Tag Archives: Koog aan de Zaan

Stel je voor…

8 feb

Een eeuw geleden begon de Eerste Wereldoorlog. Door een mengeling van geluk en opportunisme ontsnapte Nederland aan deelname. Wel staken honderdduizenden Belgische vluchtelingen de noordelijke grens over, onder wie nogal wat soldaten. Een aantal van hen was deserteur, anderen hoopten via Nederland en Engeland het Belgische IJzerfront te bereiken. De militairen werden echter ongeacht hun motieven ontwapend en opgesloten.

De Koogse machinefabriek Duyvis zag wel brood in die gevangenen. Directeur Meyling, die met een personeelstekort zat, wist een aantal geïnterneerde metaalwerkers uit een Belgenkamp te krijgen. Tot het eind van de oorlog traden ze bij hem in dienst. Ze kregen er nog goed voor betaald ook. Hij blij, zij blij, ook al eisten de autoriteiten dat ze na werktijd werden vastgezet op het fabrieksterrein. De desertie pakte in dit geval prettig uit voor beide partijen.

Ooit raakte ik met een beroepsmilitair in debat over de pro’s en contra’s van dienstweigeren. ‘Stel je voor dat iedereen dat zou doen’, riep hij verontwaardigd. Tja, stel je voor. Iedereen weigert dienst of, als het niet anders kan, deserteert. Naïef misschien, maar volgens mij zou de wereld dan veel veiliger zijn.

oorlog

Advertenties

De beul van Ommen kwam uit Koog aan de Zaan

20 aug

Ik had de foto’s van de naamloze man al een paar keer voorbij zien komen. Omringd door mensen van de Binnenlandse Strijdkrachten stond hij daar op wat een schoolplein leek. Waarschijnlijk betrof het school B in Koog aan de Zaan, daar waar nu de Lindeboomschool staat. En nog waarschijnlijker was dat de foto’s gemaakt waren in mei 1945, kort na de bevrijding van Nederland. De jonge man in zijn sjofele jasje en broek zonder riem werd duidelijk vernederd. Niet alleen omdat hij gedwongen werd te poseren voor de fotograaf, maar ook omdat hij opdrachten moest uitvoeren die weinig zinvol leken. Zoals het maken van een buiging.

Het Gemeentearchief Zaanstad heeft een hele serie foto’s waarop de gevangen man te zien is, steeds bewaakt door gewapende BS’ers in uniform. Een van die afbeeldingen is afgedrukt in een in 1946 verschenen fotoboek over de Zaanstreek in de Tweede Wereldoorlog. Nu pas viel me op dat daar weliswaar geen naam bij staat (die is ook in het Gemeentearchief niet te vinden), maar dat achter op een van de archieffoto’s wel een aanwijzing wordt vermeld. Volgens die krabbel zou het hier gaan om ‘de beul van Ommen’.

Speurend op internet trof ik vele vermeldingen aan over de Ommense beul. Het was de bijnaam van Herbertus Bikker (Alblasserwaard, 15-7-1915). Hij kreeg bekendheid door als SS’er gewelddadig te opereren in het Overijsselse kamp Erica, waar hij volgens een naoorlogs justitieverslag ‘talrijke en gruwelijke mishandelingen’ voor zijn rekening nam. En passant schoot hij verzetsstrijder Jan Houtman en onderduiker Herman Meijer dood. Op 10 mei 1945 arresteerden de Binnenlandse Strijdkrachten hem, maar hij wist te ontsnappen, werd een paar maanden later ontdekt, opnieuw opgepakt en veroordeeld tot de doodstraf. Die straf werd daarna omgezet in levenslang. In 1952 ontkwam hij opnieuw en dit keer vluchtte hij naar Duitsland. Daar stierf hij pas in 2008, ongestraft voor zijn wandaden. Tot het laatst toe is geprobeerd om Bikker achter de tralies te krijgen. Met name verslaggever Arnold Karskens stak daar veel energie in.

Zou de Koogse ‘beul van Ommen’ deze Herbertus Bikker zijn geweest? Doorzoekend, maar nu in digitale krantenarchieven, kwam ik de betiteling ‘beul van Ommen’ tientallen malen tegen. Soms gekoppeld aan Herbertus Bikker, maar ook aan Rien de Rijke, politieman Soetebier, J.H. Driehuis, W. Boxmeer en Arie Kiestra. Allemaal bleken ze tussen 1940 en 1945 als bewaker in het Ommense kamp Erica te hebben gewerkt en allemaal hadden ze zich daar vreselijk misdragen. De titel ‘beul van Ommen’ was een veelgebruikte.

Er was zelfs nog een beul van Ommen, zo bleek. En dat was degene die ik zocht. In april 1946 veroordeelde het Bijzonder Gerechtshof de toen 43-jarige M. Scheffer tot de doodstraf. Het was een opvallende straf, want de eis van de advocaat-fiscaal bedroeg ‘slechts’ vijftien jaar cel. Scheffer kwam uit Koog aan de Zaan, zo schreven meerdere kranten. Wat zijn rol in Ommen was vermeldden ze echter niet. Dat hij, in tegenstelling tot bijvoorbeeld zijn collega Johannes Driehuis, uiteindelijk toch de kogel ontliep staat vast, maar ook dat vond ik niet terug in de krantenarchieven.

Ik trof daar wel iets anders aan. Een ingezonden brief, in de Zaanse editie van het voormalige verzetsblad Trouw. Hij droeg als datum 30 mei 1945 en was ondertekend door een pastoor en vier dominees uit Koog aan de Zaan. Zij spraken hun afschuw uit over de behandeling die Scheffer de voorgaande week ten deel was gevallen ‘op het Kooger Schoolpein’. “Er werd een mensch te kijk gesteld; een verschrikkelijk, een misschien bezeten mensch weliswaar, maar – een mensch. En in plaats dat men het recht zijn loop liet hebben en den man eenvoudig wegvoerde naar waar hij zijn rechtmatig vonnis zou hebben aan te hooren en te ondergaan, paste men op hem dezelfde methodes toe waaronder duizenden van ons volk zoozeer hebben geleden en die wij uit den grond van ons hart als menschonteerend hebben leeren verafschuwen in dezen vijf jaar”, schreef het vijftal. “Het was de voortzetting van het nazi-regime met verwisselde rollen.” Ze repten van kinderen die het weinig verheffende tafereel konden aanschouwen en deden een beroep op de benodigde rechtvaardigheid.

Van M. Scheffer, die tot 1942 in de Koogse Boschjesstraat 10 woonde en toen met zijn echtgenote naar Amsterdam vertrok, weet ik verder weinig of niets (ik houd me aanbevolen voor meer informatie). Maar uit de fotoserie en de ingezonden brief van de vijf predikanten is wel op te maken dat het lijntje tussen ‘goed’ en ‘fout’ soms akelig dun was.

'Beul van Ommen' in gevangenschap (mei 1945)
‘Beul van Ommen’ M. Scheffer wordt publiekelijk vernederd
'Beul van Ommen' M. Scheffer in gevangenschap (mei 1945)


‘Beul van Ommen’ H. Bikker kort voor zijn dood in 2008

Rondweg is rotweg

18 jan

Op 16 juli 2006 schreef ik dit bericht in mijn toenmalige digitale dagboek (zie het laatste stukje tekst). Ik vond de nieuwe rondweg in de Koogse wijk Westerkoog gevaarlijk en vertelde dat ook aan de dienstdoende verkeerswethouder. Dat hielp niets, want tot op heden moeten fietsers en auto’s gezamenlijk over dat te smalle stuk weg in die slaapwijk. Waar ze eerst gescheiden en veilig reden (vooral de fietsers waren minder kwetsbaar), moeten ze sinds 6,5 jaar capriolen uithalen om elkaar niet te raken.

Gisteren las ik in Dagblad Zaanstreek dat ‘Veilig Verkeer Nederland wel 22 aanbevelingen voor grote en kleine verbeteringen’ aan die vermadelijde rondweg heeft. Het nieuws stond anderhalve maand geleden al hier, maar toch prettig dat het nog een keer wordt aangestipt. Ik citeer de krant verder. “Naar nu pas blijkt heeft Veilig Verkeer in november een verbeterplan naar Zaanstad gestuurd. Bovenaan de aanbevelingen staat de oversteekplaats bij het winkelcentrum, die volgens VVN onveilig is en met spoed verbeterd moet worden. (…) Voor fietsers moeten gescheiden paden komen.” (Hier het volledige VVN-rapport).

De experts hebben gesproken. Wanneer neemt de gemeente het woord?


Zelfs de politie rijdt hier fietsers aan.
   

Boek over Waakzaamheid

12 mrt

Er gaan nog twee seizoenen overheen, maar in het najaar van 2012 ligt er -ijs en weder dienende- een mooi boek over vier eeuwen Waakzaamheid in de winkel. Het werd tijd. De oudste herberg van de Zaanstreek verdient het om in al zijn pracht te worden vereeuwigd. Er is daar te veel gebeurd dat het waard was om vast te leggen. En er zijn nog tal van illustraties, vooral foto’s, die De Waakzaamheid in volle glorie laten zien, maar waar de buitenwereld tot nu toe weinig of geen zicht op heeft.

Zelf mocht ik het hoofdstuk over ‘De Waak’ en de Tweede Wereldoorlog schrijven. Het is een vrij dramatisch verhaal geworden, met veel daders en slachtoffers. In enkele archieven vond ik onthullend materiaal. Over spionage, verraad, vergissingen en massale arrestaties. Onder meer. Ik trof zelfs zoveel materiaal aan dat ik moeite had om me te beperken tot de tien pagina’s die me gegund waren. Eerlijk gezegd vind ik dat de illegale Stijkelgroep, waartoe diverse medewerkers van de Koogse herberg werden gerekend, wel een heel boek waard is. Enfin, da’s een mooie klus voor iemand anders. En bovendien, in het boek over De Waakzaamheid moet uiteraard ook veel informatie komen over de clubs, bandjes, medewerkers en evenementen die daar gedurende langere of kortere tijd een plek hadden.

Voor €15,- komt u het allemaal te weten. Komend najaar. Als in ieder geval het voorste deel van De Waakzaamheid volledig gerestaureerd is. Nog even geduld dus.

Twee Zaanse verzetsmensen in een Scheveningse cel (1)

29 dec

In het voorjaar van 1941 arresteerden de nationaal-socialisten Jan Kalff (1901-1974), de burgemeester van Krommenie. Hij werd Duitsvijandig bevonden en belandde daarom in de gevangenis te Scheveningen, ook wel bekend als het Oranjehotel. Na enige tijd kreeg hij bij toeval gezelschap van een streekgenoot, de Koger Dick de Vries. Die werd onder meer verdacht van spionage. De burgemeester en de technisch employé van Fokker zouden vier maanden op elkaars lip zitten. Kalff kwam weer vrij, hervatte zijn illegale activiteiten en haalde heelhuids de bevrijding. De Vries werd in juni 1943 na een showproces in Berlijn geëxecuteerd. In een lange en onthullende brief, die ik onlangs bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie vond, vertelde de op zijn post teruggekeerde Kalff vlak na de bevrijding van Nederland aan de ouders van Dick de Vries hoe hun ‘samenzijn’ in de cel er uitzag. Vandaag deel 1 in een serie van vier. 

Polizeigefängnis Scheveningen [Oranje-hotel]

Cel 698, gang F 21 Juli-21 November 1941

Vier maanden tezamen in een cel, vier maanden dezelfde wisseling van stemmingen, van hoop en wanhoop, vier maanden bijeen zonder één seconde onderbreking, zou men dan, zo men al wilde, aan het ontstaan van een intieme verhouding kùnnen ontkomen? Neen immers!

Nu Dick de Vries in de bloei zijner jaren in vijands land voor het executiepeloton is gesneuveld in dienst van zijn vaderland, wil ik, die hem goed heb leren kennen, voor zijn ouders en broer dit relaas geven van onze gezamenlijke vier maanden gevangenisleven, ook en vooral omdat zij daaruit zullen zien zijn flinke houding, zijn opgewektheid en het feit dat hij gedurende die tijd geestelijk noch lichamelijk heeft geleden.

In de morgen van 21 juli 1942 werd uit mijn cel, no. 698 van gang F, de brigadier der Rotterdamse Rivierpolitie, die slechts één dag mijn celgenoot was geweest, weggehaald, daar hij alleen moest zitten en kwam reeds tien minuten later zijn plaatsvervanger, Dick de Vries.

De zeer kalme figuur die daar de cel binnentrad, was gekleed in een ruige blauwe zeilbroek, gestoken in hoge laarzen alsmede een prachtig gebreide witte jas, versierd met donkerbruine rendierfiguren, welke jas of jumper over het blote bovenlichaam gedragen werd. In de handen droeg hij een keurig stapeltje boeken en ondergoed en een aktetas met toiletartikelen.

Nu zijn in deze tijd rijlaarzen uitermate verdacht, zij rieken naar de NSB en licht hadden zij een misverstand kunnen doen ontstaan. Het korte inleidende gesprek dat wij voerden was echter voldoende om vast te stellen dat De Vries niet anders dan haar en hare leden bestrijdende ooit met de NSB in aanraking was gekomen.

Eenmaal vluchtig kennisgemaakt hebbende en na elkaar te hebben verteld hoelang wij reeds in het O.H. [Oranjehotel] logeerden, kwam door de schaftklep ons middagmaal de conversatie onderbreken. In de middag hebben wij de kennismaking voortgezet en in de volgende dagen, weken, maanden hebben wij elkaar onze levensgeschiedenis verteld, hebben wij onze politieke denkbeelden, onze godsdienstige opvattingen uitgewisseld, spraken wij over de verdediging van Nederland en over militaire toestanden, bespraken wij de toekomstige staatsvorm en sociale politiek, bespraken wij vooral de oorlogskansen.

Dit alles geschiedde zonder terughouding; in de gevangenis heeft het geen zin zich anders = mooier voor te doen dan men werkelijk is en zo gunden wij vaak elkaar een blik in de ziel.

Toen wij elkaar wat kenden en vooral elkander vertrouwden, vertelden wij de aanleiding onzer gevangenneming en de wijze waarop deze laatste in haar werk ging.

Dick werd, naar ik meen op 26 april 1941 [was in werkelijkheid 28 april], ten huize van Van Hinte, door ons steeds genoemd: de man zonder armen, te Wormer gearresteerd. Hieraan was voorafgegaan een mislukte poging tot arrestatie; die eerste keer was Dick thuis, d.w.z. in het huis van Van Hinte, alwaar hij reeds geruime tijd woonde. Hij zag de Duitsers aankomen en rende, gekleed in zijn zeilbroek en een blauw, boezeroenachtig hemd, de tuin in, sprong in een roeibootje en roeide kalm door de achtersloot toen de Duitsers in de tuin verschenen. ‘Goeieavond’, zei Dick, de Duitsers gaven geen antwoord en vertrokken weer.

De tweede keer was hij ook thuis, zag wéér de verdachte Duitsers aankomen – ditmaal twee mannen in burger met een juffrouw, die later de zeer kwalijke dochter van de zeer kwalijke luitenant-generaal der Koninklijke Nederlandse Landmacht Seyffardt bleek te zijn –, maar… zag in de tuin en om het huis niet minder dan twaalf groene politiemannen. Hij kon niet anders meer doen dan in de huiskamer onder een bank kruipen en zich daar, plat op zijn rug, uitstrekken.

Na het huis doorzocht te hebben zonder Dick te vinden!!, zetten vijf Duitsers plus juffrouw Seyffardt zich om de tafel in de kamer waar Dick lag en zeiden te zullen wachten tot hij thuis kwam. De vrouw van Van Hinte, wijkverpleegster van beroep, mocht niet van haar stoel opstaan, kon dus haar werk niet doen, evenmin als Van Hinte zelf, die later thuiskomende ook de kamer niet mocht verlaten. Zo zat, respectievelijk lag, het gezelschap van 1 tot 5 uur, Dick steeds stijver wordend onder de canapé, met intense belangstelling luisterende naar de Gestapo-gesprekken, die geheel over zijn zaak liepen.

Omstreeks 5 uur kon hij zijn krampachtige houding niet langer volhouden en bij het gaan verliggen, kwam één zijner armen onder de canapé uit en werd door een Duitser gezien. Hij brulde iets, allen vlogen tegelijk van hun stoelen op, tilden de divan omhoog en, bedreigd door vijf revolvers, moest Dick gehoor geven aan de vriendelijke uitnodiging: ‘Stehen Sie auf, Schwein!!’ Overeind gekrabbeld zijnde, werd hij met de handen omhoog tegen de muur geplaatst en gefouilleerd – zijn pistool was reeds op zijn slaapkamer gevonden –, daarna ging het gezelschap, Van Hintes inbegrepen, per auto naar Scheveningen.

Dick vertelde mij in het Oranjehotel in een cel geplaatst te zijn waar tot voor enige dagen een ter dood veroordeelde in gezeten had en dat ook zijn buren tot de doodstraf veroordeeld waren. Hijzelf werd evenals deze lieden behandeld: de schaftklep steeds open, wat gezellig was daar hij kon zien wat op de gangen gebeurde; ’s avonds alle ijzerwerk uit de cel; dag en nacht het elektrische licht brandende. Natuurlijk diende dit alles slechts om hen angst aan te jagen en murw te maken voor de komende verhoren.

Toen Dick in cel 698 kwam, waren deze verhoren al achter de rug en tot november is hij niet meer daarmede lastig gevallen. Zij waren zwaar geweest, vele uren achtereen, in het licht en dikke sigarenrook, de verhoorders elkaar steeds afwisselend, maar zonder veel ransel.

Het plan was geweest en het is tot zeer na aan de uitvoering gekomen, dat Dick naar Engeland zou vertrekken, ja, niets meer van hem horende dachten de in zijn nabijheid werkende leden der organisatie dat hij reeds ontsnapt was. Dit had ten gevolge dat ieder van alles wat niet te ontkennen viel de schuld gaf aan de zich toch reeds in veiligheid bevindende De Vries. Bij de verhoren liet hij zich dat alles maar edelmoedig aanleunen – hij kón ook niet ontkennen zonder één of meer der reeds in handen der Duitsers zijnde kameraden te beschuldigen.

Zonder twijfel zullen al deze dingen echter ter rechtszitting aan het licht gekomen en rechtgezet zijn. Na de verhoren is Dick verplaatst, nog eens verplaatst – nu naar 721 van gang F en tenslotte naar 698. Door al deze verplaatsingen en de wisseling van bewakers wist men op het laatst niet meer waarom hij gevangen zat – al had men het nog wel kunnen nazien – en dientengevolge werd hij ‘netjes’ en zonder bangmakerij behandeld.

In het algemeen werden wij in cel 698 dragelijk behandeld, weliswaar toegeschreeuwd enz. maar nimmer heeft men ons aangeraakt, laat staan geslagen. Hij zag er op 21 juli 1942 goed – wel wat mager – uit, maakte een rustige en evenwichtige indruk en vertelde zonder ophef of opwinding van zijn avonturen en gevangeniservaring.

Bij één verhaal slechts kon hij zich opwinden en zich, figuurlijk, de haren uit het hoofd trekken; dat was als hij vertelde dat alles gereed was, olie en benzine geladen en wat meer nodig is, om in twee vliegtuigen naar Engeland te vertrekken, vliegtuigen die bij Fokker gerepareerd waren en vóór aflevering nog slechts proefvluchten moesten maken. Gehoorzamende aan het bevel niet te vertrekken is zijn ontsnappingskans voorbij gegaan. ‘Had ik het toch maar gedaan’, zei hij dan, om even later te erkennen dat in een organisatie als de zijne strikte gehoorzaamheid één der belangrijkste dingen is en daarmede in te zien dat hij niet anders had kunnen doen.”

(wordt vervolgd)

 Dick de Vries