal van Bos is wat vreemd, omdat de CCC ten tijde van de inbraak in het Vlietsend nog niet actief was. Pas in 1984 pleegde de Belgische groepering haar eerste aanslag. In hetzelfde jaar maakte de CCC haar ideologische achtergrond bekend.]
-Hoeveel verdiende Lex met zijn inbraak in het Vlietsend-pand?
‘Precies weet ik het niet meer, maar het zal in ieder geval vijfhonderd gulden geweest zijn.’
-Lex brak ook in bij Witco Chemical.
‘U zegt het. Ik weet het niet. Kijk, u moet het zo zien dat een inlichtingendienst zich natuurlijk niet bedient van dominees, aankomende pastoors en Jehova’s Getuigen. Het zijn geen padvinders.’
-Lex wilde ook nog wel eens iets in brand steken. Niet alleen die flat die uw eigendom is geweest, maar bijvoorbeeld ook de AMRO-bank in Krommenie.’
‘Ja.’
-Was dat bekend bij de PID?
‘Ja.’
-Tegen een jongen uit zijn omgeving zegt Lex vervolgens dat hij dat deed omdat die bank onderdeel was van het kapitalistische systeem.
Bos lacht. ‘Tja.’
-Gebeurt zo’n brandstichting in opdracht van de PID?
‘Nee, nee. Dat zeker niet.’
-Ik snap Lex’ motieven niet om zoiets te doen.
‘Die man was hondsbrutaal. Hij nam nogal wat risico’s. Ik weet van één keer dat het uit de klauwen liep, dat ze hem op de korrel hadden binnen een bepaalde groep. Toen heb ik het zoeklicht op een ander laten schijnen, en was Lex weer uit beeld. Maar zo werkte hij dus, ja.’
-U bedoelt dat hij door een linkse groepering er van werd verdacht voor de inlichtingendienst te werken?’
‘Ja.’
-En vervolgens heeft u een afleidingsmanoeuvre toegepast?
‘Ja. Toen heeft een ander een tijdje moeten onderduiken.’ Bos lacht nogmaals. ‘Die jongen was volkomen onschuldig. Dat deed ik dus om Lex af te schermen.’
-Lex had een nogal tweeslachtige houding. Enerzijds gooit hij brandbommen naar binnen bij een bank en breekt hij in bij Witco, anderzijds verlinkt hij mensen die bij allerlei acties betrokken zijn.’
‘Hij kan zichzelf hebben willen waarmaken bij de club waarvoor hij actief was. Bij, laten we zeggen, de groeperingen die anti-kapitalistisch denken. Zo’n steen door een bankruit gaat er dan in als koek. Daar verstevig je je positie mee. En bij de politie hoeft niet altijd duidelijk te worden dat hij zoiets gedaan heeft.’
-Hij is opgepakt tijdens die inbraak bij Witco.
‘Daar heeft-ie pech gehad. Ik heb achteraf ook wel dingen over hem gehoord waarvan ik denk: “Daar zal hij wel een bedoeling mee hebben gehad.” Die jongen heeft in geweldige tweestrijd geleefd. Hij heeft mij wel eens gevraagd: “Jullie liquideren ook wel eens mensen, hè?” Toen was hij echt bang. Ik heb hem gezegd dat hij hier, in Nederland, dat gevaar niet liep.’


Info

-In haar jaarverslag spreekt de Centrale Recherche Informatiedienst over een Europees terreurfront. Voor een deel zou haar informatie gebaseerd kunnen zijn op Lex’ blad ’t Info. Kan de CRI misschien de teksten voor dat blad hebben geleverd?
‘Tja, hoe komt Lex aan die teksten? Er is op Clingendael vastgesteld dat hij het niet zelf gedaan heeft. Ze hebben én hem én de tekst bestudeerd en vervolgens uitgesloten dat hij dat blad heeft kunnen samenstellen, gezien zijn intelligentie. Interessant is dan natuurlijk de vraag wie het wel heeft gedaan. En als het de CRI niet is, waarom hebben ze er dan niet een enorme belangstelling voor en gaan ze niet vaststellen wie er wel bij betrokken is. Maar er is geen enkele belangstelling van die zijde.’
[Volgens Bos heeft een journalist aan Clingendael gevraagd ’t Info te onderzoeken. Maar volgens de betrokken journalist is daar geen sprake van. De oud-PID’er lijkt hier fictie en feiten door elkaar te halen.]
Bos laat doorschemeren het niet meer dan logisch te vinden dat Lex in december 1990 is opgepakt. Volgens hem was Lex ‘aangebrand’ en wilde de CRI na zijn ontmaskering waarschijnlijk het risico vermijden dat hij zijn mond voorbij zou praten. ‘Als het allemaal waar is van ’t Info en het aanbieden van explosieven door Lex, dan zou je je kunnen voorstellen dat zo’n CRI denkt: “Laten we die kerel maar oppakken.”‘
-Kan de CRI regelen dat informanten niet worden vervolgd voor door hen gepleegde misdrijven?
‘Je kan wel eens wat door de vingers zien, maar niet elke keer. Natuurlijk is het mogelijk, als het om misdrijven gaat, wel eens iets door de vingers te zien. Wanneer het om twaalf misdrijven gaat, is het niet zo’n kunst er eens een te laten schieten. Als het niet te gek wordt tenminste.’
-Hoeveel informanten gebruikte de PID in uw tijd?
Bos begint hardop te tellen. ‘Elf in ieder geval. En dan nog wat randfiguren, medewerkers in de marge. Dat waren er een stuk of zes.’
-Waar waren die informanten actief?
‘Op allerlei plekken. Er werkte bijvoorbeeld iemand bij de PTT, op het hoofdpostkantoor in Zaandam. En we hadden iemand bij het PEN, het electriciteitsbedrijf. Dat was makkelijk, omdat die man door zijn beroep bij iedereen kon binnenkomen. Bij gemeentediensten zaten informanten. Dat was eveneens makkelijk. Daardoor hoefde ik me nooit meer rechtstreeks bij de gemeente te melden als ik informatie wilde. Een telefoontje was voortaan genoeg. Onder de bezorgers van De Waarheid zaten informanten. In de kraakbeweging. Enfin, ga zo maar door.’
-Waren er buiten Lex nog andere informanten actief in de Zaanse kraakbeweging?
‘Inderdaad. We hebben eens een ontruiming gehad van een kraakpand waar nogal veel problemen werden verwacht. Er waren barricades en na die ontruiming is ook met verfbommen gegooid en zijn er ruiten gesneuveld. Maar de ontruiming zelf is rustig verlopen. Onder andere omdat we van minuut tot minuut op de hoogte werden gehouden van de ontwikkelingen in dat pand, door de informant die we daar hadden zitten.’ Bos beaamt het niet, maar hij doelt op de Botenmakersstraat 133. Die gekraakte woning werd 29 juni 1981 ontruimd. Uit het jaarverslag over 1981 van de PID: ‘Het gekraakte pand aan de Botenmakersstraat was zwaar gebarricadeerd. Desondanks kon de woning, na goed overleg vooraf en door effektief optreden ter plaatse, snel worden betreden en ontruimd.’ De krakers dachten overigens al dat de politie pogingen deed te infiltreren. Uit dagblad De Typhoon van 29 juni: ‘Kraker Hans had het vermoeden dat “een zekere kraker Kees”, die regelmatig belde, dat namens de politie deed.’
-Zat er ook een informant in de gemeenteraad van Zaanstad?
‘Ja.’
-Wie?
‘Ik noem geen namen?’
-Van welke partij was hij of zij lid?
‘Dat zeg ik ook niet.’
-Wanneer was die informant lid van de raad?
‘Dat is een jaar of vier geweest, van 1977 tot plusminus 1981.’
-Hoe is het contact met dat raadslid tot stand gekomen?
‘We hebben hem opgebeld en gevraagd of hij zijn medewerking wilde verlenen. En dat wilde hij wel.’
-Is het gebeurd dat aan mensen is gevraagd hun buren, die betrokken waren bij de kraakbeweging, te bespioneren?
‘Dat kan prima. Er zijn krakers in de gaten gehouden.’


-Werden er vaak asielzoekers ingeschakeld als infiltranten?
‘In de jaren dat ik chef was is het vier, vijf keer gebeurd dat asielzoekers inlichtingen verzamelden en in ruil een verblijfsvergunning kregen. Asielzoekers zijn een makkelijke groep. Ze staan met hun rug tegen de muur. De meesten hebben dan niet zoveel bezwaren. Met een van die mensen heb ik trouwens nog steeds contact.’ Bos maakt een onderscheid tussen vluchtelingen en andere buitenlanders. ‘We hebben met succes een aantal Turken benaderd, in ieder geval meer dan vier keer. Dat was nodig omdat er een strijd gaande was tussen Grijze Wolven en linkse jongens. Die Turken zijn overigens meestal benaderd op verzoek van Den Haag. Ze werden dan ook vaak door de club in Den Haag gerund. Maar ik heb bijvoorbeeld ook wel eens iemand gehad die bij Palestijnse groepen kon binnenkomen.’
-Hoe was de samenwerking tussen de PID en de Vreemdelingendienst?
‘Die was uitstekend, net als met Justitie. Daarom waren die verblijfsvergunningen ook geen probleem.’
-En de samenwerking met het gemeentelijk Bevolkingsbureau?
‘Geen probleem. We konden alle gegevens krijgen die we wilden hebben.’

-In de tijd van de RARA-aanslagen werd de post van de PSP opengemaakt en vervolgens met een plakbandje dichtgeplakt of nog geopend afgeleverd. Komt dat u bekend voor?
‘Het kan. Het is na mijn tijd gebeurd. Toen werd ook wel post opengemaakt en gekopieerd, maar het werd daarna niet met een plakbandje weer afgesloten. Wij zorgden wel dat degene voor wie de brief bedoeld was er niets aan kon zien. Dat soort dingen vond plaats met behulp van de PTT.’
-De PID in Zaanstad overtrad de wet nogal eens.
‘Dat moest nu eenmaal om resultaten te krijgen. Ik zal u een voorbeeld geven. Op een gegeven moment, in ’79 of ’80, wilden drie jongens het hoofdbureau van politie in Zaandam opblaazen. Een van die jongens had een akkefietje met de recherche en wilde wraak nemen. Ze hadden spullen meegenomen uit het scheikundelokaal van de Professor van der Leeuw-mavo in Krommenie en daarmee een thermietbom gemaakt.’ [Brandbom bestaande uit aluminiumvijlsel en ijzeroxide.] ‘Er waren zelfs al proeven mee genomen in het Agathepark in Krommenie. Het was de bedoeling dat een van die jongens de bom in het toilet van het politiebureau zou leggen en een ander dat ding via radiografische afstandsbediening tot ontploffing zou brengen. Een informant tipte ons daarover.’ [Die informant was Lex Hester.] ‘Vervolgens zijn ze afgeluisterd en hebben we ingegrepen. We konden wel wachten tot ze een poging zouden doen die bom neer te leggen, maar dat was te riskant. En volgens de wet mochten we niets tegen ze doen, want we hadden geen bewijzen. Op een dag, toen de jongen bij wie die bom lag niet thuis was, hebben twee politiemannen zijn deur ingetrapt. Ze hebben de explosieven en wat papieren meegenomen. Die inbraak was op eigen risico, want er werd op onwettige wijze informatie verkregen. Maar we hadden weinig keus.’
-Die ene ingreep rechtvaardigt toch niet alle misstappen van de BVD en PID?
‘In theorie zijn de bevoegdheden van de BVD wettelijk geregeld. In de praktijk moet je buiten je boekje gaan. Het is te gek dat politiemensen zulke risico’s lopen, zonder wettelijk gedekt te zijn. Daarom pleit ik ook voor een betere wetgeving en een systeem van toezicht.’

Gleufhoeden! De activiteiten van BVD en PID in de Zaanstreek (2)

5 nov

In 1991 publiceerde ik de brochure Gleufhoeden!, over de werkzaamheden van de Binnenlandse Veiligheidsdienst en Politieke Inlichtingendienst in de Zaanstreek. De BVD werd de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de PID veranderde in de Regionale Inlichtingendienst (RID), maar in de basis bleven hun werkzaamheden gelijk. De geheime dienst verzamelt inlichtingen voor de overheid. En soms ook tegen de eigen bevolking.
Gleufhoeden! is al vele jaren uitverkocht. Ter lering ende vermaeck plaats ik hier de vijf belangrijkste hoofdstukken, aangevuld met wat nieuwe weetjes. Hoofdstuk 2: 1972-1986: Sjoerd Bos.

In 1972 benadert de Binnenlandse Veiligheidsdienst de Wormerveerse recherchemedewerker Sjoerd Bos met het verzoek voor de dienst te gaan werken. Bos is getrouwd met een Zuid-Molukse vrouw en daardoor thuis in het bij tijd en wijle rumoerige Molukse wereldje. Hij is al sinds 1955 bij de politie, heeft begin jaren zestig een poosje in Nieuw-Guinea gewerkt voor de politiemacht van de Verenigde Naties en weet, na het volgen van een opleiding bij de Explosieven Opruimingsdienst in Culemborg, hoe om te gaan met bommen. Bos is van alle markten thuis en lijkt dus een ideale kandidaat-PID’er.
De Wormerveerder voelt wel wat voor het inlichtingenwerk. Hij doet in het Haagse BVD-kantoor aan de President Kennedylaan mee met twee cursussen op het gebied van inlichtingenwerk, die beide zo’n zes weken duren. Na deze met goed gevolg doorlopen te hebben, ontvangt Bos het zogenaamde veiligheidsdiploma. Zijn PID-arbeid in Wormerveer kan beginnen. Bos besteedt veel aandacht aan de meer dan driehonderd Molukkers die sinds 1962 in Wormerveer wonen. Een groot deel van hen voelt zich onrechtvaardig behandeld door de Nederlandse overheid en is bereid zich in te zetten voor een vrije Molukse staat. De ‘Molukken-expert’, zoals Bos zichzelf noemt, heeft als doel te voorkomen dat dat op gewelddadige wijze gebeurt.
Zijn bazen tonen zich tevreden over Bos’ inzet. Twee jaar na de samenvoeging van zeven Zaangemeenten, in 1974, wordt hij bevorderd tot chef van de PID-Zaanstad. Als hoofd van de inlichtingendienst is hij betrokken bij de ‘bescherming van de democratische rechtsorde’ (zoals een van de BVD-taakstellingen luidt) in de nieuwgevormde stad met ruim 120.000 inwoners. Bos stort zich met hart en ziel op zijn taak. Zijn dienst werft veel informanten en screent alles wat in PID-ogen neigt naar politiek extremisme.
Albert B.J. Prakken, van 1974 tot 1985 hoofdcommissaris van de politie-Zaanstad, hecht grote waarde aan openheid in zijn korps. Zijn invloed is terug te vinden in de jaarverslagen uit die tijd. Ook de PID moet daarin verantwoording afleggen, iets dat indruist tegen de geheimhouding waaraan de dienst zich gehouden voelt. De PID-verslagen zijn dan ook onvolledig en oppervlakkig, maar laten desondanks zien wat de Sektie Stiekem belangrijk vindt.

Molukkers

Vanaf het midden van de jaren zeventig is er vooral aandacht voor de Zuid-Molukse gemeenschap. ‘Im mei pleegden twee Zuid-Molukkers een overval op een hulppostkantoor in onze gemeente. Direkt daarop vond de schoolbezetting en de treinkaping in Drente plaats’, meldt de PID in het jaarverslag over 1977, suggererend dat een en ander met elkaar van doen heeft. De dienst (lees: Bos) schrijft dat ‘grote problemen zich niet hebben voorgedaan’, maar ‘wel zal van overheidswege blijvend de nodige aandacht aan de groepering moeten worden geschonken.’ In later jaren gebeurt dat inderdaad. Pas na 1982, als Sjoed Bos zijn baan bij de PID is kwijtgeraakt, worden Zuid-Molukkers niet meer genoemd in de jaarverslagen. In 1981 meldt Bos nog over hen: ‘Op politiek gebied was men nauwelijks aktief.’ Om meteen te vervolgen met de mededeling: ‘Eénmaal is een onderzoek ingesteld naar aanleiding van geruchten dat binnen de Molukse gemeenschap een nieuwe terroristische aktie zou worden voorbereid.’ Over het resultaat van het onderzoek wordt naderhand niets meer vernomen.
Hoewel zich in de Zaanstreek weinig problemen voordoen onder de Zuid-Molukkers schrijft Bos in een serie over de BVD, in Nieuwe Revu (december 1990), nog maar eens dat alle PID-belangstelling niet nutteloos was. Hij rept van ‘een groep Zuidmolukkers van het Zuidmoluks Bevrijdingsfront die in Zuid-Jemen een intensieve terroristische opleiding volgenden’ en van een man die ‘er van werd verdacht wapens te leveren aan leden van het Zuidmoluks Bevrijdingsfront’.
De BVD heeft er veel geld voor over om informatie in handen te krijgen over de Molukse bevolking in Nederland. Na de gijzelingsacties in 1977 investeert de veiligheidsdienst zo’n 40.000 gulden (aldus Bos) in een man die wel als politiespion wil functioneren binnen de gemeenschap. Ook intimidatie kan van pas komen bij het vergaren van gegevens. Bos in Nieuwe Revu: ‘Kort na de gijzelingsakties eind jaren zeventig verleende de vriendin van een Zuidmolukker, na lang aarzelen, haar medewerking aan de PID omdat ze bang was dat ze anders het land uitgezet zouden worden. (…) De vrouw in kwestie werd door twee PID’ers medegedeeld dat ze wel eens grote problemen kon krijgen als ze haar medewerking bleef weigeren. Ze bezweek voor de pressie. (…) Ze werd de verraadster van haar eigen vriend.’
Bos laat in het midden wat het effect van de BVD-bemoeienissen met Zuid-Molukkers is. Vrij Nederland-verslaggever Rudie van Meurs denkt er in zijn boek De BVD het zijne van. Een citaat: ‘De BVD heeft geen voet tussen de deur kunnen krijgen in de Zuidmolukse woonwijken; de BVD heeft (tevergeefs) jonge Zuidmolukkers strafvermindering in het vooruitzicht gesteld als zij als informant willen optreden; de BVD is, om toch maar zijn bestaan te rechtvaardigen, overgeswitched van het verzamelen van politieke informaties naar het inventariseren van crimineel gedrag; de BVD heeft een brevet van onvermogen geleverd door te suggereren dat Zuidmolukkers geïnspireerd worden door “een getraind links kader”; de BVD en de CRI [Centrale Recherche Informatiedienst] hebben tenslotte bij Van Agt de indruk doen ontstaan dat “een meesterbrein” achter de akties zit.’

De aandacht voor Molukkers gaat onder leiding van Bos niet ten koste van de oplettendheid tegenover de CPN. Een scala van gebeurtenissen, die geen van alle zijn vermeld in de PID-jaarverslagen, getuigt daarvan. Allereerst is daar de inbraak in het CPN-gebouw aan de Zaandamse Nicolaasstraat, op 14 juli 1975. Twee PID’ers doen die avond een poging de ledenlijst en andere documenten te pakken te krijgen. Ze vergissen zich eerst in het juiste pand en slaan met een stoel een ruit kapot van het Bevolkingsregister, de buren van de CPN. Als ze hun fout bemerken, wordt alsnog het raam van het partijgebouw onder handen genomen. De twee mannen klimmen naar binnen en doorzoeken allerlei paperassen, maar vinden weinig van hun gading.
Uiteindelijk vertrekken ze weer, de adressen van een aantal (districts)bestuurders met zich meenemend. In het kantoor aanwezig geld blijft ongemoeid. Aan de adressen hebben ze overigens niet veel. Die staan in elk telefoonboek afgedrukt. De ledenlijst, hun voornaamste doel, wordt uit veiligheidsoverwegingen niet in het CPN-gebouw bewaard. Bos, in Nieuwe Revu: ‘De inbrekers zijn er later zelf getuige van dat een CPN-lid op het politiebureau van Zaanstad aangifte van de inbraak komt doen.’

Hij geeft in het blad nog een voorbeeld van PID-bemoeienis met de CPN. ‘Als in het midden van de jaren tachtig een PID’er op het kantoor in Zaanstad, van waaruit hij werkt, verschijnt met een krantenartikeltje waarin een in de dossiers voorkomende CPN’er ter sprake komt, is dat niets bijzonders. Het artikel, in een huis aan huis verspreid buurtkrantje, gaat over Speeltuinvereniging Wormerveer. De CPN’er blijkt bestuurslid te zijn. Voldoende reden voor de bewuste PID’er om te zeggen: “Laten we dat hele bestuur eens natrekken.”‘ Ook van leden van de Zaandamse buurtvereniging Oit en Tois is, om dezelfde reden, een PID-dossier aangelegd.
Dat CPN-leden, binnen en buiten de Zaanstreek, zijn afgeluisterd staat vast. Op 6 september 1982 heeft de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, M. Rood, opdracht gegeven de CPN niet langer te bespioneren. Althans, dat verklaarde minister Dales begin 1991 in de Tweede Kamer. Voor 1982 was de BVD-interesse voor de CPN blijkbaar nog gelegitimeerd. Dales is vaag over het tijdstip dat het aftappen van telefoons is stopgezet. ‘Zoals bekend zijn CPN, PSP en Groen Links geen voorwerp van onderzoek door de BVD, dus ook niet door middel van afluisterakties. De PID luistert ten behoeve van de BVD geen telefoongesprekken af’, legde de minister de BVD-werkwijze van dat moment aan de kamer uit. En wat het verleden betreft: ‘Voor zover de BVD telefoongesprekken heeft afgeluisterd, is dit in alle gevallen uitsluitend geschied met een bijzondere last van de vier verantwoordelijke bewindslieden.’ Ze ontkent, noch bevestigt dus dat CPN’ers ooit zijn afgetapt.

Taps

Bos is in Nieuwe Revu duidelijker. ‘In het “Rode Hart van Nederland”, zoals de Zaanstreek te boek stond, waren het vooral leden van de CPN die afgeluisterd werden.’ Hij noemt Wim Nieuwenhuijse (oud-wethouder voor de CPN en later raadslid voor Groen Links) en Marcus Bakker (voormalig Tweede Kamerlid). Oud-hoofdcommissaris Prakken zegt onwetend te zijn geweest van de tappraktijken. Na de publicaties in Nieuwe Revu schrijft de inmiddels gepensioneerde Zaandijker naar Arthur Docters van Leeuwen, hoofd van de BVD. ‘Het feit doet zich voor dat enige oud-communisten, waaronder een goede vriend, mij met name hebben gevraagd wat ik weet van het afluisteren van telefoons. Nimmer heb ik hiervan geweten en als mij van de zijde van de BVD een dergelijk verzoek zou hebben bereikt zou ik dat hebben geweigerd. (…) Gaarna zal ik van u schriftelijk vernemen of in de periode van 1-1-’74 tot 1-6-’85 de telefoons met name van oud-wethouder G. Schoen en W. Nieuwenhuijse, alsmede de raadsleden van de voormalige CPN zijn afgeluisterd.’ Docters van Leeuwens antwoord aan Prakken: ‘Inhoudelijk kan ik u hierover geen informatie verstrekken, omdat ik wettelijk verplicht ben tot geheimhouding.’

De BVD neemt ook nog andere groeperingen en personen dan de CPN(-leden) op de korrel. De kraakbeweging bijvoorbeeld, die van 1977/’78 sterk aan invloed wint in Zaanstad. In het jaarverslag over 1979 meldt de PID al enigszins ongerust: ‘Voor het begeleiden van kraakakties werd de Kraakbond Zaanstreek opgericht, waarin jongeren uit verschillende groeperingen zitting namen.’ Het jaar daarop concludeert de dienst dat er 32 panden zijn gekraakt. ‘De indruk bestaat dat naast leden van de Kraakbond ook andere groepen jongeren zich thans met kraken bezighouden. Hoewel men sympathiseert met de Kraakbond staat het huisvestingsprobleem bij deze jongeren niet centraal, doch verzet men zich tegen het kapitalisme, het militarisme en wat men in het algemeen “de onderdrukking door de overheid” noemt. Naast gewone relschoppers bevinden zich onder deze jongeren leden van de anti-militaristische groep “Onkruit”, het Rood Verzetsfront, jongelui met anarchistische opvattingen en leden van de eerder genoemde extreem-linkse Turkse organisatie Halkin Kurtulusu.’
Bos en zijn Haagse superieuren vinden het tijd worden om aktie te ondernemen. Dat daarbij af en toe de wet overtreden moet worden is in hun ogen onvermijdelijk. Een informant breekt in bij een kraakpand in Krommenie om daar compromitterende verklaringen van buitenlandse politiek extremistische organisaties neer te leggen (zie hoofdstuk 3 over Lex Hester). Telefoons van krakers worden afgeluisterd, zonder de wettelijk verplichte toestemming van vier ministers. Infiltranten krijgen een plaatsje in de kraakbeweging. Alles kan en mag als daarmee de staatsveiligheid gewaarborgd lijkt te zijn.

Niet altijd gebeuren de PID-werkzaamheden onopvallend. Op 30 april 1980 vindt de kroning plaats van koningin Beatrix. De kraakbeweging roept de dag, onder het motto ‘Geen woning, geen kroning’, uit tot nationale kraakdag. De Kraakbond Zaanstreek verzamelt zich op het Zaandamse Hazepad, waar een kerk is gekraakt. Van daaruit zullen ze optrekken naar een appartementencomplex in aanbouw, in het centrum. De bedoeling is het complex te bezetten, om te protesteren tegen de hoge huren die de eigenaar voor de huizen wil vragen. De politie krijgt lucht van de bijeenkomst en op het Hazepad verschijnen twee agenten in burger, die de gebeurtenissen onopgemerkt in de gaten willen houden. Leden van de Kraakbond herkennen het duo echter en na korte tijd druipen de twee stillen af zonder iets wijzer te zijn geworden. Het appartementencomplex wordt vervolgens met succes door de Kraakbond bezocht.
De Krommenieër Dirk Smit, kraker van het eerste uur, herinnert zich dat een bevriende agent hem al in 1973 of ’74 laat weten dat de PID belangstelling voor hem heeft. ‘Die agent zei tegen me: “Je moet je achterbuurman eens in de gaten houden. Die is op je spoor gezet.” Mijn buurman en ik hielpen elkaar wel eens met klusjes in de tuin. Na de waarschuwing van die agent begon ik op te letten en toen merkte ik pas hoe geïnteresseerd mijn buurman was. Hij wilde weten wat ik deed en stelde vreemde vragen over mensen die in woningnood verkeerden. Voorheen dacht ik dat hij dat deed uit pure interessse, uit medeleven.’
Dirk Smit verhuist en raakt daarmee verlost van zijn nieuwsgierige buurman. Rond 1985 -hij is nog steeds intensief betrokken bij diverse sociale bewegingen- ontvingt Smit een nieuwe waarschuwing. ‘Een kennis die op het gemeentehuis werkte, vertelde dat de PID daar was langs geweest. Ze hadden geïnformeerd wie er bij me in de buurt woonden, wat voor werk die mensen deden, wat hun geloof was, et cetera.’ De PID ronselt een nieuwe buurman, die noteert wanneer Smit weggaat en thuis komt, welke personen bij hem aan de deur verschijnen en wat Koning zoal doet. ‘Ik heb het eens getest. Ik liet iemand naar hem opbellen met de boodschap “Voel eens of de deur open is.” Een minuut later stond hij aan mijn huis te rammelen.’
Helaas voor de PID, de buurman wordt ziek en overlijdt. De dienst moet opnieuw de buurt in en opnieuw wordt Smit ingelicht door de kennis op het gemeentehuis. De PID is weer langs het Bevolkingsbureau geweest, net als de eerste keer. Ditmaal strikken ze een overbuurman. Smit: ‘Ik zie hem wel eens aantekeningen maken wanneer er iemand bij me langskomt. Het is triest, want die man is in wezen heel onschuldig. Hij is alleen zó gecultiveerd, die knop draai je nooit meer om. Ik praat maar gewoon niet meer tegen hem.’

Brieven

Waar PID’ers vermoeden dat krakers, communisten en andere staatsgevaarlijke elementen bij elkaar komen, worden ze helemaal alert. Bos heeft het in Nieuwe Revu bijvoorbeeld over de 19-jarige juffrouw B., die in 1980 in de Zaanstreek gaat wonen en bij de Amsterdamse inlichtingendienst te boek staat ‘als activiste en sympathisante van de CPN’. Bos: ‘Ze zou, volgens Amsterdam, betrokken zijn geweest bij krakersrellen. De PID-Zaanstad stelde een onderzoek in. Daaruit bleek onder andere dat ze belangstelling toonde in de RAF (ze had affiches aan de muur en literatuur over de Duitse terreurorganisatie). Ook vernam men dat ze een verhouding had met een andere “klant” van de PID-Zaanstad. Een man die in de dossiers voorkwam in verband met zijn “Oostblok-contacten”. (…) Probeerde, zo vroeg de PID zich af, de CPN via de studente en de man geheime contacten te onderhouden met Oosteuropese groeperingen?’
De twee worden gevolgd en hun post komt via een PTT-besteller terecht bij de PID. Die controleert de inhoud en geeft de brieven vervolgens zorgvuldig dichtgeplakt terug aan de PTT. Het briefgeheim is geschonden, maar de dienst weet wat ze wil weten. Na een vergelijkbaar voorval in Utrecht verklaarde de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, Koos Rietkerk, dat de BVD zulke dingen niet deed. Het kon wel eens gebeuren dat de buitenzijde van onderschepte post gekopieerd werd door de BVD of PID, maar openmaken was er niet bij volgens de minister. Er waren niet veel mensen die hem geloofden, maar bij gebrek aan controlemogelijkheden kon het tegendeel niet worden bewezen.
(Na het vertrek van Sjoerd Bos bij de politie-Zaanstad schijnt de PID diens werkwijze te hebben overgenomen. Tussen 1985 en ’88 pleegt onder meer de actiegroep RARA veel aanslagen op Shell-stations en Makro-vestigingen, vanwege hun investeringen in Zuid-Afrika. Op 20 juni 1987 brandt een Zaandamse Shell-pomp af. Pas veel later blijkt dat de brand niets te maken heeft met anti-apartheidsacties. Op 7 juni 1988 breekt de actiegroep ‘Splijt apartheid’ in bij Combined Amsterdam Shipping Agencies in Zaandam. De groep toont met de daar gevonden papieren aan dat CASA meehelpt de kolenboycot tegen Zuid-Afrika te ontduiken. Verder zijn er in de Zaanstreek regelmatig anti-apartheidsacties. De PID wil er graag een vinger achter krijgen. Juist in die periode kan het gebeuren dat post van het Komitee Zuidelijk Afrika en de Anti-Apartheidsbeweging Nederland beschadigd, geopend of slordig met een plakbandje dichtgeplakt bij de PSP-Zaanstad in de bus valt. De PID is er op dat moment van op de hoogte dat PSP-(bestuurs)leden betrokken zijn bij de blokkade en andere acties tegen Shell. De PID-‘slordigheid’ kan bedoeld zijn om de Pacifistisch Socialistische Partij te waarschuwen of te intimideren. Over het algemeen zorgt de dienst wel dat niet zichtbaar is dat post geopend is geweest.)

Sjoerd Bos

De BVD heeft jarenlang de PSP in de gaten gehouden. Al in 1958 -de PSP bestaat dan net een jaar- stuurt J.S. Sinninghe Damsté (op dat moment een van de hoogste BVD’ers) een circulaire rond over de partij. Hij verzoekt om informatie ‘met betrekking tot extremistische elementen, die zich van de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) trachten meester te maken dan wel deze partij in extremistisch vaarwater pogen te trekken.’ Op 21 december 1962 volgt een nieuwe briefing van de inmiddels tot diensthoofd bevorderde Sinninghe Damsté. Hij roept medewerking in van de PID voor ‘een meer intensieve observatie van de PSP. Een van de belangrijkste motieven daarvoor was, dat -blijkens bepaalde aanwijzingen- een nauwere samenwerking tussen de PSP en de CPN verwacht kan worden.’ Vanaf dat moment worden een onbekend aantal keren ledenlijsten gestolen en afdelingen geïnfiltreerd. De PID bezoekt bovendien talloze partijvergaderingen.
Sjoerd Bos denkt met gemengde gevoelens terug aan een PSP-bijeenkomst, begin jaren zeventig, die hij met een PID-collega bijwoont. ‘Daar voerde onder andere een inspecteur van politie het woord over de BVD. Op een gegeven moment zei hij dat het hem niet zou verbazen als in de zaal op dat moment ook iemand van de PID zat. Iedereen begon toen onmiddellijk rond te kijken om te zien wie dat dan wel zou kunnen zijn. Om wat verwarring te zaaien stond ik op en riep dat het schandalig zou zijn als er inderdaad een PID’er in de zaal zat. M’n collega kreeg een vuurrood hoofd en liep weg zodra het  onopvallend kon. Zelf vond ik de situatie wel grappig. Totdat ik Paul Hoogerwerf (oud-voorzitter van de PSP, wonend in Wormerveer) in het oog kreeg. Hij wist wat voor werk ik deed. Ik had hem daar over het hoofd gezien. Ik was blij dat hij op dat moment zijn mond dichthield en net deed of hij me niet kende.’
Hoogerwerf kan zich het bewuste voorval niet herinneren, maar weet wel dat rond 1973 Bouwe Kalma, inspecteur van politie in Rotterdam, in de Zaanstreek is geweest. ‘En als Kalma ergens optrad, werd er extra aandacht aan besteed door de BVD.’ Volgens Hoogerwerf trok de PSP zich niet veel aan van de BVD-activiteiten. ‘Al was het wat hinderlijk als er tijdens je vakantie in je huis rondgesnuffeld werd. De meest merkwaardige soorten inbraken werden gepleegd, waarbij de inbrekers uitsluitend belangstelling hadden voor je paperassen en er verder niets werd ontvreemd. Dat is mij persoonlijk één keer overkomen, in 1969 of ’70. De sloten van mijn huis waren geforceerd, het was zeer vakkundig gedaan’, aldus de Wormerveerder. Net als bij het laten bezorgen van beschadigde post bij de PSP gaat hier de vraag op of de PID sporen (in dit geval van braak) heeft achtergelaten. Het kan bedoeld zijn als een waarschuwing voor Hoogerwerf om zich met andere zaken te bemoeien.
Het inzetten van infiltranten door de BVD gebeurde volgens de oud-voorzitter regelmatig. ‘Er heeft zelfs iemand namens de PSP-Amsterdam kandidaat gestaan voor de gemeenteraad, zo’n 25 jaar geleden.’ ‘Triest’ noemt hij een ander voorval uit die tijd. ‘Er is een geval bekend van een Zaanse docent die bij sollicitaties telkens werd afgewezen, vanwege zijn PSP-bezigheden. De BVD bemoeide zich heel intensief met die man. Hij heeft uiteindelijk zelfmoord gepleegd.’

Autobiografie

In zijn autobiografie Zomaar een schapekop (1998) wijdde Paul Hoogerwerf enkele alinea’s aan het spitwerk van de BVD en PID. ‘Ook ik ontkwam niet aan belangstelling van die zijde. Een belangstelling die meer dan twintig jaar zou duren, die “gestapo-achtige” trekjes had, maar waarmee, door een soms lachwekkende amateuristische aanpak, elke verdere vergelijking volledig mank gaat. Zo heeft gedurende een drietal jaren, tussen 1961 en 1964, een medewerker van de PID, de politieke inlichtingendienst, een verlengstuk van de BVD, bijna dagelijks mijn gangen nagegaan. Als ik ’s morgens naar mijn werk ging, dan volgde hij mij naar het station. Ging ik ’s avonds de deur uit, dan zag ik hem weer. Hoed op, leren jas, kraag omhoog, verdekt opgesteld achter de struiken bij het “Eigen Gebouw”. Kwam ik thuis, dan stond hij er vaak weer of misschien nog! Overigens, hij had zich de moeite kunnen besparen. Mijn activiteiten, veelal met een openbaar karakter, stonden meestal aangekondigd in de krant! Het staat voor mij vast dat dit soort charlatans net als hun eerste baas, Mr. Einthoven, vooral bestond uit figuren die in de oorlog ook al niet zuiver op de graad [sic] waren geweest.’
Een tweede citaat, iets verderop in zijn boek: ‘Het was tijdens deze roerige jaren [rond 1966] dat mijn fractiegenoot Dirk Bakker en ik betrokken raakte bij een wel heel opmerkelijke zaak. In het Wormerveerse politiekorps was het personeel in opstand gekomen tegen het autoritaire gezag dat door de korpschef, Middelhoek, werd uitgeoefend. Enkele ontslaggevallen, waaronder die van de agenten Wanst en Vos, hadden de spanningen tot een kookpunt opgevoerd. Aan ons werd hulp en bijstand gevraagd. Zo kon het gebeuren dat op zekere dag ons huis vol zat met nog in functie zijnde, maar ook ontslagen politiefunctionarissen! Er was er zelfs één helemaal voor uit Limburg gekomen. Aardige bijzonderheid was, dat zich onder hen ook bevond de agent Sjoerd Bos, de man die een aantal jaren later, als agent van de “Politieke Inlichtingen Dienst”, vooral ook linkse mensen en dus Dirk en mij bespioneerde en die de “Binnenlandse Veiligheidsdienst” op die manier van informatie voorzag. Echter, die “Judasrol” konden wij op dat moment niet voorzien.’

Paul Hoogerwerf, eind 1974 (Wikipedia)

In 1972 komt een brief in de openbaarheid, geschreven door de districtscommandant van de Rijkspolitie en gericht aan leden van het korps van het district Amsterdam. Een deel van de tekst, daterend uit 1970: ‘Zoals u reeds werd bericht is de PSP geen extremistische partij. Dit neemt niet weg, dat er tot op zekere hoogte -voor intern gebruik- nog wel belangstelling voor aanhangers van die partij bestaat.’ Naar aanleiding van Kamervragen over de brief antwoordt minister Wiegel dat de circulaire eind 1979 is ingetrokken.
Sjoerd Bos in Nieuwe Revu: ‘Deze uitspraak van de minister is in tegenspraak met wat er in die jaren in de dagelijkse praktijk plaatsvond. De PID’s verzamelden gegevens over alle PSP’ers, ze legden dossiers aan van alle leden van deze partij.’ Bos meldt in het weekblad dat de PID-Zaanstad tot 1982 doorging met het registreren van PSP-leden, ‘waarna een interne discussie van de PID-collega’s, en niet een signaal vanuit Den Haag, een einde maakte aan die aktiviteiten.’

PSP

Desgevraagd verklaart Bos echter zich in het jaartal te hebben vergist. ‘We zijn al eerder gestopt met het verzamelen van informatie over alle PSP’ers. Binnen een jaar nadat ik chef werd, zijn de PSP’ers er uitgehaald. Ik wilde hun dossiers verbranden, maar dat was in strijd met de wet. Dus zijn alle dossiers een tijdje in de brandkast gelegd. Een paar jaar later heb ik ze alsnog naar de afvalverbrandingsinstallatie bij Westzaan gebracht. Maar dat is al voor 1982 gebeurd.’
In het voorjaar van 1982 zijn er gemeenteraadsverkiezingen in Nederland. Peter Tange staat hoog op de kandidatenlijst van de PSP-afdeling Zaanstad. Het raadslid-in-spe is nog onbekend bij de buitenwacht. De PID lijkt meer van hem te willen weten. In het najaar van 1981, als de verkiezingsvoorbereidingen in volle gang zijn, merkt Tange dat hij gevolgd wordt. Elke dag, weer of geen weer, staat er een man op de uitkijk bij zijn flat in Krommenie. Als Tange ’s morgens naar zijn werk gaat, wacht de man hem beneden al op en komt Tange ’s avonds weer thuis, dan is de onbekende ook present. De afstand tussen de twee blijft continu zo’n veertig meter. Omdat Tange het spelletje na een tijdje zat wordt, probeert hij de man te verrassen door plotseling naar hem toe te rennen. De uitkijkpost maakt zich echter snel uit de voeten. Tot een ontmoeting komt het niet. Na veertien dagen verdwijnt het raadselachtige figuur net zo onverwacht als hij eerder opdook. Tange ziet hem niet meer terug.

De Zaanse PID beschikt in de jaren zeventig en tachtig over handenvol informanten op strategische plaatsen. Op het Zaandamse PTT-hoofdpostkantoor zit een man die bereid is brieven te onderscheppen en af te geven. Bij het Noord-Hollands energiebedrijf PEN werkt een informant. In de Zaanse actiewereld geven enkele PID-hulpjes hun ogen en oren goed de kost. En in de gemeenteraad van Zaanstad liep in het verleden ook een informant rond, zo vermoeden enkele oud-raadsleden. Onafhankelijk van elkaar noemen ze de naam van een PvdA’er. In de Zaanse kraakbeweging circuleerde rond 1980 eveneens het bericht dat de betreffende persoon niet te vertrouwen was, zegt een van hen. ‘Zodra hij lucht kreeg van een kraakactie verscheen de politie.’
Bos bevestigt de vermoedens. Van 1977 tot 1981 was iemand bereid de PID bijstand te verlenen, zegt hij. Hoe de man heet en dat hij PvdA-raadslid was, wil Bos echter niet verklappen. Hij ontkent noch bevstigt de naam die de collega-raadsleden opgaven. De persoon in kwestie zegt desgevraagd nooit door de dienst te zijn benaderd.

Asiel

Het tot informant ‘benoemen’ van allochtonen doet de PID, sinds de komst van veel vluchtelingen naar Nederland, vaak op speciale, niet-legale wijze. ‘Een van de methodes om de asielzoeker te overreden is zeggen dat het met zijn asielaanvraag niet wil vlotten. Dat het de twee PID’erd die het benaderingsgesprek voeren, in het geheel niet zou verbazen als de asielzoeker het land wordt uitgezet. Is hij echter bereid mee te werken, dan wordt een verblijfsvergunning gegarandeerd. Die toezegging kan worden waargemaakt. Want de BVD beschikt over de juiste kanalen om dit snel te realiseren’, legt Bos in Nieuwe Revu uit.
Hij geeft ook een voorbeeld uit begin tachtiger jaren: ‘Hij [de uit Irak afkomstige vluchteling H.] maakte geen enkele kans op een verblijfsvergunning, zijn asielaanvraag -zo stond al vast- werd niet gehonoreerd. De PID deed de man een voorstel waarbij de verblijfsvergunning als pressiemiddel werd gehanteerd. Als hij bereid was verslag uit te brengen van de politieke aktiviteiten van zijn landgenoten, zou de PID zorgen dat hij in het land mocht blijven. De man stond met zijn rug tegen de muur en accepteerde het aanbod en heeft als informant geruime tijd informatie verstrekt.’
Het onderzoeksbureau Jansen&Janssen slaagde er in 1991 in om zeventig benaderingen van asielzoekers in kaart te brengen. Uit hun brochure De vluchteling achtervolgd: ‘De BVD probeert regelmatig, ten minste een paar maal per maand, op het ministerie van Justitie iets te “regelen” met betrekking tot verblijfmogelijkheden voor bepaalde vluchtelingen en asielzoekers. Verschillende bronnen, die om begrijpelijke redenen anoniem willen blijven, hebben dat bevestigd. (….) Een aantal advocaten bevestigde dat cliënten van hen uitsluitend ten gevolge van een aktie van de BVD aan een definitieve verblijfmogelijkheid zijn geholpen.’
In de periode dat Bos de scepter hanteert, probeert de PID meerdere keren allochtone informanten te werven. Vanaf 1980 benadert de dienst minimaal drie keer in Zaanstad verblijvende asielzoekers met de vraag of ze gegevens willen verzamelen over linkse buitenlandse groeperingen. Weigeren ze, zo wordt hen meegedeeld, dan verkleint dat de kans op een verblijfsvergunning aanzienlijk. Desondanks bedanken de vluchtelingen, twee Turken en een Palestijn, voor de eer. Niet lang daarna worden ze het land uitgezet.

RAF

De Koerdische onafhankelijkheidsvoorvechter Nihat Yilmaz [niet zijn echte naam] vlucht in 1985 uit Turkije en vraagt in Nederland asiel aan. Met zijn vrouw en kinderen komt hij in Zaandam wonen. Drie jaar later, in maart 1988, arresteert de West-Duitse politie in samenwerking met de Nederlandse politie enkele drugssmokkelaars. Een van hen, een Koerd, noemt tijdens de daarop volgende verhoren Yilmaz’ naam. Hoewel Yilmaz niets te maken heeft met het heroïnetransport en de andere smokkelaars dat ook tegen de politie zeggen, hebben die een aanleiding om hem op te pakken.
Zes man van de politie in Zaanstad en Landgraaf -het korps dat zich met de zaak bezighoudt- vallen om half acht ’s morgens Yilmaz’ huis binnen. De Koerd wordt naar Landgraaf gebracht en daar verhoord. Yilmaz: ‘Ze bleken mijn telefoon te hebben afgeluisterd, waardoor ze wisten met wie ik gesproken had. Dan werd er bijvoorbeeld gezegd: “Toen en toen heb je met die persoon gepraat.” En dat klopte dan. Ze lieten me ook de banden met gesprekken zien en er een stukje van horen. Die stapel banden was zo groot dat ik volgens mij wel twee jaar ben afgeluisterd.’
Dat Yilmaz niets met de heroïnesmokkel van doen heeft, is de politie van Landgraaf al lang duidelijk. Daar gaat het hen ook niet om. Ze willen dat hij als BVD-informant gaat functioneren. ‘Het was de bedoeling dat ik bij de criminele en politieke organisaties zou gaan spioneren. Eén van die agenten zei: “Je hebt twee kleine kinderen en een vrouw. Het is zielig voor je familie als jij geen verblijfsvergunning krijgt.” Ze vroegen me wat er met me zou gebeuren als ze me naar Turkije zouden sturen. Ik zei dat ik dan misschien de doodstraf zou krijgen, maar dat dat voor mij geen reden zou zijn met hem mee te werken.’ De politie blijft volhouden dat Yilmaz geen verblijfsvergunning krijgt als hij niet ingaat op hun ‘aanbod’, Yilmaz blijft weigeren.
Na drie dagen voorarrest wordt hij vrijgelaten. In de Turkse kranten zijn inmiddels berichten verschenen dat Yilmaz, die in dat land vrij veel bekendheid geniet, betrokken is bij heroïnehandel. Yilmaz heeft zijn buik zo vol van de hele affaire dat hij zijn Nederlandse asielaanvraag intrekt en naar Frankrijk verhuist. Daar krijgt hij prompt een verblijfsvergunning. Zijn vrouw en kinderen wonen nog steeds in Zaandam, en regelmatig komt hij naar hen toe. Zijn echtgenote ontdekt in 1988, als Yilmaz al in Frankrijk is, dat ze nog enige tijd gevolgd wordt door een man in een oranje auto. Van de PID verneemt het echtpaar sindsdien niets meer.
In de PID-jaarverslagen is niets terug te vinden over het inzetten van asielzoekers als informanten. Bos laat (in het verslag over 1978) niet meer los dan dat er ‘hoe langer hoe meer sprake is van protest en verzet onder hier gevestigde buitenlanders tegen de vaak straffe regimes in de landen waaruit ze afkomstig zijn. Het is daarom van het grootste belang op de hoogte te blijven van politieke en eventueel gewelddadige aktiviteiten onder deze groepen.’ Dezelfde boodschap, maar dan over Turken, wordt in de jaarverslagen van 1979 en 1980 herhaald. En in 1985 constateert de PID spijtig dat er over ‘links georiënteerde Turkse groeperingen, waaronder Koerden (…) mede door de geslotenheid van deze bevolkingsgroepen weinig in de openbaarheid komt.’

Alinea uit een jaarverslag van de PID over 1980

Sjoerd Bos is gebrand op het ontdekken van Nederlandse aanhangers van de Rote Armee Fraktion. In het voorjaar van 1979 organiseren leden en sypathisanten van het Rood Verzetsfront een blokkade van de rijksweg A-12, als protest tegen de wijze waarop RAF-leden in West-Duitsland gevangen worden gehouden. De massaal presente politie pakt elf actievoerders op, onder wie enkele personen uit Zaanstad. Nog diezelfde dag wordt bij de vriend van een van de gearresteerden huiszoeking gedaan. ‘Mijn vriendin zat op dat moment nog vast’, vertelt de betrokkene. ‘Ik was net thuis van m’n werk toen Bos voor de deur stond, samen met ene hoofdinspecteur Jansen. Ze kwamen het huis doorzoeken, op verzoek van de Rijkspolitie-Zevenaar. Vooral Jansen deed nogal zijn best. Bos zei dat ze opdracht hadden explosieven te zoeken. Ik had ze alleen een liter peut te bieden, maar dat wilden ze toch niet. Verder konden ze niets vinden.’

Aftasten

Na de uitgebreide huiszoeking bij de Zaandammer volgt nog een korte ondervraging. ‘Ze wilden weten waarmee ik me zoal bezighield en waar ik alles verstopt had.’ Resultaat levert het niet op. De vriendin om wie het allemaal draait, krijgt kort na haar Zevenaarse avontuur eveneens visite van een PID’er. Ze beschrijft hem als ‘een wat oudere, kalende man met een bril.’ Bos wellicht? De politiefunctionaris komt ‘een beetje aftasten’ hoe ver haar sympathie gaat voor de gevangen zittende RAF-leden. De man kan worden gerustgesteld. Ze heeft geen bommen in huis.
De interesse van de PID en BVD kent, letterlijk en figuurlijk, geen grenzen. Wordt het FNV-gebouw in Zaandam bezet uit protest tegen de verlaging van de jeugdlonen (24 juni 1981); de PID is er bij. Houdt de Zaanse antimilitarische actiegroep Alarm een ondersteuningsactie voor gevangen zittende totaalweigers (9 januari 1983); de inlichtingendienst staat klaar met een fototoestel. De BVD gaat zelfs zover een Zaanse man, getrouwd met een Oost-Duitse, te vragen gegevens te verzamelen over het geboorteland van zijn vrouw als hij daar weer eens heenreist. De man weigert. (Dezelfde vraag, maar dan met betrekking tot Nederland, heeft de Oost-Duitse inlichtingendienst trouwens ook gesteld, aan zijn echtgenote. Zij voelt eveneens niets voor spionage.)
Bos en zijn collega’s -onder wie waarschijnlijk Arie Castelein (later chef jeugd- en zedenzaken), Martin Hartog en Fred Slingerland- speuren stad en land af, meestal zonder dat het wat oplevert. Commissaris Frans Dirk de Vries, verantwoordelijk voor de PID-Zaanstad sinds 1981, erkent dat ook in een interview met dagblad De Typhoon: ‘Het is erg kleinschalig werk, met ongelooflijk weinig resultaat.’ Wat hem betreft kan de PID, die naar zijn zeggen in januari 1982 vier mensen telt, een stuk kleiner.
Hetzelfde jaar wordt er een begin mee gemaakt. Sjoerd Bos is de eerste die mag verdwijnen. De PID-chef rijdt op een avond terug van motel Alkmaar, waar hij een ontmoeting heeft gehad met mensen in wie de BVD geïnteresseerd is. Tijdens die bijeenkomst drinkt hij een aantal glazen alcohol. In Wormerveer houdt de Rijkspolitie hem aan, neemt een blaastest af en maakt vervolgens proces-verbaal op. Bos’ misstap resulteert in een overplaatsing naar de Vreemdelingendienst. Nog later wordt hij recherchecoördinator. In die hoedanigheid is hij, in 1984, twee dagen betrokken bij het onderzoek naar de zogenoemde Zaanse paskamermoord als hij opnieuw in de fout gaat. Hij heeft volgend De Vries de media te veel over de moord verteld, terwijl dat zijn taak niet is. Bos wordt op een zijspoor gerangeerd. Tegen de zin van zijn superieuren gaat hij in zijn eentje nog maanden door met het zoeken van de moordenaar. Twee jaar daarna moet hij definitief vertrekken bij het politiekorps, onder meer omdat hij overspannen is. Per 1 oktober krijgt Bos, dan 52 jaar oud, eervol ontslag.

 

(Deel 3 gaat over de Zaanse PID-informant Lex Hester)

Medelijden met Plasterk

14 feb

Beroepsmatig moet ik een enkele keer om tafel met een medewerker van een inlichtingendienst. Er zijn dagen dat ik me prettiger voel. Mijn medeleven gaat dan ook uit naar minister Plasterk, die zich afgelopen dinsdag diende te verantwoorden voor zaken waarop geen daglicht mag vallen. Het is nu eenmaal makkelijker een vis te leren fietsen dan een geheime dienst transparant te maken.

Jaren geleden interviewde ik de voormalige chef van de Zaanse Politieke Inlichtingendienst, het lokale kind van wat tegenwoordig AIVD heet. Deze Sjoerd Bos was het politiekorps uitgewerkt en mede daarom bereid een boekje open te doen over zijn oude werkgever. Het werd een verhaal over illegale afluisteroperaties, strafbare uitlokkingen en chantage van onschuldige Zaankanters. De PID hield zelfs de speeltuinclub van Wormerveer en de Zaandamse buurtvereniging Oit en Tois in de gaten. De reden: ze hadden communistische bestuursleden.

Inlichtingendiensten zijn soms lachwekkend en onbeholpen, maar veel vaker gevaarlijk. Het zijn ondemocratische organisaties die menig mensenleven verwoestten. En een adequate controle van hun werkzaamheden is nauwelijks mogelijk. Het wachten is op de volgende minister die zijn/haar tanden stukbijt op de Nederlandse beroepssnuffelaars. 

AIVD