Tag Archives: Jan Kalff

Twee Zaanse verzetsmensen in een Scheveningse cel (4)

1 Jan

In het voorjaar van 1941 arresteerden de nationaal-socialisten Jan Kalff (1901-1974), de burgemeester van Krommenie. Hij werd Duitsvijandig bevonden en belandde daarom in de gevangenis te Scheveningen, ook wel bekend als het Oranjehotel. Na enige tijd kreeg hij bij toeval gezelschap van een streekgenoot, de Koger Dick de Vries. Die werd onder meer verdacht van spionage. De burgemeester en de technisch employé van Fokker zouden vier maanden op elkaars lip zitten. Kalff kwam weer vrij, hervatte zijn illegale activiteiten en haalde heelhuids de bevrijding. De Vries werd in juni 1943 na een showproces in Berlijn geëxecuteerd. In een lange en onthullende brief, die ik onlangs bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie vond, vertelde de op zijn post teruggekeerde Kalff vlak na de bevrijding van Nederland aan de ouders van Dick de Vries hoe hun ‘samenzijn’ in de cel er uitzag. Vandaag het laatste deel in een serie van vier. 

 “Al hadden wij ons in onze omstandigheden geschikt, dat wil nog lang niet zeggen dat wij getemd of terneergedrukt waren. Ik geloof dat maar zeer weinigen ‘er onder’ te krijgen waren, niettegenstaande ‘kurze Vernehmungen[1] en dergelijke. De taal die wij na de vele grote en kleine plagerijen uitsloegen was dan ook kernachtig en gaf een duidelijk beeld van wat ‘later’ onze plannen met de Duitsers zouden zijn.

Waaruit dat plagen dan wel bestond? Soms in individuele behandeling, als in de cel een emmer water leeggooien met bevel die in 15 minuten op te dweilen met een lapje ter grootte van een vierkante doek. Maar meestal in collectieve behandeling: zonder waarschuwing plotseling het licht uitdraaien, zodat wij ons in donker moesten uitkleden; plotseling luchten, als wij juist aan het eten begonnen waren; een week lang geen couranten geven; zeer kort luchten, etc. Wij maakten ons dan wel eens boos, maar hervonden spoedig ons humeur en lachten maar over de zielige pogingen ons klein te krijgen, dat zou toch nooit lukken. En dat lukte ook nooit; ten eerste omdat wij ons, met ongeveer 1000 man, door elkander gedragen gevoelden, wetende dat wij allen bezield waren door dezelfde idealen en dezelfde vaderlandsliefde. Ten tweede door ons onverwoestbaar optimisme, niet alleen ten aanzien van de afloop van de oorlog, doch ook ten aanzien van de tijd waarop dat zou geschieden. Elk gunstig bericht nam in onze gedachten en gesprekken enorme proporties aan, de ongunstige negeerden wij en van het hoera-geschrijf in onze Duitse couranten geloofden wij niets.

Wat hebben wij vaak over de mogelijkheid van een plotselinge bevrijding gesproken. Uit de gevangenis gehaald te worden door een juichende menigte plus pierement leek ons het prachtigste van alles, en vaak spraken wij er over of wij liever nu direct naar huis wilden of nog een poos op zó’n bevrijding wachten. Meestal varieerde de tijd extra zitten die wij daarvoor overhadden zo tussen 14 dagen en een maand.

Het optimisme was in augustus 1941 zo gestegen dat wij onze ons afgenomen bezittingen, die in de zogenaamde Effectenkamer waren opgeborgen, door onze familieleden lieten afhalen, zodat wij – sloeg het bevrijdingsuur – zo weg konden hollen. Ook hadden wij onze koffers, die wij in de cel hadden, gepakt klaar staan! Later werden wij weer wat kalmer, maar dergelijke tegenvallers doodden ons optimisme niet; de stemming was goed en bleef goed!

Ruzie hadden wij ook, de eerlijkheid gebiedt het te zeggen. Maar zelden en kort en maar over één onderwerp. Ik ben netjes. Dick is netjes, maar Dick was in de cel ‘afgrijselijk’ netjes en hij vond mij maar een slordig mannetje. Dick stapelde zijn bezittingen steeds keurig haaks op, vouwde zijn kleren vóór het naar bed gaan zó op, alsof zij net uit de linnenkast kwamen, Dick dweilde en veegde de vloer tot die steriel was en morste ik daarop bij het handenwassen een paar druppels schoon water, dan huppelde hij met een dweil achter mij aan om die op te vegen. Dat leverde nu en dan wrijving op, maar zoals gezegd: niet ernstig.

Deze voorvalletjes en bezigheden lijken bij elkaar nogal heel wat, maar verdeelt men ze over vier maanden dan is het duidelijk dat menige dag in verveling doorgeworsteld werd en het was daarom een zegen dat wij beiden zo goed sliepen. Wij sliepen om 9 à 10 uur in, soms zelfs vroeger, en waren niet vóór zeven uur wakker, dit nog aangevuld met een middagslaapje van 1,5 à 2 uur bracht de 24 uren van de dag welhaast tot de helft terug.

Eens hebben wij, na enkele vergeefse sollicitaties naar een ‘baantje’ op de gang, de cel van de wachtmeester mogen schrobben en een deel van de gang . Het kon in een half uurtje gebeurd zijn, wij deden er 3 uur over en kregen tot beloning een sigaret, waar Dick, hoewel het roken ook ontwend, vrij goed tegen kon; ik werd er lijkbleek van en voelde mij een uur lang allerbelabberst.

Eenmaal zijn wij beiden – niet tegelijk – uit de gevangenis geweest, om in het hoofdkwartier der SS op het Bezuidenhout gefotografeerd te worden, voor wat wij noemden het ‘boevenboek’. Foto en face, foto en profil, met en zonder hoed! De rit per auto was heerlijk, wij zagen mensen en bomen, zon en licht.

Tegen het einde van oktober kregen wij celgenoot nummer drie, een landarbeider uit ’s-Gravendeel. De man was niet ongeschikt, maar hij verstoorde wat de intimiteit en wij waren blij toen hij na drie weken vertrok. Maar drie man in de cel was rijkelijk veel en wij rekenden uit dat de 800 cellen met per cel 2,5 man 1000 gevangenen opkonden!!

Erg blij met het vertrek van nummer drie waren wij niet meer toen hij nog diezelfde dag vervangen werd door… een Duitser! Hij bleek een anti-Hitlerman te zijn, die, toen ik op de vraag van mijn buren wie er bij ons bijgekomen was antwoordde: ‘Een Duitser’, zelf riep: ‘Sagen Sie ruhig ein Rotmof.’ Niettegenstaande de verhalen die hij over Duitsland deed en de manier waarop hij op de nationaal-socialisten schold, waren wij toch zeer voorzichtig met hem. Ook overigens vonden wij hem maar een indringer en verlangden wij terug naar de dagen van ons rustig samenzijn.

Op 2 november stapte een soort halvegare onze cel binnen, een bijbelvorser of Jehova’s getuige. Met vier man in een ruimte van 3×1.80, dat ging toch niet, maar er werd bij gezegd: ‘Kalff geht hinaus.’ Dat zou dus het einde van ons samenwonen worden; ik verdeelde alles wat ik bezat en dat was veel, daar ik de dag tevoren bezoek gehad had: boter, chocolade, pantoffels, vitaminen, boeken, potloodjes, schrijfpapier, etc. Dick schreef gezwind enige briefjes die ik uit de gevangenis zou smokkelen en gaf mij vuil goed mede, o.a. de rendiertrui. Weinig dachten wij dat ik naar de strafgevangenis ging en de briefjes en kleren daar nog 2 maanden op de zolder zouden blijven.

Na een hartelijk afscheid van Dick werd ik gehaald en verdween ik uit cel 698. Gaarne hadden wij nog even wat intiemer gepraat dan mogelijk met twee vreemden daar bij die elk woord verstaan. Ik kon dus niet meer doen dan wat Dick deed: sterkte toe te wensen, chin up!! Ik verzekerde hem natuurlijk te zullen doen wat ik in zijn belang maar kòn doen en  alle boodschappen aan zijn moeder over te brengen. Een stevige handdruk en… aan ons samenleven van vier maanden was een einde gekomen. Gelukkig was ik de gevangenis te verlaten, ellendig vond ik het Dick te zien blijven en bovendien in zulk naar gezelschap.

En thans weet ik dat deze trouwe kameraad van precies eenderde deel eens jaars voorgoed de ogen heeft gesloten, dat ik, en wat zoveel schrijnender nog is, dat zijn ouders hem niet meer zullen zien. Mogen zij uit de beschrijving van ons leven in Scheveningen de wetenschap krijgen dat hun zoon zich al die tijd flink en als een man gedragen heeft, dat hij naast korte sombere buien opgewekt en vol goede moed gedurende het overgrote deel van de tijd was, dat hij verlangde naar de vrijheid zoals wij allen deden, zei het toch héél goed te kunnen uithouden in de gevangenis en dat ik wéét dat dat de waarheid is.

Mogen zij – met niet minder vertrouwen in hun eigen jongen dan ik in mijn kameraad – wéten dat hij met behoud van zijn geestkracht, en wellicht ook zijn geloof, ook de maanden na november 1941 heeft doorgeworsteld en bovenal wéten dat hij zonder de minste twijfel als een man zal zijn gestorven, met zijn gedachten bij zijn ouders en wel bovenal bij zijn moeder, die hij zozeer liefhad.”


[1] Kurze Vernehmung = kort verhoor, daar daarbij nogal eens geslagen werd, kreeg de uitdrukking de betekenis van een pak rammel.

Dick de Vries ligt op begraafplaats Westduin in Den Haag, waar een monument staat voor de Stijkelgroep. De Vries werd door de nazi’s beschouwd als lid van deze groep, een van de eerste verzetsorganisaties in Nederland. 47 Leden werden in het voorjaar van 1941 opgepakt, een kwart van hen was Zaans. Slechts drie vrouwen en één man zouden de bevrijding meemaken.  

Advertenties

Twee Zaanse verzetsmensen in een Scheveningse cel (3)

31 Dec

In het voorjaar van 1941 arresteerden de nationaal-socialisten Jan Kalff (1901-1974), de burgemeester van Krommenie. Hij werd Duitsvijandig bevonden en belandde daarom in de gevangenis te Scheveningen, ook wel bekend als het Oranjehotel. Na enige tijd kreeg hij bij toeval gezelschap van een streekgenoot, de Koger Dick de Vries. Die werd onder meer verdacht van spionage. De burgemeester en de technisch employé van Fokker zouden vier maanden op elkaars lip zitten. Kalff kwam weer vrij, hervatte zijn illegale activiteiten en haalde heelhuids de bevrijding. De Vries werd in juni 1943 na een showproces in Berlijn geëxecuteerd. In een lange en onthullende brief, die ik onlangs bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie vond, vertelde de op zijn post teruggekeerde Kalff vlak na de bevrijding van Nederland aan de ouders van Dick de Vries hoe hun ‘samenzijn’ in de cel er uitzag. Vandaag deel 3 in een serie van vier. 

“En waarmede vulden wij de tijd, behalve met gesprekken van deze en andere aard? Hier moge een dagindeling volgen, die enig begrip kan geven van het leven dat wij leidden:

’s Morgens 7 uur opstaan, wassen, aankleden, bedden opmaken, waterkruiken buiten de deur zetten om gevuld te worden.

8 uur: ontbijt, bestaande uit brood en een kroes taptemelk.

Van 8 tot 12: niets, behoudens soms een kwartier of tien minuten ‘luchten’.

12 uur: warm eten.

Van 12-5: niets, soms luchten, wanneer dat ’s morgens niet was gebeurd.

5 uur: uitreiking van brood en koffie.

Van 5-8: niets.

8 uur: slapen.

Het ‘niets’ trachten wij zo goed mogelijk te vullen, en wel met lezen van couranten, d.w.z. het spellen van de eerste tot de laatste letter, waarbij het weermachtsbericht en de advertenties de meeste stof tot vrolijkheid gaven. Verder het om de beurt oplossen der kruiswoordraadsels uit die couranten, waarbij Dick steeds voor de oplossing der aardrijkskundige moeilijkheden zorgde. Zijn kennis op dat gebied was enorm; zo noemde hij mij eens alle Zuid-Amerikaanse republieken met de hoofdsteden en belangrijkste rivieren uit het hoofd op! Dan lazen wij onze boeken uit de gevangenisbibliotheek, meest reisbeschrijvingen, doch ook andere, als ‘Sil de Strandjutter’ en een handboek over het zeilen, dat mij voor die sport zeer enthousiast maakte, zodat wij afspraken samen te gaan zeilen.

Soms was Dick bij het lezen zeer afwezig, deed hij een half uur over één bladzijde, wat mij – als ik op het boek wachtte – wel eens hinderde. Maar al spoedig begreep ik dat hij dan niet las, maar piekerde over verloren kanen en toekomst.

Deze niet sombere, maar stille en min of meer verbeten buien, waarin hij nors en kortaf was, duurden soms wel een dag of drie en verdwenen dan weder vanzelf. Hoezeer ik probeerde, het was mij niet mogelijk hem daar uit te halen; slechts een toevallige belangrijke gebeurtenis, een gevangenissensatie of vooral bezoek, konden hem een plotseling einde aan zo’n bui maken, anders moest het uitzieken. Het is ook niet te verwonderen dat, met hoeveel flinkheid Dick ook zijn lot droeg en zei zich met de dood vertrouwd te hebben gemaakt, hij met die dood nog maar niet direct ook vrede kon hebben en dat uren van strijd daarom voorkwamen en hun nut hadden.

Over het leven hiernamaals, God en godsdienst spraken wij ook, maar dit was eigenlijk het enige waarover Dick gesloten was. Hij sprak over moeilijkheden met zijn predikant over de weerloosheid, waarvan hij natuurlijk niets moest hebben, doch een duidelijk begrip van zijn geloof kreeg ik nimmer. Vast staat dat hij zijn avondgebed geen enkele keer oversloeg, noch zijn bijbellezing, dat hij graag naar de kerk ging en aan de werkelijk goede preken van Ds. Bos veel steun had.

Helaas kwam kerkgang zelden voor (2 of 3 keer) en waren de bezoeken aan Ds. Bos, die naast zijn gewone bezigheden een duizend gevangenen te verzorgen had, kort en haastig.

Terugkerende naar onze bezigheden, mag ik vermelden dat ik een poging deed Dick Engels te leren. Deze is niet geslaagd; evenals bijna ieder in het O.H. kon hij zich slecht concentreren, zodat het geleerde spoedig vervloog. De hersenen waren er niet bij; al lerende luisterden wij naar voetstappen op de gang: zou er post voor ons zijn of bezoek? Waarom wordt die buurman alwéér niet uit de cel gehaald? Enzovoort! Tenslotte waren wij tevreden als enkele zinnen, liefst nog in Amerikaans slang, hem in het hoofd bleven en met de herhaling daarvan op geschikte en ongeschikte ogenblikken vermaakten wij ons dan ook wel weer.

Op een dag, toen wij nog pas kort tezamen woonden, ontving ik bij mijn schone was, overigens streng verboden, speelkaarten. Van toen af aan hebben wij een ontelbaar aantal patiences gelegd; wij kenden er drie en speelden die ieder apart of tezamen, soms wel een keer of tien per dag. Nu en dan begon Dick, die er bijzonder fel op was, reeds tussen aankleden en ontbijt in. Volkomen eerlijk ging het niet steeds toe; als zo’n ding niet wilde uitkomen bedrogen wij onszelf en elkaar zonder blikken of blozen.

Behalve de gesprekken over de reeds genoemde onderwerpen behandelden wij in onze vrije tijd veel economisch-sociale onderwerpen, als arbeidstoestanden en -voorwaarden, onderwijs, kiesrecht en vooral de toestand van ons land na de oorlog, de herbouw van Nederland en de manier waarop wij geregeerd behoorden te worden. Een vooruitstrevend democraat toonde Dick zich in deze gesprekken, maar een die gevoelde voor een krachtig regeringsgezag. Behoudens dat hij wat vooruitstrevender was dan ik, waren wij het meestal erg eens, wat de gesprekken aangenaam maakte. Voor al te veel steun van overheid voelde hij niet; hij wilde wel zéér graag vooruit in de wereld, maar door eigen kracht en inspanning, door het verzamelen van meer ontwikkeling en kennis.

Ons interessantste gesprek ging over de liefde; hij had mij namelijk uitvoerig van zijn engagement verteld en daarbij gezegd dat wanneer hij ooit trouwde hij ‘daarvan toch beter moest worden’. Deze wel zeer eigenaardige opvatting, waarvan ik hem graag af wilde brengen, deed ons gesprek ontstaan dat hier moeilijk weer te geven is. Ik heb hem daarin gezegd dat hij wèrkelijk liefde in het leven lerende kennen, deze idee onmiddellijk overboord zou gooien, daar hij liefhebbende de behoefte zou krijgen het voorwerp van zijn liefde te geven: geven in materiële zin, maar meer nog aan zorg, hartelijkheid en toewijding. Hij begreep dit ook wel en wilde het zeker inzien; het was zeker het beste gesprek wat wij hadden, en hij zei: ‘Met mijn moeder zelfs heb ik nauwelijks ooit zo’n intiem gesprek gehad.’

Toen Dick bij mij in de cel kwam, had hij nog nooit bezoek gehad en ik slechts een enkele keer. Spoedig werd dit beter en kregen wij regelmatig onze familieleden te zien. Evenals ieder ander was Dick daar uitermate gelukkig mee; wij vertelden elkaar de gevoerde gesprekken na en waren er enige uren opgewonden over, ook door het steeds zeer goede nieuws dat wij dan van het oorlogsterrein kregen. De medegebrachte versnaperingen waardeerde hij niet minder dan de ontmoeting en broederlijk werd alles gedeeld: gerookte paling, kaas, boter, pindakaas, chocolade, koek, enz. Het contact tussen zijn en mijn familie kwam al spoedig tot stand, waardoor de bezoeken en de zendingen levensmiddelen zó geregeld werden dat wij niet de ene week overvloed, de andere week niets hadden.

Zonder deze zendingen waren wij er slecht aan toe geweest, want het eten was ten enenmale onvoldoende. Namelijk: 42 sneden brood + 50 gram boter in de week, 1 ons suiker de week, 7 koppen melk, 7 koppen koffie (?) en 7 pannen aardappelen met groente. Eenmaal per week kregen wij soep in plaats van stamppot; die was in het begin erg goed, later veel minder. Het ergste was de wortels, aardappels en vis, die wij in de laatste tijd vrijdags kregen. De eerste keer aten wij er niets van, later een beetje – het stonk en wij noemden het ‘viskots’. Dagelijks aten wij onze 6 vitaminepillen en toen ik cel 698 verliet kon ik er Dick nog 200 achterlaten.

Behalve naar bezoek verlangden wij zeer naar brieven; helaas kreeg Dick die nooit en hij was zo overtuigd dat de door hem geschrevene niet verzonden werden, dat hij op het laatst zelfs niet meer schrijven wilde.

Behoudens de hier beschreven bezigheden en verzetjes bracht de gevangenisroutine ook nog wel wat afleiding: wij gingen baden (1x per 14 dagen), luchten, spraken dan andere mensen, lieten ons op de gang knippen en scheren, onder veel (verboden) conversatie, vroegen en kregen bezoek van de dokter of verpleger voor min of meer denkbeeldige kwalen. Enige malen ging Dick naar de tandarts, een prettige gang wegens het daar spreken van lotgenoten, een zware gang wegens de pijnen. Wat heb ik Dick uitgelachen toen hij de eerste maal terugkwam; de tandarts had geloof ik alleen maar aan de kies gevoeld, maar een pijn!! Hij – Dick – zag zo wit als een laken en vond de ervaring nog erger dan gevangen genomen worden.

Bijna evenzeer als de pijn drukten hem de gedachten aan de kosten der behandeling, want Dick was zuinig, zeer zuinig; hij was, zoals hij het zelf meer oprecht dan elegant uitdrukte, ‘zo gierig als de pest’. Dit kwam ook naar voren bij de kopzorgen die hij zich maakte over de kosten van advocaat, reizen, pakjes enzovoort die zijn ouders te zijnen behoefte maakten en toen de rekening van de tandarts kwam, bezorgde die hem bijkans een flauwte. Maar… tezijnertijd zouden de Moffen alles terugbetalen, reken maar.

Het enige waarop Dick niet zuinig was, was zijn schoeisel; lopende in de cel draaide hij bij elke rechtsomkeert zijn voet zo krachtig over de vloer dat al spoedig elk spoor van schoenzool verdwenen was. De instructie tot het draaien zonder zoolslijtage, welke ik hem trachtte te geven en die ik met goed succes toepaste, bleef zonder resultaat.”

(wordt vervolgd)

De gevangenis in Scheveningen, tijdens de Tweede Wereldoorlog ook wel Oranjehotel genoemd vanwege de duizenden verzetsstrijders die er langere of kortere tijd vastzaten.

Twee Zaanse verzetsmensen in een Scheveningse cel (2)

30 Dec

In het voorjaar van 1941 arresteerden de nationaal-socialisten Jan Kalff (1901-1974), de burgemeester van Krommenie. Hij werd Duitsvijandig bevonden en belandde daarom in de gevangenis te Scheveningen, ook wel bekend als het Oranjehotel. Na enige tijd kreeg hij bij toeval gezelschap van een streekgenoot, de Koger Dick de Vries. Die werd onder meer verdacht van spionage. De burgemeester en de technisch employé van Fokker zouden vier maanden op elkaars lip zitten. Kalff kwam weer vrij, hervatte zijn illegale activiteiten en haalde heelhuids de bevrijding. De Vries werd in juni 1943 na een showproces in Berlijn geëxecuteerd. In een lange en onthullende brief, die ik onlangs bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie vond, vertelde de op zijn post teruggekeerde Kalff vlak na de bevrijding van Nederland aan de ouders van Dick de Vries hoe hun ‘samenzijn’ in de cel er uitzag. Vandaag deel 2 in een serie van vier. 

“Wellicht ben ik de enige die weet voor welke daden Dick gevangen genomen is, want allerminst staat vast dat de Duitsers alles bekend is. Na enige tijd, wij kenden elkaar toen al wel een maand of meer, vertelde hij mij daar van; eerst kleine episoden, daarna het gehele verhaal. Z33 was hij, een naamloze werker voor het vaderland, spionerende, saboterende en ook strijdende, gedreven door liefde voor zijn land, maar ook machtig getrokken door het avontuur.

Hij heeft met zijn medestrijders uit de Zaanstreek (o.a. E. Smit, E. Honig, J. Neuteboom, J. Groot, P.H. de Jong) een garage der Duitse weermacht te Zaandam in brand gestoken, waardoor de met roofgoederen tot vertrek gereedstaande auto’s verbrandden; hij heeft een poging tot brandstichting in een fabriek te Wormerveer gedaan, welke fabriek aan een in Duitse dienst staande NSB’er behoort; hij heeft over werkzaamheden voor de Duitsers bij Fokker en andere fabrieken opgaven gedaan die naar Engeland gezonden zijn; hij heeft bij Fokker aluminiumvoorraden vernield, het werk gesaboteerd, gereedschappen vernietigd, belastingsproeven van materiaal doen mislukken – althans verkeerd doen uitkomen; tekeningen van zweefvliegtuigen door Junkers te slepen naar Engeland gezonden na ze bij  Fokker te hebben ontvreemd; hij heeft aan Engeland opgaven verstrekt over de Nederlandse en Duitse fabrieken die vliegtuigonderdelen vervaardigden, met opgaaf van welke onderdelen; hij heeft tenslotte te Wormer twee Duitse Gestapo-agenten doodgeschoten en – luguber werk – de lijken op een bootje in de Wijdewormer gebracht en ze daar in het veen geduwd. Behoudens het laatste deed hij dit alles niet steeds alleen, doch tezamen met één of meer der genoemde personen. Ook heeft hij gedurende zes maanden tezamen met H. Ero en J.C. Thomas de twaalf Engelsen die dichtbij Van Hinte te Wormer verstopt waren en van daaruit spionage en sabotage pleegden, verzorgd en onderhouden.

Deze respectabele lijst, welker inhoud ik uit Dicks eigen mond leerde kennen, geeft hem – dit zij het enige wat er van gezegd wordt – aanspraak op de naam van waarachtige vaderlander! Nimmer heeft hij mij verteld wat precies de Duitsers hem van dit alles bewijzen konden en wat hij bekend had, maar zoals reeds gezegd: hij rekende op de doodstraf, en dus zal het belangrijkste niet te loochenen geweest zijn.

Het is niet doenlijk een verhaal te geven ‘van dag tot dag’, de dagen waren daartoe te zeer aan elkander gelijk en ook gaat de herinnering zover niet, evenmin is het mogelijk alle gesprekken weer te geven, maar sommige daarvan kan ik hier toch herhalen. Veel spraken wij over militaire toestanden; Dick was met hart en ziel soldaat en betreurde het zeer dat zijn ‘weermachtsinstructieverlof’ hem verhinderd had aan de werkelijke krijgsverrichtingen deel te hebben, maar… op het dak der Fokkerfabrieken stonden een paar zware vliegtuigmitrailleurs en de gezochte, maar nimmer gevonden bediener dezer wapens in mei 1940 was Dick de Vries.

In het militaire was er veel wat Dick hinderde en ergerde; zo bijvoorbeeld het feit dat van de 1800 bij Fokker werkende mensen slechts 1 of 2 bij de Militaire Luchtvaart als grondpersoneel werden ingedeeld; dat hijzelf ondanks vele verzoeken niet bij de M.L. kon komen en infanterist moest blijven. Dat, ondanks de waarschuwing uit Noorwegen, niet tegen parachutistengevaar geoefend werd; dat de Nederlandse soldaten de silhouetten van eigen en vreemde vliegtuigen niet kenden, zodat een luitenant der infanterie op Texel, waar Dicks garnizoen lag, op een G1 vuurde.

Voorts vond hij het een onding dat de commandant van het eiland Texel een reserve-kapitein was en ergerde hij zich aan de gewichtigheden van heren van het departement, die tot gevolg hadden dat de bouw van een bommenwerper maandenlang werd vertraagd, daar men het niet eens werd over de vraag: ‘W.C. links of rechts.’ De al te prachtige uitvoering der machines was hem ook een ergernis: ‘Alles moest té degelijk – alsof ze 20 jaren mee moesten – en te luxueus gemaakt worden’, en bij dit laatste noemde hij het varkenslederen met paardenhaar gevulde kussen voor de luchtschutter der G1, dat evengoed een matje had kunnen zijn.

Het allermeest ergerde hij zich over de niet-paraatheid der luchtmachten van Nederland en de geallieerden: ‘Terwijl ik, maar ook een leek, uit de in elke kiosk verkrijgbare vliegtuigbouw-tijdschriften, kon lezen wat Duitsland op dat gebied aan het maken was.

Tenslotte had Dick één vurige hartenwens: na de oorlog officier te mogen worden! Ik meen dat zijn belangstelling en opofferingsgezindheid hem er een zeker recht op gegeven zouden hebben dat die rang hem werd verleend. Mijn buitenmodel uniform, dat hem zeker gepast zou hebben, had ik hem al beloofd.”

(wordt vervolgd)

 

Afscheid van burgemeester J. Kalff in Krommenie, mei 1947

Twee Zaanse verzetsmensen in een Scheveningse cel (1)

29 Dec

In het voorjaar van 1941 arresteerden de nationaal-socialisten Jan Kalff (1901-1974), de burgemeester van Krommenie. Hij werd Duitsvijandig bevonden en belandde daarom in de gevangenis te Scheveningen, ook wel bekend als het Oranjehotel. Na enige tijd kreeg hij bij toeval gezelschap van een streekgenoot, de Koger Dick de Vries. Die werd onder meer verdacht van spionage. De burgemeester en de technisch employé van Fokker zouden vier maanden op elkaars lip zitten. Kalff kwam weer vrij, hervatte zijn illegale activiteiten en haalde heelhuids de bevrijding. De Vries werd in juni 1943 na een showproces in Berlijn geëxecuteerd. In een lange en onthullende brief, die ik onlangs bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie vond, vertelde de op zijn post teruggekeerde Kalff vlak na de bevrijding van Nederland aan de ouders van Dick de Vries hoe hun ‘samenzijn’ in de cel er uitzag. Vandaag deel 1 in een serie van vier. 

Polizeigefängnis Scheveningen [Oranje-hotel]

Cel 698, gang F 21 Juli-21 November 1941

Vier maanden tezamen in een cel, vier maanden dezelfde wisseling van stemmingen, van hoop en wanhoop, vier maanden bijeen zonder één seconde onderbreking, zou men dan, zo men al wilde, aan het ontstaan van een intieme verhouding kùnnen ontkomen? Neen immers!

Nu Dick de Vries in de bloei zijner jaren in vijands land voor het executiepeloton is gesneuveld in dienst van zijn vaderland, wil ik, die hem goed heb leren kennen, voor zijn ouders en broer dit relaas geven van onze gezamenlijke vier maanden gevangenisleven, ook en vooral omdat zij daaruit zullen zien zijn flinke houding, zijn opgewektheid en het feit dat hij gedurende die tijd geestelijk noch lichamelijk heeft geleden.

In de morgen van 21 juli 1942 werd uit mijn cel, no. 698 van gang F, de brigadier der Rotterdamse Rivierpolitie, die slechts één dag mijn celgenoot was geweest, weggehaald, daar hij alleen moest zitten en kwam reeds tien minuten later zijn plaatsvervanger, Dick de Vries.

De zeer kalme figuur die daar de cel binnentrad, was gekleed in een ruige blauwe zeilbroek, gestoken in hoge laarzen alsmede een prachtig gebreide witte jas, versierd met donkerbruine rendierfiguren, welke jas of jumper over het blote bovenlichaam gedragen werd. In de handen droeg hij een keurig stapeltje boeken en ondergoed en een aktetas met toiletartikelen.

Nu zijn in deze tijd rijlaarzen uitermate verdacht, zij rieken naar de NSB en licht hadden zij een misverstand kunnen doen ontstaan. Het korte inleidende gesprek dat wij voerden was echter voldoende om vast te stellen dat De Vries niet anders dan haar en hare leden bestrijdende ooit met de NSB in aanraking was gekomen.

Eenmaal vluchtig kennisgemaakt hebbende en na elkaar te hebben verteld hoelang wij reeds in het O.H. [Oranjehotel] logeerden, kwam door de schaftklep ons middagmaal de conversatie onderbreken. In de middag hebben wij de kennismaking voortgezet en in de volgende dagen, weken, maanden hebben wij elkaar onze levensgeschiedenis verteld, hebben wij onze politieke denkbeelden, onze godsdienstige opvattingen uitgewisseld, spraken wij over de verdediging van Nederland en over militaire toestanden, bespraken wij de toekomstige staatsvorm en sociale politiek, bespraken wij vooral de oorlogskansen.

Dit alles geschiedde zonder terughouding; in de gevangenis heeft het geen zin zich anders = mooier voor te doen dan men werkelijk is en zo gunden wij vaak elkaar een blik in de ziel.

Toen wij elkaar wat kenden en vooral elkander vertrouwden, vertelden wij de aanleiding onzer gevangenneming en de wijze waarop deze laatste in haar werk ging.

Dick werd, naar ik meen op 26 april 1941 [was in werkelijkheid 28 april], ten huize van Van Hinte, door ons steeds genoemd: de man zonder armen, te Wormer gearresteerd. Hieraan was voorafgegaan een mislukte poging tot arrestatie; die eerste keer was Dick thuis, d.w.z. in het huis van Van Hinte, alwaar hij reeds geruime tijd woonde. Hij zag de Duitsers aankomen en rende, gekleed in zijn zeilbroek en een blauw, boezeroenachtig hemd, de tuin in, sprong in een roeibootje en roeide kalm door de achtersloot toen de Duitsers in de tuin verschenen. ‘Goeieavond’, zei Dick, de Duitsers gaven geen antwoord en vertrokken weer.

De tweede keer was hij ook thuis, zag wéér de verdachte Duitsers aankomen – ditmaal twee mannen in burger met een juffrouw, die later de zeer kwalijke dochter van de zeer kwalijke luitenant-generaal der Koninklijke Nederlandse Landmacht Seyffardt bleek te zijn –, maar… zag in de tuin en om het huis niet minder dan twaalf groene politiemannen. Hij kon niet anders meer doen dan in de huiskamer onder een bank kruipen en zich daar, plat op zijn rug, uitstrekken.

Na het huis doorzocht te hebben zonder Dick te vinden!!, zetten vijf Duitsers plus juffrouw Seyffardt zich om de tafel in de kamer waar Dick lag en zeiden te zullen wachten tot hij thuis kwam. De vrouw van Van Hinte, wijkverpleegster van beroep, mocht niet van haar stoel opstaan, kon dus haar werk niet doen, evenmin als Van Hinte zelf, die later thuiskomende ook de kamer niet mocht verlaten. Zo zat, respectievelijk lag, het gezelschap van 1 tot 5 uur, Dick steeds stijver wordend onder de canapé, met intense belangstelling luisterende naar de Gestapo-gesprekken, die geheel over zijn zaak liepen.

Omstreeks 5 uur kon hij zijn krampachtige houding niet langer volhouden en bij het gaan verliggen, kwam één zijner armen onder de canapé uit en werd door een Duitser gezien. Hij brulde iets, allen vlogen tegelijk van hun stoelen op, tilden de divan omhoog en, bedreigd door vijf revolvers, moest Dick gehoor geven aan de vriendelijke uitnodiging: ‘Stehen Sie auf, Schwein!!’ Overeind gekrabbeld zijnde, werd hij met de handen omhoog tegen de muur geplaatst en gefouilleerd – zijn pistool was reeds op zijn slaapkamer gevonden –, daarna ging het gezelschap, Van Hintes inbegrepen, per auto naar Scheveningen.

Dick vertelde mij in het Oranjehotel in een cel geplaatst te zijn waar tot voor enige dagen een ter dood veroordeelde in gezeten had en dat ook zijn buren tot de doodstraf veroordeeld waren. Hijzelf werd evenals deze lieden behandeld: de schaftklep steeds open, wat gezellig was daar hij kon zien wat op de gangen gebeurde; ’s avonds alle ijzerwerk uit de cel; dag en nacht het elektrische licht brandende. Natuurlijk diende dit alles slechts om hen angst aan te jagen en murw te maken voor de komende verhoren.

Toen Dick in cel 698 kwam, waren deze verhoren al achter de rug en tot november is hij niet meer daarmede lastig gevallen. Zij waren zwaar geweest, vele uren achtereen, in het licht en dikke sigarenrook, de verhoorders elkaar steeds afwisselend, maar zonder veel ransel.

Het plan was geweest en het is tot zeer na aan de uitvoering gekomen, dat Dick naar Engeland zou vertrekken, ja, niets meer van hem horende dachten de in zijn nabijheid werkende leden der organisatie dat hij reeds ontsnapt was. Dit had ten gevolge dat ieder van alles wat niet te ontkennen viel de schuld gaf aan de zich toch reeds in veiligheid bevindende De Vries. Bij de verhoren liet hij zich dat alles maar edelmoedig aanleunen – hij kón ook niet ontkennen zonder één of meer der reeds in handen der Duitsers zijnde kameraden te beschuldigen.

Zonder twijfel zullen al deze dingen echter ter rechtszitting aan het licht gekomen en rechtgezet zijn. Na de verhoren is Dick verplaatst, nog eens verplaatst – nu naar 721 van gang F en tenslotte naar 698. Door al deze verplaatsingen en de wisseling van bewakers wist men op het laatst niet meer waarom hij gevangen zat – al had men het nog wel kunnen nazien – en dientengevolge werd hij ‘netjes’ en zonder bangmakerij behandeld.

In het algemeen werden wij in cel 698 dragelijk behandeld, weliswaar toegeschreeuwd enz. maar nimmer heeft men ons aangeraakt, laat staan geslagen. Hij zag er op 21 juli 1942 goed – wel wat mager – uit, maakte een rustige en evenwichtige indruk en vertelde zonder ophef of opwinding van zijn avonturen en gevangeniservaring.

Bij één verhaal slechts kon hij zich opwinden en zich, figuurlijk, de haren uit het hoofd trekken; dat was als hij vertelde dat alles gereed was, olie en benzine geladen en wat meer nodig is, om in twee vliegtuigen naar Engeland te vertrekken, vliegtuigen die bij Fokker gerepareerd waren en vóór aflevering nog slechts proefvluchten moesten maken. Gehoorzamende aan het bevel niet te vertrekken is zijn ontsnappingskans voorbij gegaan. ‘Had ik het toch maar gedaan’, zei hij dan, om even later te erkennen dat in een organisatie als de zijne strikte gehoorzaamheid één der belangrijkste dingen is en daarmede in te zien dat hij niet anders had kunnen doen.”

(wordt vervolgd)

 Dick de Vries