Tag Archives: De Zaanstreek in de Tweede Wereldoorlog

Vrijgevochten: de Zaanstreek in de Tweede Wereldoorlog (7)

5 mei

Tot de meidagen van 2015 publiceer ik op deze plek wekelijks een longread over een Zaanse verzetsstrijder die tussen 1940 en 1945 van landelijk of zelfs internationaal belang was. Na de bevrijding raakten ze in de vergetelheid. Door hen hier te portretteren hoop ik ze weer een beetje zichtbaar te maken. De zes verhalen zijn, aangevuld met voetnoten en namenindex, ook te lezen in mijn boek Vrijgevochten. Zaans verzet in nationaal perspectief (1940-1945). Het is hier te bestellen.
In (slot-)deel 7 van deze korte serie een portret van Jacob Buijs.

De geboren en getogen Zaandammer Jacob Buijs behoort tot de oudere lichting verzetsstrijders. De meeste illegalen zijn nog geen 30 als ze hun eerste tegenacties ondernemen, Buijs is bij het uitbreken van de oorlog al 52. Hij is zijn leven lang alert op onrecht en misbruik en verzet zich daar consequent tegen. Al in een vroeg stadium van de bezetting verdedigt hij de democratische principes. In eerste instantie doet hij dat als secretaris/penningmeester van de Nederlandsche Unie. Na het verbod op die partij klimt hij op binnen de Nederlandse illegaliteit en krijgt hij leidende functies in onder meer het Nationaal Steunfonds en de Stichting 1940-1945. Daarin trekt hij op met Walraven van Hall.

Buijs is eigenaar van de in het Westzijderveld gelegen houthandel Onega. Het werkgeverschap belet hem niet om actief lid te worden van een linkse politieke partij, de SDAP. Principieel als hij is stelt hij zijn bedrijf in de jaren twintig open voor een werknemer als Cor Inja, die als voormalig dienstweigeraar nergens anders aan de slag kan. Een ander voorbeeld van Buijs’ rechtvaardigheidsgevoel is zijn weigering om, als een van de zeer weinige houthandelaars, bomen te verwerken die afkomstig zijn uit de stalinistische Sovjet-Unie. Hij kiest voor Scandinavisch hout, ook al leidt dat tot lagere winstmarges.

Zijn oorlogservaringen maken van Jaap Buijs een beschadigd mens. Hij zal nooit volledig over de dood van zijn vriend Wally van Hall heenkomen. Tot het laatst toe staat hij diens weduwe en haar drie kinderen bij met raad en daad, zoals in de gevangenis beloofd aan Van Hall. Diens echtgenote zal Buijs na de oorlog betitelen als ‘een door en door goed mens’, een mening die door velen wordt gedeeld.

Vanaf 1945 neemt Buijs zitting in tal van organisaties die tot doel hebben om de oorlogsherinneringen in leven te houden, van de mede door hem opgerichte Stichting 1940-1945 tot het oprichtingscomité van de Eerebegraafplaats in Bloemendaal en van Stichting De Typhoon (de Zaanse verzetskrant) tot de organisatie die geld inzamelt voor een Zaans verzetsmonument. Hoewel hij in aanmerking voor een reeks aan onderscheidingen accepteert hij alleen de Medal of Freedom, een Amerikaans eerbetoon dat aan slechts weinigen is overhandigd. Jaap Buijs overlijdt in 1960, 72 jaar oud.

Jaap en Christina Dorjee (2) Collectie Wal Dorjee
Jaap Buijs en echtgenote voor de oorlog

1.

Het is 12 januari 1945, even voor 10.00 uur. Vijf mannen schudden de sneeuw van hun jassen en stappen vervolgens een woning binnen aan de Amsterdamse Zuider Amstellaan 44. Daar wacht hun gastheer Johan van Lom (alias ‘Van Arkel’) hen op. Gezamenlijk vormen ze de Stichting 1940-1945, een organisatie die na de oorlog zorg moet dragen voor de oud-verzetsmensen en hun families. Het gezelschap is overigens niet compleet. De juridisch adviseuse Marie Anne Tellegen en het Nationaal Comité-lid Arie van Velsen kampen namelijk met vervoersproblemen. De aanwezigen besluiten om toch te beginnen met de vergadering. Erg ver komen ze niet. “Precies om half elf stond Van Arkel ineens met een verschrikt gezicht op en riep: ‘Verraad, vlucht!’. Nou, toen was het snel gebeurd. We zaten met z’n zessen om de tafel, de houthandelaar Jaap Buijs uit de Zaanstreek, Bob Gillieron, Smallenbroek, Van Vliet, Van Arkel en ik”, vertelt Vrij Nederland-medewerker Arie van Namen. “We hadden allemaal onze tassen meegenomen. We zaten daar allemaal met onze stukken op tafel. We werkten wel zonder namen, maar het waren tóch gevaarlijke stukken. Smallenbroek en ik zaten het dichtst bij de tuindeuren. We zijn de tuin in gerend. Smallenbroek liep voor, hij rende helemaal naar achteren. Toen zag ik ineens bij de schutting een vent en iets verder nog een vent in de tuin. Ik schrok. Ik dacht: ik moet naar links. Ik was bijna over de schutting, toen ze me te pakken kregen. Ik keek in de lopen van vier revolvers. Twee kerels met in iedere hand een revolver. Ik moest meteen op de grond gaan liggen, Smallenbroek ook. Onze handen werden op onze rug geboeid. Ik had alleen een los jasje en een zomerhempie aan. (…) We hebben daar een uur in de sneeuw gelegen. Koud dat het was! Ik vergeet het nooit meer. Ik klapperde met mijn kaken. Ik kon m’n kaken niet meer onder controle krijgen. Verschrikkelijk.” Jan Smallenbroek: “Ja…ja…we deden de achterdeur open. We liepen zo in de stenguns. Werden op de grond gegooid, gefouilleerd en geboeid aan elkaar.”

Jaap Buijs weet de tuin niet te bereiken. “In paniek trachtte ieder een kant uit te komen. Ik realiseerde mij, toen ik achter het huis ook Duitse stemmen hoorde, dat het huis was omsingeld en bracht vlug wat belastende papieren in veiligheid achter een centrale verwarming”, schrijft hij achteraf in wat een reeks herinneringen wordt aan zijn laatste oorlogsmaanden. Van Namen: “Later mochten we weer naar binnen. Nou, daar stond Buijs, hij was een stuk ouder dan wij. Hij zorgde voor de financiën. Hij was een vriend van Walraven van Hall. (…) Van Arkel, Gillieron en Van Vliet waren blijkbaar ontkomen. Toen zijn we naar het huis van bewaring aan de Weteringschans overgebracht. Smallenbroek en ik waren aan elkaar gekoppeld. Ik heb nogal smalle polsen, zodat mij de smalle boei te beurt viel. Smallenbroek had de brede boei. Hij probeerde achter in de auto met zijn linkerhand zijn zakboekje uit zijn broek te halen. Dat deed door het trekken aan die boeien nogal pijn. Ik zei iets tegen hem. Viebahn en Rühl van de Sicherheitsdienst zaten voor in de auto. Viebahn draaide zich om en richtte meteen zijn revolver op ons.”

Het drietal belandt achter de tralies, afgezonderd van elkaar en de andere gevangenen. Buijs: “Ik werd ingesloten in cel 18A1, een zeer donkere en ellendige cel.” De Zaandammer pijnigt zich het hoofd hoe de helft van het stichtingsbestuur door de omsingeling op de Zuider Amstellaan kon breken. Pas maanden later hoort hij over een verbond tussen Johan van Lom en de Sicherheitsdienst, met een reeks arrestaties als resultaat. Na zijn uitroep dat er verraad in het spel is verdwijnt de 26-jarige rechtenstudent via een luik onder de vloer van het huis, zoals afgesproken met SD-medewerker Friedrich Viebahn. “Daar ik wist dat Hugo [Teus van Vliet, E.S.] zwaar gezocht werd heb ik hem meegenomen -tegen de instructies van de SD in- om hem te redden. Ik had tevoren als gastheer de plaatsen zodanig geregeld, dat Hugo naast mij zat en toen ik bij het binnentreden der SD riep: ‘Maak dat je wegkomt’, heb ik Hugo aan zijn jasje getrokken en meegenomen, waarop Martel [Gillieron, E.S.] ons achterna kwam en eveneens in de schuilplaats verdween.”

Het trio kan de gang van zaken boven hun hoofden woordelijk volgen. “‘Das ganze Haus soll untersucht werden’, schreeuwt Viebahn. De klappertandende Van Arkel, die dit hoort, zegt: ‘Als ze m’n vrouw wat doen, ga ik eruit’, waarop Bob, die wel stalen zenuwen schijnt te hebben, tot Hugo zegt: ‘Als ie eruit wil, worgen we hem’. En als de oude vader van Van Arkel jammert, zegt deze opnieuw: ‘Ik ga es kijken’. En Bob weer: ‘Kop erboven; kip, ik heb je’. Het is koud en smerig in de schuilplaats, hetgeen Bob de sarcastische opmerking tot Hugo ontlokt: ‘Daar zit je nou met je beginselverklaring’. Ze realiseren zich dat al hun paperassen nog op tafel liggen. Hugo herinnert zich dat hij z’n aantekenboekje nog zag liggen, ernaar gegrepen heeft, maar misgreep en het toen maar liet voor wat het was.” Uiteindelijk slagen ze er in om ongezien hun tijdelijke onderkomen te verlaten. Van Vliet en Gillieron vertrekken via een aangrenzend pand, Van Lom gaat terug naar zijn eigen woning.

De kiem voor het verraad is ontstaan in september 1944. De getrouwde Van Lom biedt sinds een jaar onderdak aan de onderwijzeres Tjodina Tijmstra en begint met haar een verhouding. Tjodina verspreidt de illegale krant Het Parool. Begin september wordt ze daar bij betrapt en vervolgens vastgezet. Nadat zijn vrouw enkele malen tevergeefs bij de gevangenispoort heeft geïnformeerd naar het lot van haar huisgenote waagt Johan van Lom een poging. Hij wordt verwezen naar Viebahn. Die ‘vertelde mij dat het hier ging om een juffrouw die volgens de inzichten van de SD zich schuldig had gemaakt aan illegaal werk en dat deze niet louter en alleen voor mijn plezier kon worden vrijgelaten’, aldus Van Lom. “Bovendien vroeg hij mij waarom ik mij zo speciaal voor deze juffrouw interesseerde en zei mij -na lezing van de dossiers- dat het hem bekend was dat ik illegale relaties had.”

Viebahn blijkt ook te weten dat zijn gesprekspartner vreemdgaat. Gewapend met die kennis chanteert de Duitser Van Lom. Indien de leerling-advocaat meewerkt zal Tjodina Tijmstra worden vrijgelaten. Zo niet, dan loopt Van Lom kans zelf eveneens te worden opgepakt en zal bovendien zijn echtgenote worden geïnformeerd over de buitenechtelijke relatie. Van Lom zwicht en biecht Viebahn op wanneer de eerstvolgende bestuursbijeenkomst van de Stichting 1940-1945 plaatsvindt. Tezamen bespreken ze de mogelijkheid van een inval. Die moet zodanig plaatsvinden dat Van Lom de kans krijgt om te ontsnappen. SD-Hauptscharführer Emil Rühl: “Omstreeks de jaarwisseling ’44/’45, de datum weet ik niet precies meer, hoorde ik van Viebahn, die belast was met de binnenkomende berichten van de V-mannen, dat hij thans wel een heel goede V-man had en daardoor nu aan de leiding van de verzetsbeweging kon komen. Eerst later hoorde ik van Viebahn dat deze V-man Van Lom was van het advocatenkantoor De Pont.” De door de SD als minder interessant beoordeelde Bob Gillieron mag van hen meevluchten om verdenkingen tegen Van Lom te voorkomen. Die bedingt nog wel dat de gevangen stichtingsbestuursleden niet zullen worden geëxecuteerd. “Direct na de arrestatie van de stichtingsvergadering is mej. Tijmstra in vrijheid gesteld”, meldt Van Lom tot slot.

Vrijlating zit er voorlopig niet in voor de drie opgesloten bestuurders van de Stichting 1940-1945. Arie van Namen: “Wij wisten daar in het huis van bewaring allemaal niets vanaf. Maar het is waar. Hij heeft ons verraden onder de nadrukkelijke belofte dat de Duitsers ons niet dood zouden schieten. Die belofte heeft hij afgedwongen: je mag ze niet doodschieten! Lages en Rauter zijn daar aan te pas gekomen. Lages heeft dat later persoonlijk aan mij gezegd. ‘Deutsche Ehre, Deutsche Treue!’. Het ging ze niet om de stichting. Dat was per slot iets voor na de oorlog. Ze wilden de top van het verzet uit de roulatie nemen.” Loe de Jong voegt daar aan toe: “Bovendien kon het, nu Hitlers Ardennen-offensief was mislukt en Duitslands nederlaag nog maar een kwestie van tijd leek, voor hooggeplaatste figuren in het SS- en SD-complex van belang zijn, prominente Nederlandse illegale werkers als gijzelaars in handen te hebben.”

Onwetend van hun lot ondergaan de gevangenen zware verhoren. Van Namen: “Ik heb elke dag bij de verhoren in gedachten geleefd dat we er allemaal aan zouden gaan. Bij de verhoren zeiden ze: als je het niet zegt, dan gebeurt het om half zes, hoor! Ze werden naast je uit de cellen gehaald. Het was een verschrikkelijke tijd. Ik weet niet hoe de anderen de verhoren hebben ondergaan, want het gekke is dat we na de bevrijding nooit met elkaar over de inhoud daarvan hebben gesproken.” Smallenbroek: “Ik zette een verhaal op… maar (lacht) ze wisten alles van ons. Ze wisten alles. Ja, ik had nog mijn zakagenda tussen de autokussens kunnen moffelen, die hebben ze nooit gevonden. Elke nacht gingen de cellen open, dan dacht je, nou ben ik aan de beurt.”

Ook de 56-jarige Jaap Buijs ondergaat een spervuur van vragen. “’s Avonds verhoord door Viebahn. Toen hij er niet in slaagde een bekentenis los te krijgen en ik geen namen wilde noemen stoof hij op mij af en met z’n gezicht vlak voor het mijne beet hij mij toe dat als ik niet onmiddellijk bekende hij vanaf 10 uur zijn maatregelen zou nemen. Hij zou mijn huis in de lucht laten vliegen en vrouw en kinderen arresteren. Ik antwoordde hem dat ik dit dan zou moeten aanvaarden, hij had nu eenmaal die macht, maar daarom kon ik geen dingen zeggen waarvan ik niets afwist. Hij wuifde met z’n hand en zei: ‘We krijgen je wel klein, vriend. Dat lukt ons bij iedereen’. Terug in mijn cel streek ik bij toeval langs mijn jas, hoorde iets kraken en ontdekte dat drie brieven, die sterk belastend waren en die ik in een bepaalde prop gedraaid in een notariszak bij mij had om ze ’s morgens op een Kern-vergadering te gebruiken, door de kerel die ons visiteerde over ’t hoofd waren gezien. Dit was een opluchting, daar ik verder niets bij mij had dat belastend kon werken. Ondanks dit bofje had ik een beroerde nacht uit angst voor wat ze thuis zouden doen. Ik heb deze briefjes in propjes gedraaid en in de luchtrooster weggewerkt.”

2.

Zijn gevangenneming betekent het einde van Jaap Buijs’ lange en intensieve tocht door het nationale verzet. Die tocht begint vlak na de Duitse bezetting van Nederland. Aanvankelijk kan de houthandelaar zijn weerzin tegen de nazi’s nog kwijt via de Sociaal Democratische Arbeiders Partij, waarin hij al jarenlang actief is. Maar wanneer op 20 juli 1940 Meinoud Rost van Tonningen wordt benoemd tot Kommissaris für die marxistischen Parteien in Nederland -ook de SDAP krijgt dat stempel- bekoelt Buijs’ enthousiasme snel. Tien dagen na Rosts benoeming adviseert het landelijk bestuur van de SDAP haar leden om de partij te verlaten. In naam blijft de partij nog een jaar bestaan, zij het ‘gelijkgeschakeld’ en dus gebonden aan de nationaal-socialistische ideologie, maar Jaap Buijs heeft er niets meer te zoeken.

Vier dagen na de aanstelling van Rost van Tonningen ontstaat er een nieuwe partij. De Tilburgse hoogleraar Jan de Quay, de Rotterdamse politiecommissaris Louis Einthoven en de Groningse commissaris van de koningin Johannes Linthorst Homan richten zich die dag tot hun landgenoten en kondigen de oprichting aan van de Nederlandsche Unie. Deze nieuwe beweging, zo is hun idee, moet het verzuilde denkpatroon van de jaren dertig doorbreken en de ‘nationale eenheid’ bevorderen. De initiatiefnemers hopen een alternatief te kunnen bieden voor de NSB, ondanks de concessies die ze daarvoor moeten doen aan de bezetter. De Unie slaat onmiddellijk aan. Meer dan dat zelfs. Binnen enkele maanden tijd zal deze politieke vluchtroute uitgroeien tot de grootste partij ooit. De ‘schotjesgeest’, zoals het tijdens de crisisjaren heet, lijkt inderdaad even verdwenen. Dat het beginselprogramma vaag is nemen de aanhangers op de koop toe. De Unie lijkt de enige weg om zonder risico te tonen wat men vindt van de nieuwe orde.

In de Zaanstreek wordt het prille gedachtegoed als eerste uitgedragen door de hoofdredacteur van dagblad De Zaanlander, Johannes Dinkelberg. Hij roept zijn abonnees onmiddellijk op om lid te worden: “De Nederlandsche Unie biedt thans enig houvast en opent verrassende mogelijkheden tot samenbinding van verreweg het grootste deel der Nederlanders. De eerste honderd Zaankanters hadden zich dan ook in twee dagen aangemeld.” Begin augustus heeft Dinkelberg zelfs al meer dan vijfhonderd adhesiebetuigingen binnen. Het duurt niet lang of ook Jaap Buijs meldt zich.

Van het Unie-archief blijkt na de Tweede Wereldoorlog weinig over, waardoor het ontstaan van de afdeling Zaandam -de tweede in de regio- slechts gedeeltelijk te ontsluieren valt. Duidelijk is echter dat de Unieleiding in november 1940 bankdirecteur Walraven van Hall vraagt om het voorzitterschap op zich te nemen, terwijl Jaap Buijs wordt aangesteld als secretaris/penningmeester. Het bestuur telt nog vier andere leden, onder wie een propagandaleider. Buijs neemt na een tijdje ook plaats in de gewestelijke Unieraad, het provinciebestuur. Het Voorlopig Plaatselijk Comité (VPC) dat van start gaat in Zaandam heeft het van meet af aan druk. Honderden Zaandammers geven zich op als lid. Vrijwilligers colporteren met speldjes, brochures, vlaggen en het blad De Unie. Van Hall en Buijs besteden wekelijks tientallen uren om de organisatie in goede banen te leiden. Tot aan de oprichting van de Nederlandsche Unie zijn de twee onbekenden voor elkaar. Door de intensieve, hectische werkzaamheden voor de nieuwe partij ontstaat er al snel een hechte band. Hun ‘nauwe samenwerking’ en ‘wederzijdse waardering’ ontwikkelt zich tot ‘een grote vriendschap’, zoals Buijs het zelf typeert.

De landelijke leiding schippert tussen de nogal eens kritische, bij tijd en wijle opstandige achterban en de strikte overheidsregels. Jaap Buijs heeft minder behoefte aan compromissen. Hij neemt dan ook namens de afdeling duidelijk stelling wanneer er in december een anonieme kettingbrief door ambtelijk Nederland gaat. De aanhef van die tekst: “Waarschijnlijk zal aan ons binnenkort een verklaring voorgelegd worden van ongeveer de volgende inhoud: sympathiseert gij met de NSB of haar beginselen, staat gij daar neutraal tegenover of is zij u antipathiek? Indien ieder die de NSB antipathiek is daar rond voor uitkomt dan doen zij ons niets. In Den Haag is onder de desbetreffende ambtenaren afgesproken dat zij hun naam onder laatstgenoemde vraag (dus anti) zullen plaatsen.”

Buijs reageert, via een brief aan het gewestelijk Uniesecretariaat: “Waar ik heden van een ambtenaar vernam dat velen ‘neutraal’ willen invullen als een in de circulaire bedoelde enquête komt, is mijn vraag of het niet goed zou zijn als ons blad hierover ook een oordeel gaf. Immers, wanneer werkelijk deze vragen worden gesteld zou het een ramp zijn als men uit lafheid in grote meerderheid ‘neutraal’ opgaf.” Gewestelijk secretaris Aberson reageert negatief: “Er bestaat geen gegronde aanleiding te veronderstellen dat er werkelijk een dergelijke verklaring van NSB-zijde aan alle ambtenaren zal worden voorgelegd.” In het Unieblad verschijnt dan ook geen advies.

Elke eerste vrijdag van de maand vindt er overleg plaats tussen de Zaanse en Waterlandse Uniemedewerkers, meestal in hotel Reitsma aan de Westzijde. Ze onderzoeken onder meer de mogelijkheid om een Zaandamse Uniewinkel te beginnen en proberen de ledenaanwas in goede banen te leiden. In maart 1941 telt de afdeling al 740 donateurs en de groei gaat gestaag door. De NSNAP en de NSB zien het met lede ogen aan. Meerdere malen lokken hun aanhangers vechtpartijen uit en moet de politie Unieleden in bescherming nemen. Met het oog hierop gaat een aantal jonge Unie-aanhangers over tot het volgen van boks- en worstellessen in de gymzaal van de Zaandamse hbs.

Op 17 mei 1941 opent het VPC-Zaandam een winkel op de Gedempte Gracht 10, hartje centrum. Voorzitter Van Hall maakt die dag met gepaste trots bekend dat de afdeling inmiddels duizend leden telt. De partijleiders De Quay en Einthoven komen korte tijd later persoonlijk langs om de aanwinst te bewonderen en hun achterban toe te spreken. De winkel wordt helaas niet alleen een trefpunt voor Uniegezinden, maar ook een mikpunt voor de politieke tegenstanders. Met enige regelmaat vinden er vernielingen plaats. Het blijft niet bij vandalisme en fysiek geweld. De overheidscensuur neemt toe. In juni wordt een uitgave van het weekblad De Unie in beslag genomen, een maatregel die de bezetter nadien vaker zal uitvaardigen. De reden: de Nederlandsche Unie wordt te kritisch bevonden. Een maand na dat eerste verbod stuurt Hanns Albin Rauter een nieuwe oekaze rond: “Het aanplakken of het op enigerlei andere wijze in het openbaar vertonen van plakkaten en geschriften van de Nederlandsche Unie is verboden. Eveneens het dragen van het Unie-insigne.”

De speelruimte was al beperkt, maar wordt dus nog kleiner. En waar de Duitse bevelhebbers een steekje laten vallen is er altijd nog de NSB. Zo voelt de uiterst fanatieke nationaal-socialist Jan Hooft zich niet te groot om de Zaandamse politie te melden dat er in de Uniewinkel demonstratief een Nederlandse vlag wappert. Het dundoek wordt in beweging gehouden door een ventilator. Een agent krijgt opdracht om een rapport op te maken en eventueel een proces-verbaal uit te schrijven. Hij maakt zich er overigens makkelijk van af: de beheerder is volgens hem niet te bereiken.

Hoe scherper het toezicht op de Unie wordt, hoe meer de weerstand groeit. Wanneer de leiding van de partij in een poging om de kloof te overbruggen haar secretarissen bericht dat er Winterhulp-loten dienen te worden verkocht is dat tegen het zere been van Buijs. Hij laat het gewestelijk secretariaat weten daar liever niet aan mee te werken. Van de verkoop mag niets worden verwacht, schrijft Buijs. Hij komt er mee weg. De bezetter is minder toegeeflijk wanneer de conciërge van de Zaandamse Uniewinkel van de voor de deur gekladde leus ‘1 jaar Unie is 1 jaar verraad’ alleen de eerste vier woorden verwijdert. Er wordt onmiddellijk ingegrepen. Buijs: “Wij hebben een inval gehad in de winkel. Resultaat nihil.” Hoewel de Grüne Polizei dus geen belastende informatie aantreft, volgt er wel een proces-verbaal wegens belediging en gaat het verkooppunt tijdelijk op slot. Alle tegenslagen lijken de moraal niet aan te tasten. Zo vertrouwt Klazina Kuiper uit Zaandam op 4 augustus aan haar dagboek toe: “Nadat het Uniehuis enige dagen voor straf gesloten was geweest, is het zaterdag onder grote belangstelling en met een schat van bloemen weder geopend. Nu, zondag, zijn de ruiten weer geheel dichtgeplakt. Het zal de Unie weer duizenden leden bezorgen.”

Jaap Buijs, 1944 (collectie Charlot Smith-Buijs)Jaap Buijs in 1944

Waar het merendeel van de bevolking ’s nachts binnen moet blijven, krijgt de NSB op 31 augustus toestemming om ‘zich tussen 0-4 uur op straat te bevinden en leuzen aan te plakken’. De zwarthemden van Mussert beperken zich niet tot plakken. Een spiegelruit van de joodse winkelier Vet gaat aan scherven. Een ander doelwit is de Uniewinkel. Buijs licht het provinciaal bestuur in: “Door deze berichten wij u dat in de nacht van zaterdag op zondag in onze winkel de deur is opengetrapt, de etalage is vernield, de etalagekast zwaar is beschadigd, brochures en afstandskaartjes zijn meegenomen en de offerbus is gestolen. De portretten van het driemanschap werden vernield. Brochures, kaartjes en bus (deze opengebroken en het geld er uitgenomen) werden later in een vaart drijvende gevonden. Er werden ook verschillende emblemen gevonden die niet uit onze winkel kwamen, zodat de winkel in Koog aan de Zaan vermoedelijk hetzelfde lot heeft ondergaan. Van een en ander hebben wij aangifte gedaan bij de politie. Een mooie reclame aan ’t begin van de huisbezoekcampagne!” Daags na de inbraak arresteert de politie een verdachte. Op last van de nazigezinde politiecommissaris herkrijgt de man na een paar uur zijn vrijheid.

Ondanks de Nederlandsche Unie laat Buijs het contact met de uitgetreden SDAP-achterban niet los. Hoewel bijeenkomsten van die partij sinds juli 1941 verboden zijn, komen de sociaal-democraten in het geheim nog steeds bij elkaar om de politieke gang van zaken te bespreken. Jaap Buijs houdt desgevraagd inleidingen voor zijn Zaanse partijgenoten. Hij regelt bij dergelijke clandestiene huiskamerbijeenkomsten ook zo nu en dan de komst van Johannes Scheps. Dit voormalige SDAP-raadslid uit Zeist produceert via zijn eigen uitgeverij Op Korte Golf tal van illegale hekelschriften. Ze zijn gericht tegen nazistische handlangers, maar ook de door hem te meegaand bevonden Nederlandsche Unie krijgt er in de pamfletten en boekwerkjes van langs. Achterna gezeten door de bezetter reist hij het land rond om zijn boodschap te verkondigen.

Ondanks Scheps’ kritiek op de Unie geeft Buijs deze opgejaagde handelsreiziger de gelegenheid om ongestoord te kunnen werken. Hij verschaft hem daartoe een week lang onderdak in zijn eigen woning. Scheps: “Zelf trok ik naar Zaandam en wendde mij tot de familie Buijs, de houthandelaar. De heer J. Buijs was nu zo’n voorbeeld van iemand die in de Nederlandsche Unie zat, lid was van de SDAP en toch in alle opzichten illegaal. Hij heeft in Zaandam vele avonden voor Op Korte Golf georganiseerd en bij hem thuis (Rembrandtstraat 12 te Zaandam) heb ik mijn boekje tegen de bijltjesdag en voor de zuivering en eerlijke berechting kunnen schrijven.” In november 1941 verschijnen er vijfduizend exemplaren van dit pleidooi voor een behoorlijke naoorlogse rechtsgang tegen nationaal-socialisten. Enkele jaren later zal Buijs, bezorgd over het welzijn van zijn door de machthebbers gezochte vriend, er ook voor zorgen dat Scheps een ander persoonsbewijs krijgt en daarmee tijdelijk door het leven gaat als Jelle Harmen Schepers.

Op 14 december 1941 verbieden de Duitsers drie van de vier resterende politieke partijen: de Nederlandsche Unie, het Nationaal Front en de NSNAP. De politie verzegelt de Zaandamse Uniewinkel. De NSB, die dag op de kop af tien jaar oud, mag wel blijven bestaan. Daarmee is de politieke gelijkschakeling een feit. Voor Jaap Buijs en Walraven van Hall is de grens bereikt: “Toen de Unie in 1941 werd verboden, was bij ons een grote haat gegroeid tegen de Duitsers, veroorzaakt door de verdrukking en de wrede maatregelen die ze tegen ons volk en vooral ten opzichte van de joden hadden genomen. (…) Toen de Unie werd verboden, bespraken wij wat we verder zouden kunnen doen. Wij besloten in de illegaliteit te gaan.”

3.

De opheffing van de Nederlandsche Unie valt samen met de opkomst van de Zeemanspot. Vanaf oktober 1941 mogen rederijen alleen nog minimale bedragen uitbetalen aan de gezinnen van zeelieden die niet wensen terug te keren naar Nederland. De uitkeringen zijn te laag om te kunnen voorzien in het dagelijks levensonderhoud. Van Hall en Buijs verzamelen giften om de getroffen huishoudens in hun directe omgeving bij te staan. Jaap Buijs’ zoon Cees: “De eerste ondersteuningsgevallen ontstonden toen de Duitsers de betrokken maatschappijen verboden de vrouwen wier man op zee was ten volle uit te betalen. De bedoeling van deze maatregel was om onrust te zaaien onder de Hollandse zeelieden en deze zodoende tot terugkomst te dwingen. Plusminus 50 zeelieden-vrouwen werden in de ondersteuning opgenomen, waaraan plusminus ƒ1500,- per maand werd uitgekeerd.” Zijn vader: “Wij hielden ons allereerst bezig met steunuitkeringen in de Zaanstreek. Het betrof toen voornamelijk zeemansvrouwen.”

In diverse gemeenten zijn soortgelijke initiatieven van start gegaan, onder meer in Eindhoven en in Rotterdam, waar kapitein Abraham Filippo een groot hulpcomité opbouwt onder de noemer Zeemanspot. Filippo zoekt iemand die ‘Amsterdam wakker zou kunnen schudden’ en komt via een gemeenschappelijke kennis uit bij Van Hall. Die gaat in januari 1941 van start in de hoofdstad. Het Eindhovense hulpfonds onder leiding van Philips-medewerker Iman J. van den Bosch deelt, bij ontstentenis van grote aantallen zeeliedenvrouwen in de eigen gemeente, eveneens geld uit in Amsterdam. Pas in het najaar van 1942 leren de initiatiefnemer van het Eindhovense Verjaardagsfonds en Walraven van Hall elkaar kennen. Deze ontmoeting zal het begin blijken van wat later uitgroeit tot het Nationaal Steunfonds.

Doordat Van Hall gaandeweg steeds vaker buiten zijn eigen woonplaats opereert en met Filippo en Van den Bosch een landelijk netwerk opbouwt verandert de oorspronkelijke taakverdeling. Jaap Buijs: “Van Hall nam het werk buiten de Zaanstreek voor zijn rekening, ik bleef in Zaandam en omgeving. Zo is er een district Alkmaar ontstaan. Deze werkverdeling bleef zo tot eind 1942. Wally was toen zo overbelast met werk, dat ik hem voorstelde mij daarvan een deel over te dragen. Voor het werk in de Zaanstreek zou ik dan wel een ander zien te vinden, hetgeen ook gebeurd is. Het plaatselijk werk werd door mijn zoon overgenomen.” De dan 25-jarige Cees Buijs: “Medewerkers werden gevonden onder Unieleden. Velen van hen zijn later plaatselijke hoofden van het NSF geworden.”

Soms gaat het ook andersom. Buijs en Van Hall hoeven dan niet te speuren naar geschikte voormalige Unieleden, maar worden zelf benaderd. De Zaandamse PTT-ambtenaar Jan Westerbroek bijvoorbeeld is naarstig op zoek naar illegale organisaties waarbij hij zich kan aansluiten. In eerste instantie belandt deze sociaal-democraat bij het Legioen van Oud-Frontstrijders, maar dat is geen lang leven beschoren. “Later, ik denk omstreeks eind ’41, legde ik het contact met de heren J. Buijs en W. van Hall, beiden te Zaandam. Dit was het begin van mijn praktische illegale loopbaan. Ik bracht toen voor de eerste maal een onderduiker, gezocht door de SD, onder dak. Dit werk breidde zich langzaam aan uit, tot ik de gehele verzorging en onderbrenging in en buiten Zaandam van deze onderduikers te behandelen kreeg.”

Ook L.C. Weeda (alias ‘Van den Brink’ of ‘Brinkie’) meldt zich bij Buijs en Van Hall. Deze oud-militair is door de Duitsers opgeroepen voor krijgsgevangenschap, maar hij voelt daar uiteraard weinig voor. Via een verzetskennis verneemt hij over de mensen achter de Zeemanspot, die wel wat extra hulp kunnen gebruiken. “Ik moest mij toen melden bij de heer W. van Hall, Westzijde 42, Zaandam. ’s Avonds kwam ik er aan, stelde me voor als v.d. Brink en vertelde het doel waarvoor ik kwam”, schrijft hij kort na de oorlog aan Van Halls moeder. “Eerst was hij ontzettend kwaad dat er zomaar een wildvreemde kwam die naar hem vroeg onder z’n eigen naam, maar na een half uurtje praten waren we de beste maatjes, schonk hij mij z’n volle vertrouwen en wijdde me in met verschillende geheime contacten. Sinds die avond kwamen we geregeld bij elkaar, n.l. de heer Buijs, uw zoon Wally voor besprekingen en ik, in den beginne om orders in ontvangst te nemen.”

Deze alliantie ontstaat in het voorjaar van 1943 en zal tot het laatst toe in stand blijven, trouw aan elkaar en aan de strijd tegen de vijand. Wally van Hall is in dit verbond de primus inter pares, zoals hij dat gaandeweg wordt binnen steeds meer en groter werkverbanden. Buijs treedt op als stuurman, Weeda als de continu inzetbare uitvoerder. Arie van Velsen: “Naar mijn mening heeft hij [Van Hall, E.S.] zich tegenover Buijs en de hoofdkoerier Van den Brink het meest voorgedaan zoals hij was. Als wij kwamen, zei hij: ‘Kerel, wat fijn dat je er bent. Ga zitten. Wil je een kop koffie, vertel eens’. Bij Buijs en Van den Brink echter werkte hij gewoon door. Dat waren zijn twee vertrouwde kameraden.”

Weeda, die om veiligheidsredenen maandelijks door Cees Buijs naar een ander onderduikadres wordt geleid en ook enige tijd in de woning van diens ouders verblijft: “Vanaf die tijd werden ’s avonds, zodra het donker was, samenkomsten belegd door Wally, de heer Buijs en ondergetekende. Op deze samenkomsten werden alle die dag binnengekomen aanvragen om steun, onderduikadressen enz. behandeld en de werkzaamheden voor de volgende dag opgesteld.”

Het verzet neemt gaandeweg een grote vlucht. De ondersteunde Nederlandse koopvaardijgezinnen -uiteindelijk 4700 huishoudens- zijn al lang niet meer de enigen die geld krijgen uit de Zeemanspot. De bijstand is uitgebreid met 1400 echtgenotes van marinemensen en bijna driehonderd partners van landmachtpersoneel. In drie jaar tijd zal er aan hen ƒ5,2 miljoen uitgekeerd worden. Het benodigde budget bestaat uit giften en leningen. Ook Jaap Buijs steekt zijn spaargeld in het fonds: in totaal ƒ3000,-.

De risico’s op een Duitse overval voor lief nemend komen de mensen die al dat geld moeten verdelen af en toe bij elkaar om alle transacties af te stemmen. Cees Buijs: “In 1943 vond er een vergadering plaats in Amsterdam, waar alle districtshoofden uit Noord-Holland bijeengekomen waren. Dat was meest in de Industrieele Club. Wally van Hall was daar aanwezig en ook vader. Besproken werd toen de richtlijn voor verdeling van het geld aan de nabestaanden der zeelieden. Het was dus nog in het begin. Eerst later kwamen de onderduikers er bij. De LO bestond toen ook nog niet. In die vergadering is wel veel gesproken over het feit dat wij kwitanties vroegen. Daartegen was sterke oppositie.”

Als de LO begin 1943 van de grond komt ontstaat er al snel contact met het NSF. Wormerveerder Jaap Boot, provinciaal leider van Trouw en erg actief binnen de LO, wijdt er enkele zinnen aan in zijn oorlogsherinneringen: “In 1943 werd er ten huize van de drukker Huig in de Oostzijde te Zaandam een vergadering belegd om de steeds groter wordende behoefte aan geld voor ondersteuning op te lossen. Zover ik me kan herinneren waren de volgende personen aanwezig: Walraven van Hall, zijn vriend de houthandelaar Jaap Buijs, de gebroeders Huig van de drukkerij en Jaap Boot. We kwamen tot de oprichting van een Nationaal Steunfonds (NSF), een fonds dat onder meer steun ging verlenen aan joden, onderduikers en verzetsmensen.”

Dat er in de woning van Huig een regionale NSF-afdeling wordt opgericht klopt niet. De Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers speelt daarin namelijk geen rol. Maar nauw samengewerkt wordt er wel. Boots dorpsgenoot Henk Toby weet nog dat de Noord-Hollandse LO-leider Fritz Conijn optreedt als intermediair. “Hij stond in verbinding met enkele personen van het NSF, Van Hall en Buijs, is later gebleken. (…) Een tweede vergadering is gehouden in Zaandam, in de Tuinstraat vlak aan het eind, bij een dwarsstraat. Daar waren aanwezig Van Hall, Buijs, Cary, ds. Slomp en ik, een man of vijf, zes. Daar zijn hele besprekingen gevoerd. Zouden we met elkaar in zee gaan, dan zou ik namens Trouw gaan. Op die vergadering is uitgemaakt dat ze op iedere provinciale vergadering een persoon van het NSF zouden aanwijzen om de plannen kenbaar te maken. In verband hiermee zou de volgende vergadering gehouden worden in Amsterdam, in een hotel. Die vergadering is doorgegaan en toen hoorden wij dat Cary gepakt was.” De bijeenkomst wordt in allerijl opgebroken. Enkele uren later valt de Sicherheitspolizei het hotel binnen.

Ondanks de groeiende vraag naar geld blijkt het mogelijk om een financiële buffer op te bouwen. De NSF-verzetskas bevat inmiddels honderdduizenden guldens. Iman van den Bosch, Walraven en zijn broer Gijs besluiten deze reserve in te zetten voor andere doeleinden. Er zijn genoeg kandidaten voor. Duizenden joden duiken onder en hetzelfde geldt voor veel voormalige legerofficieren en mannen die worden opgeroepen voor de arbeidsinzet. Zo ontstaat na de Zeemanspot het Landrottenfonds, dat al snel overgaat in het Nationaal Steunfonds. Buijs: “Om de 14 dagen kwam de top samen in Amsterdam, Den Haag of Utrecht. Dat waren dus Van den Bosch, Van Hall, Gelderblom en mijn persoon. ’s Morgens hadden wij vergadering van het NSF, ’s middags van het Nationaal Comité. Op die middagvergaderingen kwamen Neher, Van Velsen en mej. Tellegen er bij.”

Jaap Buijs geeft hier op beknopte wijze zowel de NSF-samenhang weer als de relatie met een andere verzetsorganisatie in opkomst, het Nationaal Comité van Verzet (NC). Dat is begin 1943 ontstaan in een ambitieuze poging de veelheid aan verzetsgroepen en -groepjes te overkoepelen, een streven dat al snel te hoog gegrepen blijkt. Het NC zal zich onder leiding van de ontslagen PTT-directeur Lambertus Neher en Arie van Velsen wel ontwikkelen tot een landelijke organisatie die gespecialiseerd is in het uitwisselen van informatie en het produceren van verzetspamfletten. Van meet af aan werken het NC en het Nationaal Steunfonds zeer nauw samen. Het gezamenlijk overleg vindt plaats onder de noemer ‘Wijncommissie’. Als vlag die de lading moet dekken liggen er tijdens de vergaderingen in de regel enkele teksten op tafel die betrekking hebben op de wijnhandel. Neher: “De besprekingen werden noodzakelijk omdat de beide organisaties over het gehele land werkzaam waren en voorkomen moest worden dat dubbel werk werd gedaan of door een veelheid van contacten gevaar van ontdekking zou optreden, c.q. vergroot worden, terwijl anderzijds misstanden voorkomen dienden te worden. Een andere zeer belangrijke reden was dat gemeenschappelijk werd nagestreefd een ongeschreven erecode voor het illegale werk ingang te doen vinden en hoog te houden, zodat het verzet, hoe hard en ernstig ook, niet zou ontaarden in een wild avonturisme, negativisme of zelfs egoïsme.”

Een van de weinige onderwerpen waarover in de Wijncommissie stevig wordt gedebatteerd is de NSF-wens om te werken met kwitanties. In de regel stelt de illegaliteit uit veiligheidsoverwegingen zo min mogelijk op schrift, maar het NSF is van mening dat administratieve accuratesse het misbruik van gelden minimaliseert. Het duurt even voor het door Van Hall voor deze gelegenheid uitgedachte camouflagesysteem ingang vindt, maar na de oorlog wordt duidelijk dat het NSF met behulp van haar boekhouding de bestede miljoenen zo goed als volledig kan verantwoorden.

Walraven van Hall en Iman van den Bosch reizen inmiddels het hele land door om geld te verzamelen en gewestelijke contactpersonen aan te stellen. ‘De bankier van het verzet’ annex ‘de olieman’, twee van Van Halls latere erenamen, raakt in toenemende mate betrokken bij andere organisaties en initiatieven. Daardoor moet hij zich steeds meer richten op de hoofdlijnen. Buijs houdt in de Wijncommissie de dagelijkse gang van zaken in de gaten. “Nauwer en nauwer werd onze samenwerking en toen het landelijk werk zo toenam dat hij het niet meer aankon, nam ik een deel van hem over. Daardoor was ik in de gelegenheid om waar te nemen hoe alle makkers hem waardeerden. Hij was zelf te bescheiden om dit naar voren te brengen”, schrijft de houthandelaar over zijn vriend.

Buijs’ waarderende woorden zijn ook op hemzelf van toepassing. Hij oogst eveneens brede waardering, maar laat zich daar niet op voorstaan. De neiging om in de coulissen te blijven is kenmerkend voor de NSF-top. Hoewel de organisatie in financieel en organisatorisch opzicht in toenemende mate onmisbaar is voor het nationale verzet en voor tienduizenden onderduikers toont de verkozen rol in de schaduw het gelijk aan van Lambertus Neher: voor egoïsme, negativisme en wild avonturisme is binnen het steunfonds geen plaats.

Vader Buijs heeft zich dus gaandeweg ontwikkeld tot een landelijk verzetsleider. Zoon Cees wordt NSF-districtshoofd voor de Zaanstreek en Waterland. Na aanvankelijk geld naar zeemansgezinnen te hebben gebracht, distribueert hij nu ook maandelijks duizenden guldens voor onderduikers en verzetsgroepen. “In iedere plaats had ik een plaatselijk hoofd. Met hen rekende ik af. Zij hadden weer hun mensen die geld inzamelden. Dat waren kleine bedragen à fonds perdu.”

Een van zijn contactpersonen is Anton Keet, de LO-/NSF-leider in Assendelft: “We hadden hier in het dorp 13 joodse onderduikers, die natuurlijk meedeelden in de voorraden. Ze zaten allemaal goed en verscheidene komen nog altijd bij hun onderduikadressen terug. De Zaandammerweg hebben ze wel eens de Jodenbreestraat genoemd, want bij bijna alle boeren zaten daar mensen ondergedoken. Veel gemak hebben we gehad van Cees Buijs van het NSF in de Zaanstreek; hij leverde ons geld.”

In Westzaan onderhoudt Buijs junior een netwerk via de dominees Hylkema en Bergman en het echtpaar Zaaijer, dat door de jaren heen zo’n vijftig mensen aan huisvesting helpt. Ook een spil in het verzet binnen Krommenie, de familie Hondema, ontvangt van Cees Buijs grote bedragen om de geboden onderduikhulp -het betreft in hun eigen woonplaats en Assendelft zo’n driehonderd personen, joods en niet-joods- betaalbaar te houden. En zo zijn er binnen en buiten de Zaanstreek velen die hun werk kunnen volhouden dankzij de geboden steun. Cees Buijs: “Lastig was vaak de papieren rompslomp, die van de ene naar de andere plaats moest verhuizen in verband met razzia’s en overvallen. Een van onze medewerkers moest voor de SD op de vlucht. Zijn papieren begroef hij onder een mesthoop, d.w.z. zijn hele boekhouding voor onderduikers. Deze papieren zijn ware documenten geworden en hebben nu juist die eigenaardige gelige tint gekregen waarop oudheidkundigen zo gek zijn.”

Dat er veel geld uit de Zaanse houtindustrie naar het NSF stroomt is geen toeval, met branchegenoten als Jaap Buijs en Remmert Aten in de gelederen. Er komen onder meer leenovereenkomsten met houtwarenfabriek De Zaan (ƒ1000,-), de Bruynzeelfabriek (ƒ50.000,-) en de houthandels H. Simonsz (ƒ100.000,-) en Wed. Stadlander Middelhoven (ƒ50.000,-). De Zaandamse houtverwerker William Pont staat zelfs ƒ325.000,- af aan de organisatie en behoort daarmee tot de top, ook nationaal.

Zoals in het vorige hoofdstuk beschreven betrekt Buijs zijn collega Aten bij de NSF-Vakgroep J. “Dit hele plan was dus door Wally en Jaap Buijs reeds uitgewerkt, terwijl zij op zich namen het geld dat op den duur nodig zou blijken te fourneren. De leden van de Vakgroep (het werden er vijf) hoefden zich hier het hoofd niet over te breken”, weet Remmert Aten. Buijs treedt in eerste instantie op als contactpersoon tussen het NSF en Vakgroep J, een rol die later wordt overgenomen door Rotterdammer Douwe Westra.

Niet helder is in hoeverre Jaap Buijs individuele joden in veiligheid heeft helpen brengen. Een van de weinige herinneringen hierover komt van Van Halls dochter Mary-Ann. “Nadat we naar Amsterdam verhuisd waren in 1953 kwam oom Jaap regelmatig langs en vertelde op een keer hoe hij in de oorlog een joods meisje had opgehaald bij de ouders, om te zorgen dat ze ondergebracht kon worden bij een onderduikadres. Tijdens het vertellen over dat hartverscheurende afscheid barstte hij in tranen uit. Het liet een onuitwisbare indruk bij mij achter.” Buijs kleindochter Charlot weet nog dat haar vader vertelde ‘over een netwerk om joden te verbergen in het ziekenhuis te Zaandam’.

Er zijn weinig zaken waarmee Buijs geen bemoeienis heeft. Verreweg de meeste energie gaat zitten in het vinden van plaatsen voor onderduikers. Weeda: “Neem daarbij nog het halen van springstoffen bij de Hembrug, het wegbrengen van Engelse vliegers en alle mogelijke illegale activiteit. De zorg voor de onderduikers was overstelpend. We moesten ook voor bonnen zorgen en voor geld en valse p.b.’s. (…) Op een gegeven moment (februari/maart 1944) werd het door de mannendeportatie overstelpend druk met de geldzendingen. Ik kon het niet meer af, temeer daar ik steeds voor vergaderlokalen van de wekelijkse topvergaderingen moest zorgen. Toen zei Van Hall tegen mij: ‘Je moet maar beginnen wat koeriersters erbij te nemen, alleen meisjes-studenten’. Buijs kwam toen met Miep Eikema.”

Aandacht voor zijn houthandel heeft Buijs niet of nauwelijks. In de weinige minuten die hij naast zijn sabotagewerkzaamheden over heeft is hij in een geheim kamertje van zijn woning aan de radio gekluisterd, hopend op nieuws van Radio Oranje.

4.

De noodzaak tot samenwerking wordt steeds groter. De behoefte aan hulp neemt toe, de bezetter treedt met de week meedogenlozer op. Alleen door beter op elkaar in te spelen kan de illegaliteit effectief weerwoord geven. Walraven van Hall neemt het initiatief tot de stichting van de Kern, de eerste coördinatie van uiteenlopende Nederlandse verzetsbewegingen. Het NC en de LO zijn de andere voorlopers binnen dit gezamenlijke tegenspel. Het is dan december 1943. Jaap Buijs: “De Kern is opgericht nadat er een vergadering is geweest in Utrecht van de LO en het NSF. Er is toen een bespreking geweest tussen de heer Van Hall en mij en toen hebben we gezegd: er moest eigenlijk een verband komen tussen de groepen onderling. Hierin moesten wij alles kunnen betrekken. De heer Van Hall heeft toen gesproken met onder andere de heer Neher en mensen van de LO. (…) Het motief van onze kant was dat er nog allerlei fouten voorkwamen in de illegaliteit. Het was namelijk zo dat een deel van de lui hoge prijzen maakte voor bonkaarten en voor persoonsbewijzen die vervalst werden. Kortom, het ging toen niet goed.”

Van Halls hoofdkoerier Weeda: “Men werkte veel langs elkaar heen, zodat er onderduikers waren die drie bonkaarten kregen. Van Hall heeft toen de verschillende kopstukken bij elkaar geroepen in Amsterdam. (…) Toen is de wekelijkse bijeenkomst van de verschillende organisaties ingesteld. Bij de eerste vergadering bleek al dat er ongeveer een 90.000 bonkaarten te veel werden uitgegeven. De hele bonnendistributie werd toen in handen van Jan Goedkoop gelegd. De LO zorgde van toen af als enige organisatie voor de onderduikers (bonkaarten, adressen en p.b.’s). Het NSF zorgde voor het geld.”

Hoewel de Kern dus aanvankelijk ontstaat om de hulp aan onderduikers af te stemmen, neemt het aantal deelnemers en daarmee het aantal te coördineren werkzaamheden snel toe. Op een vraag over de werkwijze van de Kern antwoordt Buijs: “Die was op de eerste twee vergaderingen wild. Er was geen begrip, wat die samenwerking beduidde. Er werd toen gesproken over de moeilijkheden met de bonkaarten. Met Van Hall heb ik een gesprek gehad en ik zeide: ‘Wij moeten hierover eens spreken, er moet leiding komen’. Na afloop van de tweede of derde vergadering heb ik een voorstel gedaan, toen Van Hall er niet was, om een voorzitter te benoemen, die de leiding zou nemen. Gerrit van der Veen zei: ‘Wij hebben een baan voor je’. Het is meestal zo dat als je een voorstel doet je er zelf inloopt. Ik kan u wel zeggen dat het een hele verantwoordelijkheid is geweest, want toen stond mij klaar voor de geest wat ik wel op mij had genomen. Eind 1944, toen men mij een compliment maakte over de leiding, merkte ik op: ‘Jullie beseft niet eens wat het is, want het valt niet mee voorzitter te zijn van een vergadering welke uitsluitend uit voorzitters bestaat’. Het is een zeer moeilijke taak geweest.”

Ondanks dat er binnen enkele maanden tien landelijke verzetsgroepen zitting nemen in de Kern en er wekelijks overleg plaatsvindt, krijgen de Duitsers geen grip op het genootschap. Buijs: “Er is van de Kern nooit iets achterhaald en dit kwam doordat Van Hall en ik alleen de plaats wisten van de vergadering. Wij spraken dan bijvoorbeeld met de lui af: ‘Ik sta voor het Binnengasthuis en hij staat daar en daar’. Onder het voorbij lopen zeiden wij dan waar ze naartoe moesten. Er kon dus nooit verraad zijn, want men kreeg pas een half uur voor de vergadering het adres.”

Eén keer is het overigens kantje boord. Weeda: “Toch is het nog voorgekomen dat op één dier vergaderingen in de Vondelstraat de zaak niet pluis was, doordat een der deelnemers niet verscheen, maar een koerierster kwam vertellen dat deze verhinderd was. Een der aanwezigen herkende deze koerierster echter als provocatrice, waarop bedoelde dame aan de praat gehouden werd en de overigen ongemerkt naar een andere gelegenheid gingen.”

Elke donderdag neemt Buijs de trein naar Amsterdam om daar de vergadering te leiden. Vanaf 8.00 uur ’s morgens komen de algemene oorlogshandelingen aan bod, ’s middags gaan de aanwezigen gedetailleerder in op hetgeen er moet gebeuren. Het belangrijkste gespreksonderwerp blijft overigens de hulp aan onderduikers. Er is een schreeuwende behoefte aan bonkaarten, geld, kleding, voedsel, vervalste documenten en geschikte verblijfsadressen. Maar ook staan er geregeld liquidaties en overvallen op de agenda. Arie van Velsen: “Daar was als het ware een beurs voor de practici van de techniek der illegaliteit. Daar werden bonnen verruild, ‘hoekjes’ bij duizenden overhandigd, illegale papieren ontworpen, offensieve handelingen besproken. Daar is nimmer aan politiek gedaan en daar wist men niet eens tot welke politiek de andere behoorde. De non-politieke middengroep had het initiatief.”

Het NSF groeit al snel uit tot dé financier van het verzet, de Kern tot het belangrijkste gremium van ondergronds Nederland. Dat het inderdaad niet makkelijk is om leiding te geven aan de groep eigenzinnige, politiek en levensbeschouwelijk verschillend denkende verzetsmensen merkt Buijs keer op keer. Dat komt misschien wel het sterkst tot uiting wanneer Dré Ausems zijn regeringstelegram wil voorleggen aan de Kern. De door hem ontvangen boodschap dat ‘de koningin het als een noodzakelijkheid ziet dat een coördinatie tot stand komt van alle ondergronds erkende groepen’ leidt tot heftige discussies. Waar Wilhelmina eerder alleen haar hoop uitsprak op verregaande samenwerking oefent ze nu pressie uit. Voorzitter Buijs beseft, nadat Ausems op 23 juni 1944 het telegram heeft voorgelezen en toegelicht tijdens de wekelijkse Kern-vergadering, dat de aanwezigen tijd nodig hebben voor een bespreking in eigen kring. De eveneens geïnformeerde ondergrondse pers (die in grote meerderheid niet wil deelnemen aan de Kern) belegt de 26ste en 27ste eigen bijeenkomsten. Ze worden het er alleen over eens dat er ‘een romp van enkele lieden die hoge invloed hebben’ moet komen, met daar omheen ‘een twintigtal lieden, politiek van schakering, die potentieel de eisen van het telegram ten uitvoer kunnen leggen’.

In de middag van 27 juni komt ook de Kern bij elkaar. Buijs geeft als eerste het woord aan Catharinus Caljé, de vertegenwoordiger van de Ordedienst. Deze jurist betoogt dat zijn eigen organisatie als enige in aanmerking dient te komen om het vacuüm op te vullen tussen de Duitse capitulatie en de verkiezing van een nieuw parlement. Zijn verklaring leidt tot een stroom van reacties en tegenreacties. Johannes Post (LKP) en Wim Speelman (Trouw) achten de Kern onbevoegd om zelfs maar te spreken over het regeringstelegram, de LO stelt voor een aparte commissie te benoemen die een antwoord moet formuleren op het telegram. De onderlinge sfeer wordt, aldus een verslag, ‘onaangenaam’.

Buijs nuanceert dat later: “Inderdaad heeft het telegram aanleiding tot enige wrijving gegeven. Men moet hiervan echter geen overdreven voorstelling maken, want er zijn geen felle botsingen geweest. Ik herinner mij nog dat ik de hamer met geweld neer liet komen en tot Johannes zeide: ‘Jij bent met politiek bezig. Het gaat er alleen maar om een bepaalde toestand na de oorlog te overbruggen’. Johannes ging toen mee en toen is besloten deze zaak in een aparte vergadering uiteen te zetten.” Buijs is daar niet bij. De organisaties waarbinnen hij opereert machtigen Lambertus Neher om er knopen door te hakken. Deze historische, op 3 juli gehouden vergadering leidt tot de breed gedragen, maar uiterst fragiele Contact-Commissie der Illegaliteit, een bundeling van twintig nationale verzetsgroepen.

De keuze voor Neher als hun vertegenwoordiger tekent de bereidheid van de gebroeders Van Hall en Buijs om samen te werken en te delegeren. In tegenstelling tot tientallen uit de vooroorlogse verzuiling voortgekomen organisaties verkiezen zij een open benadering. Hun brede visie maakt hen acceptabel voor zowel linkse als rechtse verzetsgroepen. Centraal staat in hun ogen de verhardende strijd tegen de vijand. Onderlinge verschillen en vetes dienen daarvoor te wijken.

Op Dolle Dinsdag, 5 september 1944, golft er een nieuwsstroom over Nederland, mede in de wereld geholpen door Radio Oranje. De meeste verhalen bevatten één centrale boodschap: de geallieerden staan op het punt om heel Nederland te bevrijden. Die conclusie klopt niet, maar feit is wel dat Brussel en Antwerpen even daarvoor zijn heroverd op de Duitsers en de bevrijding een kwestie van dagen lijkt. “Op straat ziet men de NSB’ers vluchten – ze moeten voortmaken, anders lopen ze nog in de val”, schrijft de latere BS-commandant Johan Wastenecker. “De stad is vol geruchten, ze bevestigen de snelle opmars der geallieerden… ze zijn al over de Moerdijk, Rotterdam is bevrijd… Iemand vraagt: ‘Zullen ze verder oprukken in de richting van Den Haag?’ Een ander meent: ‘Natuurlijk, als Rotterdam bevrijd is, moet de voorhoede al verder zijn, op weg naar Den Haag’. Een derde vangt het gesprek half op, en hoort alleen: ‘De voorhoede… op weg naar Den Haag’, hij heeft nieuws gehoord.”

Op 5 september worden ook de Binnenlandse Strijdkrachten opgericht. Walraven van Hall probeert op landelijk niveau deze samenvoeging van RVV, KP en OD te ondersteunen met kantoorruimte, geld en personeel. In Zaandam functioneert Buijs’ houthandel in die beginfase als het centrum van de regionale driehoek. Vanuit Londen is voorgeschreven dat in de gewesten, districten en gemeenten delta’s ontstaan, waarin de drie gewapende strijdgroepen als gelijken met elkaar omgaan. Het Zaanse district valt binnen Gewest 11 van de Binnenlandse Strijdkrachten, Noord-Holland boven het Noordzeekanaal. Jaap Buijs woont namens het NSF en het NC de topvergaderingen bij, waarmee deze delta een vierkant wordt. De top selecteert geschikt personeel en overlegt over de plaatselijke bevelsstructuren. Het NSF zorgt ook nu weer voor de benodigde financiën.

De continue geallieerde aanvallen op het Duizendjarig Rijk brengen veel vliegverkeer boven Nederland met zich mee. Zo ook op 11 september 1944. De viermotorige bommenwerper Betty-Jane wordt bij een van haar aanvallen op Duitsland in de buurt van Hannover geraakt door vijandig vuur. Het vliegtuig probeert de Engelse thuisbasis te bereiken, maar verliest snel hoogte. Gezagvoerder M. Olson beveelt zijn Amerikaanse bemanning de parachutes om te gespen en het toestel te verlaten. De tweede piloot waagt vervolgens een (overigens succesvolle) poging om met de van ballast ontdane B24 terug te vliegen naar Norfolk. De negen parachutisten maken een behouden landing op diverse plekken in de Zaanstreek. Het verzet slaagt er in om acht van hen onder te brengen op veilige plaatsen, de negende valt in handen van de Duitsers. De Sicherheitsdienst neemt geen genoegen met die ene gevangene en dreigt met represailles als de militairen niet tevoorschijn komen. Vier Zaankanters worden aangewezen als Todeskandidat. Het leidt niet tot een overdracht van de Amerikanen. Twee dagen na hun dreigement executeren de Duitsers inderdaad hun gijzelaars.

Daarmee is de wraakactie overigens niet voorbij. Er zijn nog achttien mensen gevangengenomen, inwoners van de Zaanstreek. De overdrachtseis blijft en daarmee de dreiging dat er meer doden vallen. Uit een naoorlogs verslag van de Zaanse illegaliteit: “Natuurlijk volgt hierop weer een algemene verslagenheid en was de ‘hoera’-stemming van het publiek in no time omgezet in een stemming ‘dat die Amerikanen zich hadden aan te melden’. Vanzelfsprekend was dit niet zo eenvoudig. De Amerikaanse vliegeniers hebben uitdrukkelijk opdracht om zich alleen in het uiterste geval aan de vijand over te geven en zij moeten op alle mogelijke manieren contact zien te krijgen met de Binnenlandse Strijdkrachten of zich door de linies heen werken om zich weer bij hun eigen eenheden te begeven’.

Een verzetsdelegatie, bestaande uit Buijs, August Sabel en Willem Levend, komt in allerijl bijeen, aangevuld met de politieman Tonny Jansen. De situatie leidt tot sombere bespiegelingen, mede omdat de ongenaakbare politiechef Hanns Albin Rauter aanvullende sancties in het vooruitzicht stelt, in de vorm van een slachtpartij onder 100 tot 150 willekeurige burgers. Na stevige onderlinge debatten capituleert het verzet uiteindelijk, zij het dat slechts zes van de acht Amerikanen worden overgedragen. Ze overleven de oorlog in een krijgsgevangenenkamp. De achttien Zaanse gijzelaars komen op vrije voeten.

5.

De nationale spoorwegstaking, op 17 september 1944 uitgeroepen door de Nederlandse regering in ballingschap, levert meer problemen op voor de illegaliteit dan voor de machthebbers. Na het door Londen uitgezonden codebericht dat ‘de kindertjes van Versteeg onder de wol kunnen’ komt vrijwel het gehele treinverkeer tot stilstand. Iedereen -NS-directeur Wim Hupkes voorop- verwacht dat de oorlog binnen een maand achter de rug zal zijn. Zo’n korte periode is goed te overbruggen met de ‘invasiekassen’ die de spoorwegen eerder hebben aangelegd. Maar omdat de luchtlandingsoperatie Market Garden mislukt en de geallieerde opmars hapert, komt niet alleen de uitbetaling van de stakers in gevaar, maar wordt het ook op slag moeilijker om eerste levensbehoeften naar het westen van Nederland te vervoeren. Bovendien zijn in één klap de ondergrondse verbindingen verstoord.

Het Nationaal Steunfonds heeft overigens al in het voorjaar van 1944 gepoogd de NS aan te zetten tot een werkonderbreking. Het stoort de leiding dat de treinen blijven rijden, ook met joden op weg naar het concentratiekamp en met munitievoorraden voor de nazi’s. Buijs: “Reeds in de eerste bespreking met de stationschef van Amsterdam kwam de vraag naar voren wanneer de spoorwegen in verzet zouden komen. Hij antwoordde ons dat wij ons daarover niet ongerust behoefden te maken. Op een bepaald moment zou dat zeker gebeuren, alles was hier op voorbereid. Later bleek dat er niets was voorbereid. Ik vroeg hem een lijst van verschillende stationschefs. Die lijst was onvolledig en de chefs bleken in het algemeen zeer afkerig om zich met de illegaliteit te bemoeien.”

In 1947 heeft het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie over die eerste stakingsaanzet een vraaggesprek met NSF-functionaris Douwe Westra. Het Nationaal Steunfonds was volgens hem bereid de salarissen van het spoorpersoneel over te nemen als de NS daar niet toe in staat bleek. “Het NSF had ervaring met het opbouwen van een distributieapparaat. Het NSF heeft toen via de heer Buijs laten vragen wie de vertrouwensmannen van de spoorwegen waren. (…) De heer Buijs gaf de heer Westra op een bespreking een briefje met de namen van de vertrouwensmannen van de spoorwegen.”

Diverse keren roeren zowel Van Hall als Buijs de NSF-stakingswens aan bij stationschef W. Jongstra. Hun pogingen zijn vergeefs. Volgens Jongstra en Hupkes is de tijd nog niet rijp voor een openlijke demonstratie tegen de Duitsers. Daarnaast wantrouwt Hupkes de in zijn ogen weinig professionele illegaliteit. Een geïrriteerde Walraven van Hall zal de NS-directeur er in november 1944 nog eens aan herinneren, op een moment dat er wederom wrijvingen zijn met de spoorwegleiding: “Negen of tien maanden geleden had het NSF contact opgenomen met de daartoe aangewezen functionarissen, om maatregelen voor te bereiden in geval van uitbreken van een staking. Van spoorwegzijde werd de noodzakelijkheid tot het treffen van gemeenschappelijke voorbereiding ternauwernood aangevoeld. Bovendien bleken in het overgrote deel van het land de aangegeven contactpunten niet toegankelijk voor de NSF-functionarissen.”

De spoorwegdirectie besluit om pas in actie te komen tijdens de laatste oorlogsfase, hopend daarmee het eind van de strijd te versnellen. Bovendien wil directeur Hupkes zijn bedrijf alleen stilleggen na een oproep daartoe vanuit Engeland. In die fase laat Buijs de onderhandelingen met de NS-directie over aan andere NSF-leden. “Ik ben daarvoor eenmaal bij Hupkes geweest. Ik had het n.l. veel te druk om daar steeds naar toe te gaan. Van Hall is er meerdere malen geweest en ook naar ik meen Gijs van Hall 1 of 2 keer. Het gesprek dat wij hebben gehad ging in hoofdzaak om het punt wie de uitkering aan de stakende arbeiders enz. zouden doen. Wij stonden er op dat wij dat zouden doen, omdat wij de illegaal geschoolde krachten hadden. Hupkes en Joustra vooral wilden dit niet, maar het NSF heeft dit, behoudens kleine uitzonderingen, toch gedaan.”

De belangrijkste werknemersvereniging van de NS stelt hoge eisen aan subsidiënt NSF. Om de staking gaande te houden, zo verlangt Personeelraad-voorzitter Joustra, moeten niet alleen de salarissen worden doorbetaald, inclusief de overwerkpremies, maar dient er ook een kerstgratificatie te komen. Bovendien eist hij dat communistische voormannen worden uitgesloten van betaling. Joustra ziet ze als opponenten van de Personeelraad en wil voorkomen dat ze na de oorlog te veel invloed krijgen via hun eigen vakbond. Aan dat laatste decreet komt het zoveel mogelijk a-politiek manoeuvrerende NSF niet tegemoet, maar de uitbetaling van de reguliere lonen en toeslagen vindt wel doorgang. Een geïrriteerde Buijs: “Er is zeer gebrekkig geholpen van de zijde van de NS. Het waren geen illegaal beproefde mensen, die bij de spoorwegen werkten. Het was buitengewoon moeilijk om met die mensen contact te leggen.”

Uit hetzelfde verslag: “De heer Buijs zegt dat Joustra, voor zover hem bekend, helemaal niet populair was. Hij heeft z.i. door de uitkeringen in eigen hand te willen houden getracht goed te maken wat hij in de eerste oorlogsjaren bedorven had. De heer Buijs merkt op dat de heer De Boer uit Haarlem met nog iemand bij hem geweest is om te informeren wat zij moesten doen. Zij zeiden dat zij liever geen geld ontvingen dan dat zij het van Joustra zouden krijgen. De heer Buijs zei hen toen dat zij niet al te onsympathiek tegenover Joustra moesten staan en hij beloofde hun dat de Joustra-groep in Haarlem bij de NSF-groep zou worden ingeschakeld.”

Vader en zoon Buijs zetten zich belangeloos in om de landelijke werkonderbreking tot een succes te maken. Cees: “Nog hoor ik het gejank der honden en katten, die op 5 december voor onze deur stonden. Want wat was het geval? In de gang stonden 2 kisten vol paling, bestemd als sinterklaascadeautje voor de spoorweglieden. Het hele huis rook er naar en wij liepen de gehele dag te watertanden. Wat hadden we er zelf graag eentje op onze boterham gehad.”

De erecode staat het niet toe. Cees Buijs: “Nog voelen wij de aardappelklei tussen onze vingers bij de verdeling der piepers, die met vele omzwervingen op de plaats van bestemming moesten komen. Ja, veel is er gezwoegd en gesjouwd en slechts weinigen weten hoeveel. Want bij alle dankbaarheid waren er nog velen, die niet begrepen wat een enorm werk er aan vast zat om aan al hun behoeften tegemoet te komen.”

Het NSF beheert miljoenen guldens. Slechts een klein deel daarvan blijft binnen de eigen organisatie, en dan nog alleen om de lopende kosten te dekken. Jaap Buijs: “Men heeft bij het NSF altijd op het standpunt gestaan dat men niet werkte om zichzelf te verrijken. Men vond ook dat de bonkaarten gratis uitgereikt moesten worden. Toen onder andere bleek dat er op het gebied van de voedselvoorziening begunstiging van illegale werkers voorkwam, is Wally van Hall hier fel tegenop gekomen in de Kern.”

Aan bovenstaand citaat voegt Buijs in eerste instantie toe dat Van Hall en hij tijdens een bezoek aan de LO worden verwelkomd met gebakken eieren, een zeldzame lekkernij tijdens de hongerwinter. Van Hall levert volgens hem stevige kritiek op deze ‘vriendjespolitiek’. In het eindverslag is deze sneer aan de LO op verzoek van Buijs verwijderd, waarschijnlijk om politiek-correcte redenen. De Kern-notulen geven er nog wel iets over prijs, onder de kop: ‘Houding en levenswijze van ondergrondse werkers’: “Klachten van niet-illegale burgers dat illegale werkers veel te royaal leven. ‘Als je maar illegaal werkt, dan heb je een herenleventje: veel eten, veel roken en geld genoeg’, werd in Amsterdam gehoord.”

Jaap Buijs heeft zijn handen vol aan nog een nieuw initiatief, de Stichting 1940-1945. Al in 1943 speelt het idee van de naoorlogse verantwoordelijkheid voor de verzetsmensen en hun families. LO-medewerker Piet Verburg ontwikkelt daartoe Plan-F. Hij is weinig optimistisch over hetgeen de vaak door oorlogsleed getroffen verzetsgezinnen na de oorlog kunnen verwachten van de grote massa, die zich al die jaren afzijdig heeft gehouden. “Wat zal het verzet derhalve straks aan omzetting der geesten kunnen doen?”, piekert hij. “Is het niet geraden om, wanneer de illegaliteit hier een taak heeft, zich niet door de vrede te laten overrompelen, doch straks klaar te zijn? En vraagt dit niet weer aansluiting, bundeling?”

De LO-Topvergadering komt in het voorjaar van 1944 tot een uitwerking van zijn ideeën. De ondersteuning van oud-verzetsmensen en hun gezinnen, financieel en anderszins, staat daarbij centraal. Verder is er aandacht voor het in ere houden van de verzetsgedachte en het geven van advies over zuivering en berechting van oorlogsmisdadigers. Via de LO komt Plan-F terecht bij de Kern. Daar krijgt het een enthousiaste ontvangst. Het uitwerken van de taken wordt in handen gelegd van een kleine groep onder auspiciën van de Kern. Een van de deelnemers is Jaap Buijs. Namens het NSF begeeft hij zich in de lente van 1944 naar de achterkamer van een zaak in scheepsbenodigdheden aan de Amsterdamse Prins Hendrikkade. Het is de eerste vergadering van deze interim-werkgroep. Het voornaamste agendapunt: de structuur van de toekomstige organisatie. Verburg: “Nimmer is daarbij ernstig in geding geweest de grondgedachte, die reeds bij het initiatief in de zomer van ’43 had voorgezeten en die toen zo uitgedrukt was, dat een verzetsweduwe nooit zich gedwongen mocht zien om aan een ambtenarenloket te komen soebatten – nooit is deze grondidee ernstig aangevochten: hierover was men het eens! Doch ook daarover, dat straks de basismiddelen van de overheid zouden moeten komen. In weerwil van deze vaste uitgangspunten bleef er evenwel nog veel te formuleren, te definiëren, te beslissen over.”

Keer op keer reist Buijs voor overleg naar Amsterdam, eerst nog per trein en na de spoorwegstaking fietsend. Bij de werkgroep overheerst een gevoel van urgentie. De geallieerde legers nemen nazi-Duitsland in een houdgreep en het einde van de oorlog lijkt een kwestie van weken. Besloten wordt een plenaire vergadering te organiseren, waar de leiders van alle vooraanstaande verzetsorganisaties hun zegen moeten geven aan de te vormen organisatie. “Het was de gevaarlijkste vergadering die ik ooit in de oorlog had bijgewoond. Je wist niet wie wie was. Er kon een provocateur onder ons zijn. We konden overvallen worden”, zegt Vrij Nederland-vertegenwoordiger Arie van Namen. “Ik had helemaal geen idee waar het zou zijn. Ik had het bericht doorgekregen dat ik ’s ochtends om half tien bij het Rijksmuseum moest zijn. Daar zou een vent mij afhalen. Ik had een stukje papier gekregen. Hij had ook zoiets. Die twee stukjes moesten op elkaar passen. Een Turks pasje noemden ze dat in de illegaliteit. Het klopte. Ik had ook een wachtwoord, maar dat ben ik vergeten.”

De vergadering op 13 oktober verloopt zonder problemen. Een van de aanwezigen -er zijn afgevaardigden van 21 organisaties- komt op het idee de nieuwe organisatie te tooien met de naam Stichting 1940-1944. Het tekent het algemene optimisme over een snelle afloop van de oorlog. Jaap Buijs neemt namens de vakgroep Natura en het Nationaal Steunfonds zitting in het bestuur. Hij krijgt gezelschap van zes collega’s, die zowel de linkse als de rechtse verzetsorganisaties representeren. Ze tekenen een door Johan van Lom opgestelde concept-stichtingsakte waarop het verboden oranjezegel prijkt, al gebruiken ze daarvoor wel hun schuilnamen. “Om uitdrukking te geven aan het verantwoordelijkheidsgevoel van de deelnemers aan het binnenlandse verzet gedurende de bezetting voor elkanders moeilijkheden en noden, besluiten ondergetekenden, daartoe aangezocht door de vertegenwoordigers van nagenoeg alle illegale groeperingen

Jan van Andel te Assen,
Andries Bartels te ’s-Gravenhage,
Dolf de Bruyn te Amsterdam,
Hugo den Hollander te Hilversum,
Bob Martel te Amsterdam,
Jan Ruys te Amsterdam,

een bedrag van ƒ100,- af te zonderen en daarmede in het leven roepen en te Amsterdam te vestigen de Stichting ‘1940-1944’.” Tot aan het januariverraad zal het bestuur om de veertien dagen vergaderen, op telkens wisselende adressen.

Ook op andere terreinen moeten er natuurlijk maatregelen genomen worden om de overgang van nazi-dictatuur naar parlementaire democratie zonder grote schokken te laten verlopen. Het leidt tot felle discussies tussen de linkse en rechtse stromingen binnen de illegaliteit. Buijs en Van Hall zijn aanhangers van de Nederlandse Volksbeweging (NVB), een brede, progressieve partij die gegrondvest moet zijn op zowel het humanisme als het christendom. Een in het gijzelaarskamp van Sint Michielsgestel opgesloten groep politici heeft hierover de eerste gedachten geformuleerd en er een basis voor gelegd. Maar naarmate de bevrijding dichterbij komt worden er ook plannen ontwikkeld voor een Nationale Adviescommissie (NAC) die, bij gebrek aan een gekozen parlement, de regering tot aan de eerste vrije verkiezingen terzijde moet staan. De Grote Adviescommissie der Illegaliteit (de uiteindelijke bundeling van het verzet) is voorstander van een uit ruim vijftig leden bestaande NAC. De vertegenwoordigers van dit college dienen afkomstig te zijn uit het verzet, de vooroorlogse politieke partijen en sociaal-economische organisaties.

Buijs en Van Hall zijn bang voor een herhaling van de polarisatie en de verzuiling zoals die ook bestond aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. LO-leider Heinrich Douqué: “Dijkstra [het pseudoniem van Lambertus Neher, E.S.], Van Tuyl [Van Hall] en Buijs hadden plannen over politieke groeperingen voor na de bevrijding, naar aanleiding van de telegrammen die van de overkant gekomen waren. In een Kern-vergadering zaten Van Tuyl, Buijs en Dijkstra fel in de oppositie tegenover ons; Henk [Henk Dienske], Hugo [Teus van Vliet] en mij. Wij zaten naast elkaar.” De drie conservatieve LO-leiders hebben in de ogen van hun opponenten geen alternatief voorhanden: “Oefen maar kritiek, maak liever een plan”, klinkt het van NSF-/NC-zijde. “Goed, dan zullen wij een plan maken”, reageren de LO’ers. “We hebben toen met z’n drieën een plan opgemaakt en dat plan is eigenlijk helemaal overgenomen. Daaruit is het basisplan van de Nationale Adviescommissie ontstaan”, zegt Douqué. Buijs en Van Hall komen er niet aan toe om op het beslissende moment hun ideeën over de ‘doorbraakgedachte’ uit de doeken te doen. Buijs zit dan namelijk al enkele maanden gevangen, Van Hall is inmiddels om het leven gebracht.

Begin 1944 hebben het Nationaal Comité van Verzet, het NSF en de LO de al eerder genoemde vakgroep Natura opgericht, die met name zeemansvrouwen en verzetsmensen moet voorzien van voedsel, kleding, papier en andere goederen. Veel verzetsmensen raken ondervoed en het komt zelfs voor dat een NSF-inspecteur geveld door de honger flauwvalt langs de kant van de weg. De voormalige luitenant-ter-zee Jan Bottema (‘Van Buuren’) krijgt de dagelijkse leiding over Natura, Buijs wordt voorzitter. Het inzamelen van goederen komt moeizaam op gang, maar in juni 1944 ontstaan er her en der voorraaddepots, vooral in de grote steden. De spoorwegstaking van september, verscherpte controles en Duitse voedselvorderingen gooien vervolgens roet in het eten.

Rond de jaarwisseling van 1944/’45 stuurt Walraven van Hall een brief aan kapitein Filippo. “Onze vriend Van Buuren had begin september zijn post verlaten, zodat Natura vrijwel stil lag. Het is nu weer op gang gebracht, zodat de dames dezer dagen weer eens wat zullen ontvangen. De textiel was nog net goed gegaan, alhoewel wij eerst vreesden dat door de arrestatie van Ter Heiden de zaak scheef lag. Ter Heiden is dezer dagen gelukkig weer vrij gekomen. De gehele voorraad die er was is echter verloren gegaan. We mogen van geluk spreken dat de pakketten voor onze dames net de deur uit waren. Met Van Buuren staat de zaak slechter. Hij werd in Alkmaar gearresteerd, wist te ontsnappen, maar werd enige uren later gegrepen. Sindsdien horen wij niets meer en is ook niet bekend waar hij zit.”

In kort bestek schetst de NSF-voorman hiermee de problemen met Natura. Jan Bottema is begin november 1944 gearresteerd bij een wegcontrole en -maar dat weet Van Hall nog niet op het moment van schrijven- op 17 december in Wormerveer gefusilleerd bij wijze van represaille. Bernard Terheijden (‘Ter Heiden’) levert met zijn Industrie- en Handelsonderneming Zürcher & Co. kleding en schoenen aan Natura, met als eindbestemming tal van verzetsgroepen. “Aanvankelijk betrof het uitsluitend textielgoederen voor hulp in de gezinnen [van zeelieden, E.S.], totdat de heer Van Hall met de leiders der verschillende verzetsgroepen mij een bezoek brachten en er op aandrongen de textielinzamelingen uit te breiden in de meest uitgebreide zin, met inbegrip van schoenen, omdat de situatie in Nederland de vorm had aangenomen dat alle verzetsgroepen moesten worden voorzien. Verpleegstersuniformen en kousen en schoenen voor de ordonnansdiensten, herenkleding voor gedropte personen, dekens voor verzetsgroepen, waarvoor mij een lijst van ca. 16 illegale groepen en adressen ter hand werd gesteld.” Maar ook Terheijden wordt in november opgepakt.

Aan Jaap Buijs de taak om orde op zaken te stellen, als voorzitter van Natura en lid van de daaraan gekoppelde Textielcommissie. Het lukt om met name in en rond Amsterdam en Den Haag de organisatie weer een beetje op poten te zetten. Zo kunnen gastvrouwen van joodse onderduikers en partners van zeelieden (de door Van Hall genoemde ‘dames’) zich bij winkelfilialen melden. Op vertoon van voedselbonnen ontvangen ze er heimelijk ingezamelde levensmiddelenpakketten. Fabrikanten stellen goederen beschikbaar, van het platteland worden voedselvoorraden gesmokkeld. Diverse Zaanse bedrijven verkopen artikelen op de pof. De oliefabrieken Het Hart en De Zwaan bijvoorbeeld leveren Natura 10.000 kilo gemalen koolzaad, oliefactorij Pieter Bon ijzeren vaten voor de opslag. Cees Buijs: “De krappe aardappelsituatie maakte de toestand niet makkelijker, ofschoon enkele malen clandestiene schepen clandestiene aardappelen uit Friesland hebben gehaald, welke speciaal voor onderduikers werden bestemd. Ook door het laten onderduiken van schepen met levensmiddelen en goederen, bestemd voor de Duitsers, die dan plotseling met schipper en al ‘spoorloos verdwenen’, is men in het bezit gekomen van levensmiddelen, bestemd voor onderduikers. Wanneer het dan gebeurde dat door verraad zo’n opslagplaats door de Duitsers werd leeggehaald, stond het huilen ons nader dan het lachen.

“8 januari [1945]. De termijn van aanmelding voor de Arbeidseinsatz is voorbij. In Zaandam hebben zich van de 8.000 mannen die er voor in aanmerking kwamen ongeveer 400 gemeld, waaronder vele invaliden en personen die toch vrijgesteld zouden worden”, noteert historicus Gerrit Jan Honig in zijn oorlogsdagboek. De geringe meldingsbereidheid van de beoogde dwangarbeiders is mede het gevolg van spoedoverleg tussen de Zaanse verzetsleiders. De bezetter gebruikt de kerstdagen om een algemene arbeidsdienstplicht voor mannen van 16 tot 40 jaar af te kondigen. Radio Oranje bericht daarop de Nederlandse bevolking dat medewerking wordt gelijkgesteld aan collaboratie en roept op tot een boycot. De Duitsers op hun beurt dreigen met straffen voor weigeraars. Ze zetten aanplakbiljetten in om dwangarbeiders te ronselen.

Op initiatief van de Kern en de Grote Adviescommissie der Illegaliteit wordt het Landelijk Werkcomité (LWC) opgericht, dat als oogmerk heeft om de arbeidsplicht te ontregelen. Ook binnen het LWC is Van Hall de spin in het web, nationaal en regionaal. Eerste kerstdag komt er een Zaanse verzetsdelegatie bijeen in zijn woning. De deelnemers bespreken de mogelijkheden om weerstand te bieden. LO-voorman Kees Kraay: “De zondag dat die bekendmaking aangeplakt was hebben wij samen met Buijs en Van Hall en Sabel, een NC-man, een manifest opgesteld. Dat is gedrukt en opgeplakt en er is meteen besloten door te geven dat alle bevolkingsregisters gekraakt moesten worden in de nacht van tweede kerstdag en de dag erop.” De makers van het illegale dagblad De Typhoon vermenigvuldigen de pamfletten met een oproep tegen de zogenoemde Liese-Aktion. Ze worden nog dezelfde kerstnacht over de Duitse posters geplakt.

In de weken erna dient de tekst als voorbeeld elders in Nederland. Knokploegen die her en der gemeentehuizen ontdoen van persoonsgegevens completeren de tegenstoot. “Wat er voor een dergelijk werk aan organisatie nodig is, kan moeilijk worden beschreven”, memoreert een verzetsman. “Iedereen die er ook maar iets mee te maken had kwam in het gareel. Alle gemeentehuizen moesten worden bekeken, maar gelukkig was het in vele kleine plaatsen zo dat de zaak allergenoeglijkst met de bewaking in orde gebracht kon worden.” Ondanks straatcontroles en razzia’s wordt de arbeidsplicht een mislukking.

Op 12 januari 1945 eindigt Buijs’ voorzitterschap van de Kern. Onafhankelijk van elkaar zijn daarvoor twee redenen. Allereerst verspreidt het Landelijk Werkcomité die vrijdag een ondergronds communiqué waarin het de opheffing van de Kern bekendmaakt: “In verband met de actie tegen de afgekondigde arbeidsdienstplicht hebben de gezamenlijke verzetsbewegingen in Nederland een Landelijk Werkcomité gevormd (kortweg LWC). De werkcommissie van de Kern houdt hiermede op te bestaan.” De Kern heeft voldaan aan haar zelfbenoemde opdracht om de illegale samenwerking te bevorderen. Het is tijd voor een organisatie die zich richt op de komende bevrijding, een taak die de leden van de Kern zichzelf nadrukkelijk hebben onthouden.

Een fatsoenlijk afscheid als leidsman is Jaap Buijs niet gegund. Uitgerekend op de dag dat de Kern plaatsmaakt, leidt Johan van Lom de Sicherheitsdienst naar zijn Amsterdamse woning, met de aanhouding van de Zaanse houtverkoper en twee van zijn kameraden als resultaat.

6.

Buijs’ arrestatie is een gevoelige slag voor zowel het nationale als het Zaanse verzet. In Zaandam worden de mogelijkheden onderzocht om hem vrij te krijgen. Een bevrijdingsactie in de zwaar bewaakte gevangenis aan de Weteringschans is onmogelijk. Eerdere pogingen zijn mislukt en het huis van bewaring is sindsdien alleen maar beter beveiligd. “Er moest dus gewerkt worden met list”, aldus een anoniem verslag over het Zaanse verzet. “In eerste instantie was het natuurlijk de bedoeling de Duitsers te overtuigen dat men hier te doen had met een idealist, die op een of andere manier toevallig bij het complot gekomen was. De opzet hiervan was te bewijzen dat ‘Ruijs’ zijn gehele leven lang bezig geweest was de wereld te hervormen, dat hij als Unie-secretaris niet anti-Duits geweest was en zuiver om de mensheid te helpen aan het plan-F [de grondslag voor de Stichting 1940-1945, E.S.] wilde meedoen. Werkelijk gelukte het door [politieman] Jansen om deze mening een beetje ingang te doen vinden, ofschoon het toeval wilde dat vrijwel onmiddellijk na zijn arrestatie het arbeidsbureau in Zaandam in de lucht vloog en natuurlijk de SD het een fraaie gelegenheid vond ‘der Alte’, zoals ze hem noemden, onmiddellijk als represaille neer te schieten. Gelukkig was Jansen net aanwezig bij het binnenkomen van deze melding en gebruikte hij al z’n redenaarskunsten om dit voornemen niet uit te voeren. Het gelukte en tenslotte heeft het arbeidsbureau geen slachtoffers gekost.”

Tonny Jansen keert onverrichter zake terug. Hij is teleurgesteld, en niet alleen omdat Buijs nog vast zit. De politie-inspecteur heeft zich de eerste oorlogsjaren loyaal opgesteld tegenover de bezetter en hoopt, nu de krijgskansen gekeerd zijn, de illegaliteit te paaien. In een naoorlogs proces tegen Jansen komt diens opportunisme bij het lospraten van de Zaanse houthandelaar ter sprake. De rechter leest daarbij een verklaring voor van oud-burgemeester Vitters. Die citeert Jansen: “Ik ben link, zeer link. Als het me lukt Buijs vrij te krijgen, ben ik voor de toekomst gedekt.”

De Zaanse illegaliteit besluit een nieuwe poging te wagen om Buijs los te krijgen, dit keer met behulp van de beroemde actrice Tilly Périn-Bouwmeester. Zij woont in Zaandam en blijkt bereid om op SD-hoofd Willy Lages in te praten. “Werkelijk zag ze kans tot Lages door te dringen en zelfs eenmaal met hem te spreken. Een ogenblik leek het of hij bereid was om op het verzoek in te gaan, maar tenslotte verklaarde hij kort en goed dat ‘Ruijs’ te gevaarlijk was om losgelaten te worden. Wel heette het dat ‘Ruijs’ goed behandeld werd. Lages zei doodleuk dat hij er persoonlijk voor had zorg gedragen dat ‘Ruijs’ goed behandeld werd en goed te eten kreeg. Het behoeft geen betoog dat er natuurlijk weer niets van waar was en dat ‘Ruijs’ op de rand van hongeroedeem bij de bevrijding uit de gevangenis kwam.”

De behandeling van Jaap Buijs laat inderdaad te wensen over, zo is te lezen in zijn dagboeknotities. “19-1: Opnieuw uit mijn cel gehaald. Thans werd ik door een zekere Rühl langdurig en zeer scherp verhoord. Ik had echter de tijd gehad om na te denken wat ik zou zeggen en hij kwam dan ook niets bijzonders te weten. Tenslotte werd hij razend en beet mij toe: ‘Je dacht zeker je vrienden te sparen, maar die hebben we spoedig genoeg te pakken, ook je vriend v. Hall. We weten waar ze vergaderen en dan spreken we elkaar wel nader’. Ik gaf hier geen antwoord op, waarop hij zei: ‘Ga maar eerst weer een 14 dagen naar je donkere celletje, dan kom je wel bij’. Door de onmacht om ze te waarschuwen raakte ik in een moedeloze bui en kon niet meer slapen.

(Ongedateerd): Plotseling werd 28 januari de bewaking zeer streng. De wachtmeesters liepen zwaar bewapend rond en machinegeweren waren in de gangen opgesteld. Ook honden liepen rond. Dit hoorde ik door medegevangenen aan elkaar vertellen. Daar ik nooit gelucht werd heb ik het zelf niet gezien. Ze vreesden, zo zeiden ze, dat de gevangenis zou worden overvallen. Mijn behandeling werd hoe langer hoe slechter. Weinig eten, verrotte aardappels, geen vet en geen verwarming. Twee zeer dunne dekens, een strozak zo goed als zonder stro op de stenen vloer. Bovendien geen licht.”

De aanvoer van extra bewakers heeft te maken met de komst van nieuwe arrestanten naar de Weteringschans, onder wie enkele landelijke kopstukken. Hun aanhouding is een uitvloeisel van het door Johan van Lom in gang gezette verraad. Op 19 januari, een week na het oppakken van Jaap Buijs en diens vergaderpartners, spreekt Van Lom met LO-vertegenwoordiger Teus van Vliet. De twee organiseren een nieuw overleg, op 26 januari. Maar de rechtenstudent verraadt ook deze bijeenkomst aan Friedrich Viebahn. Die ziet daardoor zijn kans schoon om de eerder ontsnapte ‘Hugo’ alsnog vast te zetten. Door alleen Van Vliet te arresteren -hij wordt buiten de vergaderlocatie aangehouden, zogenaamd wegens fietsendiefstal- hoopt Viebahn verdenkingen te voorkomen tegen zijn V-Mann Van Lom. Viebahn zelf verhoort zijn jongste prooi. Tot zijn verbazing haalt Van Vliet al snel een briefje tevoorschijn met een verwijzing naar een vergadering die gepland is op de 27ste. De Sicherheitsdienst neemt daarop bezit van het pand waar het genoemde overleg die dag zal plaatsvinden en wacht af. Een voor een lopen de verzetsmensen in hun val: Henk de Jong (Trouw), Frits Nieuwenhuijsen (Nationaal Comité van Verzet/Grote Adviescommissie der Illegaliteit), Jan Goedkoop (Binnenlandse Strijdkrachten), Walraven van Hall en als laatste Hanneke Eikema. De mannen krijgen een plek in de gevangenis aan de Weteringschans, koerierster Eikema verdwijnt in een cel aan de Amstelveenseweg.

Jaap Buijs heeft uiteraard geen flauw idee van de jongste ontwikkelingen. “2-2: Opeens ging mijn celdeur open en tot mijn grote ontsteltenis kwam Wally tussen 2 D. wachtmeesters mijn cel binnen. Hij werd er meteen weer uitgeleid. Of dit opzet of een vergissing was weet ik niet. Daarna hoorde ik de cel naast mij opengaan en hij werd daarin opgesloten. Even daarna begon hij te tikken, maar daar ik nooit enig contact met een andere gevangene had gehad verstond ik dat niet. Hij kwam toen met z’n mond voor de spleet van z’n raam, riep mij op en vertelde dat hij 27-1 was gearresteerd. Hij had eerst in een lichte cel aan de overkant doorgebracht en was nu overgebracht. ‘Hoe komt het in Godsnaam dat jij in zo’n smerige cel zit?’ Ik zei hem dat ik niets had bekend en dat waarschijnlijk de straf was. Hij legde me toen uit hoe het tikken in z’n werk ging en we hebben toen tot ’s avonds laat, zeer tot ongenoegen van onze medegevangenen, met elkander tikkend gesproken. Ik was toen zo moe door de inspanning dat ik voor ’t eerst vast heb geslapen.

3-2: Ik werd uit mijn cel gehaald en zag toen Wally buiten zijn cel staan. We werden tegenover elkaar gezet. We gaven er geen blijk van elkaar te kennen. Men wist dus blijkbaar niet dat hij bij mij in de cel was geweest. Ik werd daarna zeer langdurig door Rühl verhoord. R. werd woedend dat ik niets bekende

Teus van Vliet gaat wel ten onder aan de geestelijke pressie. Hij stelt voor de Duitsers een organogram samen van de Nederlandse illegaliteit, compleet met de schuilnamen van de verzetsleiders. Aan de hand van het gedetailleerde schema, dat als productiedatum 6 februari heeft, kunnen Rühl en Viebahn hun tegenstanders verder onder druk zetten. Buijs: “7-2/8-2: Bitter koud, eten ellendig en veel te weinig. Echter vele goede gesprekken met Wally, die echter vooral de 8ste zeer somber was en veel steun nodig had, daar ze alles van hem wisten, ook dat hij v. Tuyl was. Beiden probeerden wij te gissen wie dit allemaal gezegd kon hebben. Wat is het ellendig als je dan een makker alleen maar kunt vertroosten door dat koude tikken. Je zou hem zo graag eens de hand willen drukken en hem laten voelen hoe je meeleeft.

9-2: Opnieuw verhoord. Ze bleken nu ook van mij alles te weten. Alleen het NSF-verband wisten ze niet. Toch was ik nu overtuigd dat ik er ook niet door zou komen. Dit met Wally besproken, die mij toen vertelde dat daar toch wel kans op was. Er scheen iets tussen te zijn waardoor dit niet zou gebeuren. ’t Was gek, maar er zat een zekere troost in dat Wally nu niet alleen die ellende doormaakte, maar je zelf ook onder dezelfde druk leefde.

10-2: Wally jarig. Diep ontroerend was deze dag, daar zijn zaak er steeds slechter voor kwam te staan en hij thans beslist overtuigd was er niet door te komen. ’s Middags weer verhoord. Rühl zei dat hij nu verlangde dat ik los zou komen en zou zeggen hoe het NSF werkte. Hugo had alles gezegd en ontkennen gaf niet. Als bewijs zei hij dat v. Hall hoofd van het NSF was en ik zijn plaatsvervanger. Ook thans weer alles ontkend.

11-2: Opnieuw verhoord. Heb bekend dat ik voorzitter van de Kern en Natura was, doch heftig ontkend dat ik iets van het NSF afwist. Dit teneinde niet gedwongen te zijn iets van Wally te moeten zeggen. Heb geen enkele naam genoemd. Rühl noemde mij echter keurig alle deelnemers aan de Kern-vergaderingen, die hij op een lijstje had.

12-2: Een der ellendigste dagen van mijn leven. Wally werd 2x achter elkaar uit zijn cel gehaald. De tweede keer zei hij dat hij hoed en jas had moeten inleveren en dat dit het einde betekende. Hij verzocht mij verder te luisteren en gaf bepaalde wensen op voor toezicht op zijn kinderen, enz. Ik zei hem dat ik, wanneer ik er doorkwam, zoveel mogelijk de kleine zorgen voor zijn gezin zou trachten dagelijks weg te nemen en verder zou doen wat ik kon. Hij zei dat hij dat mij geeneens wilde vragen. Omdat hij mij kende sprak dat voor hem vanzelf. Half vier werd hij weer gehaald en toen hij terugkwam zei hij dat hij ’s avonds met anderen gefusilleerd zou worden. Hij vroeg mij aan Til mee te delen dat zijn laatste gedachten bij haar en de kinderen zouden zijn. Daarna zei hij dat hij een vreselijke strijd had om van zijn liefste te scheiden en nam toen afscheid. Totaal kapot was ik. Wat is de vrijheid duur gekocht. Toen ik het barse bevel hoorde om uit zijn cel te komen wist ik mij geen raad meer.”

Van Hall wordt het slachtoffer van een roofbende die twee dagen eerder in Haarlem een lid van de Feldgendarmerie doodde. De SD neemt zoals gebruikelijk represailles. Met zeven anderen wordt de spil van de Nederlandse illegaliteit per overvalwagen naar de Haarlemse Jan Gijzenkade gereden. De Duitsers drijven daar een groep passanten bijeen en dwingen hen om getuige te zijn van de executie. Een van hen schrijft later zijn ervaringen op. “Mensen keerden zich af, maar ogenblikkelijk liepen soldaten toe om hen tot kijken te dwingen. Er werd gestompt, geslagen. Ik zag dat de oude man helemaal rechts langzaam zijn hoofd hief. Opnieuw commando’s. Ik sloot mijn ogen. Stilte. Een kort bevel. Schoten. Oorverdovend. De volgende dag begraaft de NSB’er Johannes Bleekemolen de acht doden in de Kennemerduinen. Het is voor hem een routineklus. De Amsterdamse begrafenisondernemer vervoert inmiddels elke week omgebrachte verzetsmensen naar het duingebied bij Bloemendaal.

De reeks arrestaties versterkt bij de achterblijvers het vermoeden dat er sprake is van verraad. Johan van Lom is de meest voor de hand liggende dader. Rechercheurs van de Landelijke Knokploegen sporen hem op, waarna de koerierster Wilhelmina van den Donk de opdracht krijgt om met hem af te spreken. Dat gebeurt op 5 maart. “Nadat er een onderzoek was ingesteld, stond het zo goed als vast dat hij degene moest zijn die verraad gepleegd had”, schrijft ze. “Besloten werd dat Van Lom gearresteerd en terechtgesteld zou worden. Ik zou naar hem toegaan en hem zeggen dat er een vergadering was belegd en hem dan meenemen naar de afgesproken plaats, waar verschillende leden uit de top LO, LKP, CID en Stichting op hem zaten te wachten. Indien hij schuldig werd bevonden, was al in een voorgaande vergadering besproken, zou hij uit de weg geruimd worden, omdat het een te groot risico was hem te laten lopen, daar hij te veel wist en te goed in de illegaliteit ingevoerd was.” LKP’er Henk van Riessen: “Ik maakte met Sanders van de CID een afspraak om Van Arkel te verhoren. We nodigden ook een politieman uit Halfweg uit. We ontboden Van Arkel bij de Westerkerk en van daar werd hij naar een huis aan de Keizersgracht gebracht. Daar moest hij drie keer z’n verhaal vertellen. Onwaarheden kwamen dan wel tevoorschijn. Bij de eerste keer viel hij al door de mand.”

Willem Sanders, een topman van de Centrale Inlichtingendienst, verhoort de aankomend jurist daarna nog een keer alleen. Van Lom, geconfronteerd met het verband tussen zijn buitenechtelijke relatie en zijn werk voor de SD, stort in elkaar. “‘Wie heeft u dat verteld?’, vraagt hij. ‘Dat hebt u zelf verteld’, zegt Sanders. ‘Het volgt logisch uit uw verhaal’.” Van den Donk: “Van Lom was erg angstig over wat hem te wachten stond. Hij stelde hier vragen over. Er werd hem geantwoord dat hij maar eens achter zich moest kijken wat het gevolg was van zijn verraad, dan kon hij het misschien zelf wel concluderen.”

Van Loms bekentenis wordt vastgelegd in een proces-verbaal, dat alle aanwezigen ondertekenen. De serie verhoren heeft veel tijd gevergd. Het is inmiddels 6 maart, vroeg in de ochtend. Johan van Lom krijgt een kop thee met een cyaankalitablet voorgeschoteld. Maar het gif lost onvoldoende op. De aanwezige illegalen besluiten daarom een pistool te gebruiken. De ter dood veroordeelde wordt naar buiten gebracht, waar een LKP’er om 6.00 uur het vonnis voltrekt.

Terwijl Van Lom zijn verhoor ondergaat is Jaap Buijs in gedachten bij Walraven van Hall. “De oorlogsberichten worden steeds beter. Op zichzelf verheugend, maar ik kan maar niet over de dood van Wally heenkomen. Als ik verheugd moest zijn ben ik juist verdrietig. Eén troost heb ik. Misschien mag ik toch nog aan zijn vrouw vertellen wat hij mij heeft gezegd. O, kon ik haar maar wat steunen in haar ongetwijfeld bittere leed”, noteert hij begin maart. Pas een maand later verneemt hij wie zijn verrader was. “Kwamen te horen dat Lom ons had verraden en later nog een groep van Het Parool door hem was aangebracht. Hij was door de illegaliteit gepakt, had een verhoor ondergaan en was daarna gefusilleerd. Wij konden het haast niet geloven.”

Vanaf het moment dat Buijs er getuige van is hoe zijn vriend wordt weggevoerd om te worden gedood vechten wanhoop en strijdvaardigheid om de eerste plaats. “12-2/18-2: Totaal kapot. Ik kon niet meer slapen en niet eten en dan die vreselijke koude. Mijn verjaardag, 17-2, gaf mij alleen maar aanleiding om te piekeren hoe het thuis toch zou zijn, daar ik niets hoorde. En dan het denken aan de vrouw van Wally. Ik wist hoe ze van elkaar hielden en dan in te denken hoe ze zou zijn, terwijl ik niet in staat was om iets over te brengen, terwijl dit toch wel iets tot troost had kunnen zijn. Weer enige malen uit mijn cel gehaald en teruggebracht.

18-2/19-2: Opnieuw verhoord en 19-2 werd proces-verbaal opgemaakt. Rühl was zo razend dat hij uitriep dat Duitsland nog geheime middelen voor oorlogvoering had en die zou toepassen en wat dan over was van die vervloekte Hollanders zou met dat dikke wijf uit Engeland (onze koningin) naar Polen worden getrapt en de Duitsers zouden dan Holland bij hun Rijk voegen. Ik haalde slechts mijn schouders op. Wat moet je anders doen.

Nacht 19-2/20-2: Ik had deze nacht een wonderlijke belevenis. Ik was even ingeslapen en werd met een schok weer wakker en zag dat mijn cel heel flauw verlicht was. Ik stond op en liep op de muur toe, waar ik tegenop liep, daar de cel groter leek dan hij was. Ik las op de muur: ‘Houdt vooral moed’, met licht potloodschrift geschreven. Het was alles zeer wonderlijk, te meer omdat ik het de volgende dag met grote moeite inderdaad op de muur geschreven vond. Men kan dit nu aan mijn geëxalteerde toestand toeschrijven, ik heb er toen een andere conclusie uit getrokken.

22-2/2-3: Tobben -koude-, honger en verdriet. Ik kan niet meer heenkomen over het verdriet van Wally, die prachtkerel. ’s Avonds 2 maart wist ik me geen raad meer en heb God gebeden om uitkomst. De volgende morgen half tien kwam een D. wachtmeester mijn cel binnen. Ik moest dekens enz. meenemen en werd naar cel 7A1 gebracht, waar ik tot mijn grote vreugde aantrof A.H. v. Namen, een jonge advocaat met wie ik had samengewerkt om de Stichting voor te bereiden. We hebben eerst wat tranen gelaten, vooral toen ik hem vertelde dat v. Hall was gevallen. Toen vertelde hij mij dat hij zich de vorige avond zo ellendig had gevoeld dat hij gebeden had om gezelschap te krijgen en, zo zei hij: ‘In gedachten heb ik er toen aan toegevoegd dat dat zo mogelijk ‘Vader Buijs’ mocht zijn’. Alles was hier veel beter. ’s Middags kwam er zon in de cel, er was waswater en ik kreeg schoon ondergoed. Alleen de honger en de koude waren bijna niet te verdragen.

11-3: Die Hugo is een rotkerel. Hij krijgt voortdurend pakketten van huis en tikt dan aan Arie wat er allemaal in zit, terwijl die toch al zoveel moeite heeft met de honger. Gevoelloos van dat heer. Ik begin hoe langer hoe meer behoefte te krijgen aan mijn bril, daar Arie mij steeds uit de bijbel voorleest, maar zo’n zwakke stem heeft door de honger dat hij bijna niet verstaanbaar is.

12-3: Verscheidene (men spreekt van ruim 60) mensen werden weggevoerd om gefusilleerd te worden. Wij zitten naast de cellen 5 en 3, de z.g. dodencellen, en maakten de strijd van die mensen mee. Vele opdrachten voor de achterblijvenden gekregen. Er mag wel veel veranderen na de oorlog. Wat wordt onze vrijheid duur gekocht.

17-3/30-3: Steeds betere oorlogsberichten. Ik heb echter weer vele inzinkingen. Ik begin steeds meer te tobben hoe mijn eigen gezin en dat van Wally het maken. Men hoort niets. Dat er nu geen kans is om iets door te geven. Die Jansen schepte altijd zo op dat hij met de moffen alles voor elkaar had.

31-3: Eindelijk mijn bril ontvangen, heerlijk. De avond was echter weer zeer droevig. Een aantal jonge mensen waarmee wij de laatste dagen verbinding hadden werden weer weggevoerd, de dood tegemoet. Roerend, dat afscheid.

2-4: Tweede paasdag. Alles liep tegen. ’s Morgens had ik herrie met een Holl. wachtmeester die ik in m’n drift voor ploert uitmaakte. Hij zou dit rapporteren. Natuurlijk angstig wat zou gebeuren. Daarna werd Arie betrapt bij het bijhouden van zijn dagelijkse aantekeningen. Hij kreeg hierbij een klap in zijn gezicht. Ik moest mijn nagels in mijn handen zetten om die lafbek niet aan te vliegen. ’s Middags werd Arie weer betrapt, toen hij door ’t raam sprak. Even daarna werden wij betrapt toen wij zaten te schaken. Het spelletje werd verbeurd verklaard en wij kregen als straf twee dagen inhouding van voedsel. Even daarna kwam de commandant van de gevangenis binnen. Wij dachten dat nu de straffen zouden komen, maar dit viel nu eens mee. Buiten de cel stond n.l. op een kaartje dat wij 2 dagen geen voedsel mochten hebben en nu zei hij: ‘Heren, dit gaat natuurlijk niet door, hè’, en schrapte dit door en vervolgde: ‘Voor de rest kan ik de heren zeggen blij te zijn een Beier te wezen en geen Holl. Pruis. Dag heren’. – en de cel ging weer dicht. Daardoor toch nog een goede avond, vooral ook nog toen de berichten zo goed bleven.

4-4: De zoon van ds. Koningsbergen is met 2 anderen uit de cel gehaald om gefusilleerd te worden. Wat een dappere jongen was dat. Arie vroeg hem of hij bereid was te sterven en hij antwoordde: ‘Ja, ik probeer mijn kameraden ook de nodige sterkte te geven’. Als men 22 jaar is en daartoe de kracht heeft, is dit toch wel geweldig.

5 en 6-4: Prima oorlogsberichten. Ik had echter een reusachtige inzinking en zo’n verdriet over Wally dat ik bijna steeds zat te huilen. Roerend was het zoals Arie mij trachtte te troosten.

8-4: Wat een verrassing deze dag. De commandant kwam met een groot pakket onze cel binnen. Het bleek voor Arie bestemd. Er zaten alle mogelijke heerlijkheden in, die Arie broederlijk met mij deelde. Ik kan er maar niet over uit dat ik nooit wat krijg. Arie krijgt briefjes tussen zijn wasgoed en nu dit eten weer, en ik hoor nooit wat. Alleen weet ik dat de jongens er nog zijn, omdat de lijstjes van het wasgoed hun beider schrift hebben. De briefjes die ik tussen mijn wasgoed heb gedaan komen een volgende keer, gevlekt door het water in de voering, weer terug.

9-4: Bij het luchten bemerkten wij dat Jan Goedkoops cel leeg was. ’s Middags kwam de commandant onze cel inspecteren. Ik vroeg hem toen of Goedkoop gefusilleerd was. Hij keek mij strak aan en zei toen: ‘Als u wist wat wij weten van die Goedkoop zou het u vrij koud laten of die gefusilleerd was en hem zeker verachten’. Wij begrepen daar niets van.”

Gekweld door hevige maagpijnen en doodsangsten heeft Jan Goedkoop de Sicherheitsdienst ingelicht over een illegaal telefoonnet en enkele daarbij horende personen, in ruil voor medicijnen en beter voedsel. Verder heeft hij het door Teus van Vliet opgestelde organogram aangevuld en onder meer de naam genoemd van Henri Koot, de algemeen bevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten.

“22-4: Jan jarig vandaag. Denk er over hoe het toch met haar zal zijn, daar zij een kindje verwacht en zij zich niet zo bijzonder goed voelde. ’s Avonds 9 uur ging mijn celdeur open en moest ik er uit komen. Ik vroeg aan de kerel, een Holl. wachtmeester, wat er gaande was, daar hij zo’n haast maakte dat ik geeneens behoorlijk afscheid van v. Namen kon nemen. Ik moest al mijn spullen meenemen en die vent stond maar te schreeuwen: ‘Vlug, vlug, opschieten’. Hij wist niet wat er gaande was en zei: ‘Misschien word je wel vrijgelaten’. Toen ik op het bureau werd gebracht vernam ik tot mijn teleurstelling dat wij werden overgebracht. Ik trof daar 12 mannen en ± 8 vrouwen, die gezamenlijk vervoerd zouden worden. Hierbij waren Henk v. Riessen, Smallenbroek, Goedkoop en Peski. We werden geboeid en al spoedig bleek ons dat wij in de richting Scheveningen werden vervoerd, waar wij dan ook tegen 12 uur arriveerden. Ook daar begon weer de gewone ellende van honger en vernederingen. Ik was met Goedkoop en Peski in één cel (no. 531) gebracht.”

‘Hond poes kat, Nelly is een schat’, heeft iemand op de wand van Buijs’ cel gekrast. Het is een luchtig rijmpje tussen de talloze her en der op muren en onder britsen gekraste wanhoopskreten en oproepen tot strijd. Naast de celdeur hangt het huisreglement. Er mag vooral veel niet in het Oranjehotel: uit de ramen kijken, op de bedden en stoelen staan, boodschappen uitwisselen met gevangenen in andere cellen of met elkaar spreken tijdens het luchten. Overtredingen worden bestraft met Einzelhaft of voedselrantsoeneringen. En dat terwijl het eten, zoals een gevangene op zijn celwand schrijft (wat uiteraard ook verboden is), toch al ‘te weinig is om van te leven en te veel om te sterven’.

“Door een betere wachtmeester, een Rijksduitser, overgeplaatst naar cel 528”, noteert Buijs de 26ste. “We kregen van deze wachtmeester de oorlogsberichten uit de eerste hand en ze waren uitstekend. ’s Avonds weer plotseling een verdrietuitbarsting gehad dat Wally nu hier niet bij was. Ik geloof dat ik hier nooit overheen zal komen en dit een druk in mijn leven wordt.

27-4: Werd door die Holl. wachtmeester tegen de muur opgesmeten, omdat ik op een loper liep. Niemand wist dat dit niet mocht. Die Jan Goedkoop is een eigenaardige kerel. Hij vleit die Holl. wachtmeester om er misselijk van te worden. Ik snap het niet; ik kan die kerel niet zien en Peski negeert hem ook straal.

2-5: We hoorden dat Hitler dood is. Grote vreugde, overal hoorde je vaderlandse liederen zingen. Ik kan niet meedoen, hoewel mijn keel opgezet is van aandoening.

4-5: Plotseling begonnen ze de gevangenen op grote schaal te ontslaan. Wij moesten in Den Haag ammunitie en levensmiddelen naar de vesting brengen. Ik heb voorgewend dat ik te zwak was en omdat ik er nogal beroerd uitzag slikten ze dat. Ik werd misselijk van Goedkoop toen hij aan de Duitse luitenant die het toezicht had vroeg of hij tevreden was over de manier waarop was gewerkt. Dat vraag je verdomme toch niet aan je vijand.

5-5/7-5: In een roes gingen deze dagen voorbij. Het ontslag van de gevangenen ging steeds door. 7 mei, half zes, werd Peski ontslagen, zodat ik alleen zat. Plotseling werd ik opgeroepen. ‘Zeg Buijs’, werd er gezegd: ‘We zijn nog met ruim 80 man in de gevangenis en zullen waarschijnlijk vanavond nog gefusilleerd worden’. Gek is het zoals me dat toen aangreep, terwijl ik toch betrekkelijk onverschillig had gestaan tegenover dit feit. Uit een soort wanhoop ging ik op mijn strozak liggen en over vele dingen nadenken.”

Het Oranjehotel herbergt op dat moment -twee dagen na de Duitse capitulatie- overigens geen tachtig, maar slechts veertig gedetineerden. Van hen zitten er ruim dertig vast wegens criminele activiteiten of desertie. De overigen zijn politieke gevangenen. Die avond nemen Nederlandse en Canadese Rode-Kruismedewerkers en militairen het gezag over van de Duitse beheerders. Administrateur Haantjes registreert: “Door genoemde heren werd de dienstdoende leider SS Oberscharführer Schweiger ontboden en hem inzage van de registers gevraagd. Schweiger beriep zich echter op zijn ontvangen instructies en weigerde pertinent inzage van de registers te verstrekken. Tijdens deze zitting vervoegden zich om ± 11 uur n.m. 3 leden van de geallieerde strijdkrachten in de cellenbarakken, in welk gezelschap zich Obersturmführer Munt bevond. Door genoemde leden van de geallieerde strijdkrachten werd de invrijheidstelling van eventueel zich nog hier bevindende politieke gevangenen geëist. Direct daarop werden 8 gedetineerden ontslagen.”

Buijs: “Opeens, ± half negen, hoorde ik op de gang Engels spreken. Ik vloog overeind en begon met een bezem op de deur te slaan. Ik hoorde ‘Yes, yes, we come’ en even daarna ging de deur open en was ik bevrijd. Ik werd naar het bureau gebracht en daar waren totaal 5 Canadezen. Misselijk was het te zien hoe nu die stinkmoffen kropen. Bah, wat is het toch een rotvolk. We werden daarop met auto’s naar Den Haag gebracht en met bloemen bestrooid. Daar werd in een villa feest gevierd en toen werden we naar een Rode-Kruishospitaal gebracht. Een aardige attentie was toen nog dat verschillende lui uit Den Haag mij daar kwamen opzoeken waaronder v. Velzen en zijn vrouw. V. Velzen bood mij aan om mij de volgende morgen naar Zaandam te brengen, wat ik dankbaar aanvaardde. Van slapen was die nacht geen sprake en dus kwam ik 8 mei in Zaandam terug, niet bepaald als een ongebroken strijder, maar verouderd en wel gebroken. Moge God mij de kracht geven mij weer op te richten en te helpen ons land weer omhoog te brengen.

“Hij is wellicht de laatste vrijheidsstrijder geweest die uit een Nederlandse gevangenis bevrijd werd”, schrijft Buijs’ kameraad Jan Rot in het even tevoren nog illegale blad Paraat. “Verzwakt en uitgehongerd is hij thuisgekomen, maar daar zal raad op zijn. Onze vreugde over de bevrijding van onze vriend Jaap Buijs wordt overschaduwd door het voor immer afwezig zijn van Walraven van Hall, wiens nog jonge leven zoveel schone perspectieven had. Voor Jaap Buijs geldt dit in sterke mate.”

Een paar dagen na de Duitse capitulatie bezoeken Tilly van Hall en haar kinderen de sterk verzwakte ‘oom Jaap’ in diens woning. Haar dochter Attie: “Hij lag op een bed in de serre, héél mager, en barstte in huilen uit toen hij ons zag.” De aan Van Hall gedane belofte om diens gezin bij te staan komt hij nauwgezet na. Attie van Hall: “Hij is na de oorlog zo’n dierbare (onofficiële) voogd geweest. Hij hielp moeder waar hij kon en probeerde mij, boze puber, tot rede te brengen. Die eerste jaren was ik vaak nors, afwerend, opstandig tegen mijn moeder. Tot hij op een keer toen ik lachte zei: ‘Als je eens wist hoe lief je er uit ziet als je lacht’. Hij was een trouwe, betrokken vriend en heeft veel betekend in ons leven.”

Afgezien van zijn medewerking aan twee boeken van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (over het Nationaal Steunfonds en de spoorwegstaking) gaat Buijs slechts één keer akkoord met een vraaggesprek over zijn oorlogservaringen. Een week na zijn vrijlating uit het Oranjehotel komt hij aan het woord in dagblad De Typhoon. De krant betitelt hem als ‘een der oudste en meest vooraanstaande verzetslieden in Nederland’. Ook hier benadrukt hij de daden en het lot van zijn vriend Wally van Hall. Diens portret krijgt een ereplaats in zijn huiskamer, naast de kachel. Geëmotioneerd zegt Buijs: “Wij hielden allen zo ontzettend veel van hem. Hij was het die ons illegale werkers steeds weer met nieuwe moed bezielde, die, wanneer er iets tegenliep, ons steeds weer voorging met zijn groot vertrouwen en met zijn onuitputtelijke optimisme! (…) Het is zo ontzaglijk moeilijk voor mij dat ik nu niet met hem mag delen. Dit vermindert mijn vreugde over de bevrijding ten zeerste. Hij vooral had deze dagen moeten beleven, waarvoor hij zijn leven heeft gegeven.”

Hij komt het verlies niet meer te boven. De oorlog zal voor Jaap Buijs pas eindigen in 1960, op zijn sterfbed.

CAZAK3V5
Naoorlogse waardering voor Buijs’ verzetswerk

Vrijgevochten: de Zaanstreek in de Tweede Wereldoorlog (6)

26 apr

Tot de meidagen van 2015 publiceer ik op deze plek wekelijks een longread over een Zaanse verzetsstrijder die tussen 1940 en 1945 van landelijk of zelfs internationaal belang was. Na de bevrijding raakten ze in de vergetelheid. Door hen hier te portretteren hoop ik ze weer een beetje zichtbaar te maken. De zes verhalen zijn, aangevuld met voetnoten en namenindex, ook te lezen in mijn boek Vrijgevochten. Zaans verzet in nationaal perspectief (1940-1945). Het is hier te bestellen.
In deel 6 van deze korte serie een portret van Remmert Aten.

Remmert Aten is de tweede zoon in een Zaandams gezin met zeven kinderen. Zijn vader koopt in 1891 de voor zijn woning gelegen balkenzagerij De Bark en weet die samen met een broer tot een bloeiende houthandel te maken. Remmert en zijn oudste broer Willem komen ook terecht in het familiebedrijf en zetten de zaak voort tot ver na de Tweede Wereldoorlog. Begin jaren zeventig van de twintigste eeuw wordt de stoomzagerij gesloopt ten faveure van woningbouw.

In 1922 trouwt Remmert Aten met Margaretha Hoekstra. Zeven jaar later wordt dochter Marion geboren, hun enige kind. Na een tijdlang te hebben gewoond aan de Dubbele Buurt in Koog aan de Zaan betrekt het gezin een groot hoekhuis in de Zaandamse Frans Halsstraat 31. Acteren is de grote passie van het echtpaar. Ze gaan er totaal in op en vormen veertig jaar lang de spil van de plaatselijke toneelvereniging Vondel. Daarnaast is Remmert mede-oprichter van hockeyclub De Kraaien, speelt hij bij de Zaandamsche Voetbal Vereeniging en tennisvereniging KZTV en waterpoloot hij geruime tijd in het eerste zevental van zwemvereniging Neptunus. Zijn daarbij opgebouwde conditie komt goed van pas wanneer hij als eind-veertiger tijdens de oorlog lange fietstochten moet maken om joodse onderduikers te voorzien van geld en goederen. Dat doet hij als bestuurslid van de landelijke Vakgroep J, een aftakking van het Nationaal Steunfonds. Het is slechts een van zijn vele ondergrondse bezigheden. Hij is lid van de Ordedienst en de Gewestelijke Sabotage Afdeling en huisvest samen met zijn vrouw meerdere joden. Vanaf mei 1945 spant hij zich met de Politieke Opsporingsdienst in om ‘foute’ streekgenoten te arresteren. Na de bevrijding laat hij tegen de buitenwacht weinig los over zijn verzetswerk. Alleen over zijn zwemtocht naar de Hembrug, die hij met stadgenoot Jaap Boll ontdoet van bijna anderhalve ton springstof, mag hij desgevraagd graag vertellen. Voor zijn verzetswerk ontvangt hij twee onderscheidingen.

Remmert Aten overlijdt op 89-jarige leeftijd in het Zaandamse ziekenhuis De Heel, vijf jaar na zijn echtgenote.

Collectie Marion Alberdingk Thijm-Aten. Marion, Hank (?) en Remmert Aten
Remmert en Margreet Aten met hun dochter Marion

1.

Wanneer Remmert Aten in het vroege najaar van 1944 zijn haar laat knippen, wijst kapper Romeijn hem op een in zijn zaak hangende foto. “Die heeft er ook de langste tijd gestaan”, zegt hij. Hij doelt op de Hembrug, de grootste draaibare spoorbrug van Europa. Een cruciale verbinding tussen Zaandam en Amsterdam bovendien, en daarmee tussen Noord-Holland en de rest van Nederland. Het gerucht dat de stalen brug zal worden opgeblazen heeft in Zaandam al eerder de ronde gedaan en verschillende keren hebben omwonenden in paniek de Havenbuurt verlaten, hun bezittingen per handkar of fiets met zich meezeulend. Het is tot dan toe altijd vals alarm geweest. Romeijn weet zijn klant te vertellen dat een recente poging van de illegaliteit om springstoffen uit de middenpijler te verwijderen is mislukt. De kapper blijkt goed geïnformeerd.

Na hun geslaagde landing in Normandië, op 6 juni 1944, trekken de geallieerde troepen in hoog tempo door Noord-Frankrijk. De 25ste augustus valt Parijs in handen van de tweede Franse pantserdivisie, op 3 en 4 september bevrijden de Britse strijdkrachten achtereenvolgens Brussel en Antwerpen. De Duitsers vluchten massaal naar het oosten en het lijkt een kwestie van dagen voor Engelse, Amerikaanse en Poolse troepen de Nederlandse grens bereiken. Het Duitse leger heeft bevel gekregen om de Hembrug te vernietigen zodra de geallieerden hun opmars vervolgen. Het Noordzeekanaal vormt daarmee een moeilijk te nemen hindernis en Noord-Holland zal vrijwel geïsoleerd raken. Bovendien krijgen de Duitsers zodoende meer tijd om zich via de Afsluitdijk terug te trekken naar de kop van Nederland.

Douwe Soepboer, hoofd van de naast de Hembrug gelegen Artillerie Inrichtingen, tipt begin september de Ordedienst dat enkele Duitse bewakers willen praten over het onklaar maken van de aangebrachte springstoflading, in ruil voor naoorlogse strafvermindering. Er wordt een ontmoeting geregeld in een van de nabij gelegen brugwachterwoningen. Op het afgesproken tijdstip melden zich daar drie zwaarbewapende Duitsers. Het lukt OD-commandant Nic van der Giessen en rechercheur Jan Thomassen om hen er van te overtuigen de 260 meter lange overspanning van het Noordzeekanaal te sparen. Ze worden bereid gevonden de lading en de naar de springstoffen lopende leiding onklaar te maken. De Zaanse illegaliteit zal na gedane zaken zorgen dat er een roeiboot klaarligt waarmee de militairen hun werkgebied kunnen verlaten en hen vervolgens laten onderduiken.

De overeenkomst houdt maar kort stand. Het Duitse Sprengkommando wordt elders ingezet en met hun plaatsvervangers valt geen afspraak te maken. Op 9 september vergadert de Gewestelijke Sabotage Afdeling (GSA) -een dan net opgericht samenwerkingsverband van OD, RVV en KP- over de vraag hoe de Hembrug te behouden. RVV-man Cees Standhardt krijgt de taak toebedeeld om de explosieven te laten verwijderen. De urgentie groeit met de dag. In het telegram dat geheim agent Dré Ausems drie dagen na deze bijeenkomst naar Londen stuurt klinkt dan ook vertwijfeling door: “Wij trachten Hembrug gesloten te houden. Hopen dit bericht niet te laat.” Het Amerikaanse Eerste leger is er inmiddels in geslaagd de Belgisch-Nederlandse grens over te steken. Om de opmars te stuiten blazen de Duitsers aan de rand van Maastricht drie bruggen op. In de navolgende dagen zullen er in het zuiden van Nederland nog vele volgen. De Raad van Verzet krijgt vanuit Londen de opdracht allerlei vitale objecten in met name Noord- en Zuid-Holland te beschermen. Het varieert van de haveninstallaties in Rotterdam en Amsterdam tot enkele vliegvelden en tal van oever- en spoorverbindingen.

Medio september weet Standhardt de RVV’ers Jan van Heijningen en Klaas Klinkenberg te strikken voor een riskante reddingsactie. De 21ste, even voor middernacht, laten de twee zich in het Noordzeekanaal zakken. Ze hebben zich ingevet; het water is koud. Langzaam zwemmen ze naar de middenpijler, er voor wakend dat de tientallen wachtposten op en rond de Hembrug hen zien. De omstandigheden zijn lang niet optimaal. Het is windstil. Elk geluid lijkt te worden versterkt. Bovendien is het water fosforescerend, waardoor goed zichtbaar blijft wat er zich in het kanaal afspeelt. Maar het ergste is dat de toegang tot de brug wordt versperd door talloze kabels die van de Noordzeekanaalbodem naar de pijleropening lopen. Ze hangen als een onwrikbaar, aaneengesloten gordijn voor de ingang van de koker. De mannen zijn ruim twee uur bezig met het verleggen van de dikke kabels en keren dan uitgeput terug naar de vaste wal. Het is ze niet gelukt de weg vrij te maken die naar de springstof leidt. Enkele bewakers langs de kant moeten de twee wegdragen, zo verstijfd en onderkoeld zijn ze. Een van hen belandt zelfs kort daarna als resultaat van zijn inspanningen in het ziekenhuis.

Nog dezelfde week meldt Remmert Aten zich bij Standhardt. Hij heeft een verrassing bij zich, situatietekeningen van de Hembrug. Zijn buurman, ingenieur G. van Buschbach, werkt bij de Nederlandse Spoorwegen en heeft ze opgevraagd bij zijn collega J. Kleine Staarman. Van Buschbach heeft hem ingelicht over het plan om de brug te ontdoen van de explosieven. “De heer Aten moest de tekeningen van de Hembrug hebben om te trachten daarachter te komen, doch deze lagen op kantoor”, vertelt de Amsterdamse hoofdbouwkundige. ’s Avonds, na werktijd, gaat Kleine Staarman terug naar zijn kantoor en ontvreemdt de plattegronden. Via Van Buschbach belanden ze bij Aten. Het moet toch mogelijk zijn om de brugpijler binnen te komen, wikken en wegen Standhardt en hij aan de hand van de tekeningen. Op papier waaieren de vuistdikke kabels een paar meter onder de waterspiegel uit en leggen ze de toegang bloot. Door de eerdere mislukking om de pijler leeg te halen, moet Aten zijn verbale capaciteiten tot het uiterste aanspreken om het GSA-commando te overtuigen van de ontruimingshaalbaarheid. Het lukt. De districtsleiding geeft toestemming voor een nieuwe duikactie.

Aten voelt er weinig voor om de springlading in zijn eentje te verwijderen. Hij vraagt zijn vriend August Sabel om raad. Sabel is actief in het Zaanse verzet en bestuurslid bij de Zaandamse zwem- en polovereniging Neptunus. Hij adviseert om een kennis in te schakelen, een 23-jarige kantoorbediende. Aten: “Sabel kende Jaap Boll, de doelman van het waterpolozevental van Neptunus. Toen ik meende dat het wel te doen was de springstoffen weg te halen, vroeg Sabel aan Jaap Boll of hij met mij mee wilde gaan.” Boll: “Ik was destijds doelverdediger en aanvoerder van het eerste zevental van Neptunus. Aten was daar ook lid en we kenden elkaar van gezicht, verder niet.” De volgende dagen trainen de twee in het zwembad en bestuderen ze de tekeningen van de Hembrug. De oeververbinding zelf en de wachtposten daarop worden bespied en er vindt regelmatig overleg plaats met de weifelende GSA-leiding. Boll beschrijft hun houding: “‘Veel te riskant, het stikt er van de Duitsers, er lopen 28 man rond’. Aten zei alleen maar: ‘Hoe meer hoe beter, want dan verwachten ze niet dat er toch iemand durft te komen’.”

Kort na de mislukte poging van hun voorgangers begeven Boll en Aten zich naar het Noordzeekanaal. Boll: “Hij was, hoewel hij toen al 48 was, een echte bikkel, had meerdere malen de Elfstedentocht gereden en was ook een heel goed zwemmer.” Aten heeft bovendien tot kort daarvoor bij ZVV gevoetbald en trekt nog regelmatig zijn baantjes in het zwembad. Boll: “Dan deed je met elkaar tikkie-de-man. Dat was ook lang en hard zwemmen en dan ging je soms ook een paar meter onder water.” Het duo wordt gesecondeerd door twee bewakers die de Duitse activiteiten op de Hembrug in de gaten moeten houden. Maar het komt niet tot een duikpoging. Commandant Gerrit Koeman acht de risico’s te groot. “De avond begon al zeer ongunstig, daar de moffen in de omgeving van ons uitgangspunt bezig waren verschillende objecten op te blazen. Om 8 uur ’s avonds werd de toestemming door het district ingetrokken, daar de onderneming te gevaarlijk was”, aldus een oorlogsverslag. Aten wil desondanks het water in. Volgens hem zijn de Duitsers zo geconcentreerd bezig met hun werkzaamheden dat ze geen oog zullen hebben voor beide zwemmers. Het leidt tot een confrontatie met Koeman, die zelfs dreigt om Aten neer te schieten als die zijn expeditie doorzet. “Men is toen zeer ontstemd huiswaarts gekeerd”, meldt de anonieme maker van het oorlogsverslag.

De tijd dringt meer dan ooit. Geallieerde troepen hebben eerder die week Arnhem en Nijmegen bereikt en het lijkt een kwestie van dagen voor ze naar Amsterdam optrekken. De kans is groot dat de Duitsers beginnen aan hun terugtocht naar het Noorden en daarbij alle achter hen liggende aanvoerwegen zullen saboteren, waaronder de Hembrug. Onder die dreiging gaat de GSA-leiding op 26 september akkoord met een tweede poging. Nog dezelfde dag stappen, vlak voor de avondklok ingaat, Aten en Boll binnen bij pontwachter Hein Prinsen. Zijn woning aan de Hemkade 40 is een perfecte uitvalsbasis voor de tweehonderd meter verder gelegen Hembrug. De weersomstandigheden zijn gunstig. De wind dempt de omgevingsgeluiden en het is bewolkt, maar niet aardedonker. Tegen 22.30 uur maken de zwemmers zich klaar. Ze trekken zwembroeken en zwarte truien aan en smeren hun gezichten, handen en benen in met een donkere kleurstof en een laag vaseline. Even voor middernacht bewegen Boll en Aten, gewapend met twee zaklantaarns en een haak om kabels uit elkaar te trekken, zich door het kanaal naar de middenpijler, daarbij een groen, fosforescerend spoor achter zich trekkend. Boll ziet het en fluistert Aten toe dat ze zo diep mogelijk moeten zwemmen. Met een westenwind in de rug glijden ze langzaam door het water. Verscholen onder een steiger, gewapend met stenguns, volgen Siem van Nugteren en Cees Standhardt de verrichtingen op de voet. De schrik slaat hen om het hart als er na een paar minuten op de brug een zoeklicht aangaat dat het wateroppervlak aftast. Het duurt maar even, dan wordt het weer donker.

Het laatste stuk zwemmen de twee Neptunus-leden zoveel mogelijk onder water. Bij de hoofdpijler gearriveerd halen ze diep adem en laten ze zich zakken, tastend langs de kabels. Op twee meter diepte voelen ze dat de weerstand verdwijnt. De opening is gevonden. Aten duikt als eerste naar binnen en weet via een ijzeren trap in de holle steunpilaar omhoog te klimmen, tot hij weer boven de waterlijn is. Dan klopt hij zacht op de wand, het teken voor Jaap Boll om dezelfde weg te volgen. Bij het zwakke licht van één zaklantaarn -de tweede is onderweg gesneuveld- ontdekken de zwemmers in de pijler ruim vierhonderd opgestapelde pakjes. Ze zijn gevuld met anderhalve ton van het uiterst explosieve Donarit. Aten geeft ze stuk voor stuk door aan de onder hem staande Boll, die de springstoffen door de opening naar buiten duwt. Boll: “Dat ging vlot. Totdat ik merkte dat de uitgang verstopt raakte. Die dozen bleven drijven. Een angstig moment, want de hele uitgang zat dicht.”

In een poging de dozen naar de bodem van het Noordzeekanaal te dwingen, scheurt Boll er eentje open. Het helpt niet. Hij haalt de staven Donarit eruit, maar ook die willen niet zinken. “Toen kwam ik op het idee om de dozen met mijn voeten onder water te houden en dat bleek te helpen. Ze zogen het water in zich op en zakten. Ik voel nog die belletjes langs mijn kuiten. Wat een opluchting!” Even staakt het werk. Een motorboot koerst rakelings langs de pijler. De mannen vragen zich af of ze te veel lawaai hebben gemaakt en betrapt zijn. Het is loos alarm. Het schip vaart door.

Het kost vijf uur hard werken om de vierhonderd pakketten weg te halen en in het water te laten glijden. Na het weghalen van de explosieven doen ze een poging om met een aantal lege dozen een muurtje op te bouwen. Bij een controle moet het lijken alsof de hele voorraad nog aanwezig is. De decorbouw mislukt. De dozen zijn nat geworden en zakken in elkaar. Boven de hoofden van het duo is er een wisseling van de wacht. Ze horen een van de soldaten vanaf de brug in het Noordzeekanaal urineren. Het gevaar van ontdekking blijft. Voorzichtig laten de vermoeide zwemmers zich in het Noordzeekanaal zakken. Het begint al te dagen. Daardoor is de kans dat ze gezien worden groter dan op de heenweg. “We moesten langzaam zwemmen”, zegt Aten. “Niet te krachtige slagen maken.” Zich gelijkmatig voortbewegend zoeken ze hun startpunt op.

Van Nugteren en Standhardt hebben de hoop op terugkeer van de zwemmers al bijna opgegeven, als bij het aanbreken van de dag de twee zwemmers alsnog onopgemerkt op de kant klimmen. Boll: “Ik denk dat de mensen in de brugwachterwoning meer in angst zaten dan wij.” Gevieren lopen ze terug. “Na afloop werden wij liefderijk opgenomen in het huisje van de pontwachterfamilie Prinsen”, zegt Jaap Boll. Daar wacht de zwemmers een warm bad. In het huis van het echtpaar Prinsen ontdekt Aten dat hij zijn pikhaak in de pijler heeft laten liggen. Hij vraagt zich angstig af of hij er ooit zijn naam op heeft genoteerd. Het opkomende daglicht verhindert dat hij nog een keer naar de brug kan zwemmen om de haak op te halen. Er zit niets anders op dan er het beste van te hopen.

In de vroege morgen kunnen de mannen, moe maar tevreden, terugkeren naar hun huizen. Lang genieten van het succes is er overigens niet bij. Nog dezelfde dag bemerkt een Duitse wachtpost drijvend pakpapier in het Noordzeekanaal. Hij slaat alarm. Een kort onderzoek maakt duidelijk dat alle springstof is verdwenen, al blijft het de Duitsers een raadsel hoe dat is bewerkstelligd. Als represaille worden vier soldaten gefusilleerd. Hen wordt ten laste gelegd niet goed te hebben opgelet. Er komt extra bewaking op de brug en de middenpijler krijgt een nieuwe voorraad springstoffen.

Het zit Aten dwars dat de Hembrug opnieuw is ondermijnd. Hij is van mening dat het mogelijk moet zijn om het contactblok, nodig om de Donarit tot ontploffing te brengen, ongezien weg te halen. In de nacht van 18 oktober laat de houthandelaar zich opnieuw in het Noordzeekanaal zakken om vooronderzoek te doen. Standhardt fungeert daarbij als rugdekking. Om de bewakers boven hem te misleiden heeft Aten een opgezette meeuw op zijn hoofd bevestigd. Een aan de vogel bevestigd slangetje dat naar zijn mond loopt maakt dat hij onder water zwemmend kan blijven ademen. Ongezien belandt hij voor de tweede keer bij de immense brug. Daar constateert hij dat de middenpijler in de voorgaande dagen is afgezet met zware houten schotten. Er is geen doorkomen aan. Teleurgesteld keert hij terug. Van een poging om het contactblok te verwijderen, komt het daarna niet meer.

Dat de Duitsers de Hembrug uiteindelijk toch niet opblazen heeft te maken met het vastlopen van het geallieerde front bij Arnhem. Vraag blijft overigens of ze er anders wel in zouden zijn geslaagd om de spoorbrug te vernietigen. Na de eerdere, mislukte sabotagepogingen zoekt de Zaandamse onderwijzer Jan van der Hoef op verzoek van de illegaliteit contact met Lies Schouten. Zij woont bij haar ouders aan de Hemkade. De familie Schouten kent een Duitse wachtpost, Hans Anferrer, die -wetende dat de oorlog ten einde loopt- bereid is om het verzet een handje te helpen. Schouten: “Ik bracht mijn vader wel eens brood naar de pont en op een keer zei ik tegen die Hans: ‘Je kunt ook een boterham krijgen, als je me helpt’. Ik wou de brug op om iets aan die springleidingen te doen. Dat hadden mensen van de illegaliteit me gevraagd. Ze zeiden: ‘Als je met een injectiespuit water in die leidingen spuit, dan ontstaat er kortsluiting op het moment dat ze leidingen onder stroom zetten’.” Aldus geschiedt. Anferrer helpt haar de spoorbrug op. Daar laat ze zich langs de middenpijler zakken en opent het luik waarachter de springstoffen en kabels liggen. Ze duwt een injectiespuit in een flesje water dat ze om haar nek heeft hangen en injecteert het opgezogen vocht vervolgens in de leidingen. Schouten, twintig jaar later: “Ik heb dat toen gedaan, maar eigenlijk heb ik er nooit echt voldoening van gehad. Ik had graag resultaat gezien, zo van: nou willen ze de brug in de lucht laten vliegen en nu kan dat niet door het water dat ik er in gespoten heb.”

Jaap Boll en Remmert Aten (1945)
Remmert Aten en Jaap Boll poseren na de bevrijding in de middenpijler van de Hembrug

2.

Weinig verzetsacties zijn na de oorlog zo gedetailleerd vastgelegd als de zwemtocht naar de Hembrug. Een beetje overdreven, in de ogen van Remmert Aten. Een jaar voor zijn dood zegt hij tegen dagblad De Typhoon: “Ik heb het vooral beschouwd als een sportief gebeuren, omdat het naar mijn mening minder risico met zich meebracht dan ander werk dat ik deed.” Over dat andere werk laat Aten tegen buitenstaanders slechts mondjesmaat iets los. Aten is zo’n Zaankanter die na de oorlog nauwelijks de behoefte voelt om zijn verzetsdaden aan de wereld te openbaren. Weerstand bieden aan de Duitsers was in zijn ogen de normaalste zaak van de wereld. Fotograaf Peter Marcuse, die dertien jaar na de bevrijding zijn donkere kamer vestigt op de zolder van Atens woning aan de Frans Halsstraat, ondervindt dat meerdere malen aan den lijve. In een hoek van zijn doka vindt hij een Duits geweer uit de Tweede Wereldoorlog. “Op mijn vraag hoe hij er aan kwam, wilde Aten slechts kwijt dat hij het indertijd had ‘afgepakt’. Rem Aten was niet erg mededeelzaam over zijn rol in het georganiseerd verzet en hield evenmin van uiterlijk vertoon, behalve misschien die keer op Koninginnedag in het eerste oorlogsjaar. De vlag werd uitgestoken en de hond kreeg een oranje strik om. Dit tot grote ergernis van een voorbij fietsende NSB’er die er een Duitse militair bijhaalde. De Duitsers eisten dat de vlag werd ingehaald en de NSB’er, die dat niet voldoende vond, werd toegesnauwd: ‘Maul halten, ich hab’s gesagt’.”

Eind jaren dertig brengen de houthandelaar en zijn vrouw Greet al geen bezoeken meer aan Duitsland, uit weerzin tegen de politieke ontwikkelingen daar. De nationaal-socialistische overrompeling van Nederland komt dan ook hard aan. Het echtpaar heeft vanaf het begin een diepe afkeer van de bezetter. De haat gaat zo diep dat Remmert na de invasie zelfs wil uitwijken naar Engeland. In de meidagen van 1940 fietst hij naar IJmuiden, in de hoop op een boot die hem over het Kanaal kan brengen. Hij is te laat. De weinige boten die tijdens de hectische oorlogsdagen kunnen wegkomen zijn veelal afgeladen met vluchtelingen en na de capitulatie is het vrijwel onmogelijk om nog per schip uit te wijken. Aten keert teleurgesteld terug naar Zaandam, maar broedt vrijwel meteen op een nieuw plan. In de zomer en herfst van 1940 timmert hij met zijn zwager Henk Hoekstra een vaartuig, dat hen beiden naar de overkant moet brengen. Hoekstra’s echtgenote Tiny: “Direct na de capitulatie begonnen Henk en zijn zwager Rem Aten, die in Zaandam een houtzagerij had, met het aldaar bouwen van een boot. Waarmee zij naar Engeland wilden. Toen de boot klaar was lukte het niet, ondanks verwoede pogingen, deze naar de kust te krijgen.” Ook die poging faalt dus.

In hun vertrouwde omgeving steken de Atens hun antipathie tegen de nazi’s niet onder stoelen of banken, een eigenschap die ze delen met George Jambroes. Waarschijnlijk ontstaat er contact tussen deze wiskundeleraar en Remmert via de buurman van laatstgenoemde, ingenieur Van Buschbach. Die is namelijk, net als Jambroes, lid van het Legioen van Oud-Frontsoldaten. Eind 1940 doet Jambroes pogingen om namens het LOF een regionale militaire verzetsorganisatie op te bouwen. Aten toont zich op zijn verzoek bereid als ‘blokcommandant’ te opereren, op voorwaarde dat hij ‘zich uit deze leidende functie terug wilde trekken zodra voor hem een betere plaatsvervanger was gevonden’. Jambroes verlaat begin 1941 overhaast de Zaanstreek, het LOF wordt grotendeels opgerold. Van Jambroes’ opbouwplannen komt niets terecht.

De vlucht van de Zaandamse docent is een direct gevolg van zijn oproep om tijdens de Februaristaking het Gemeentelijk Lyceum plat te leggen. Remmert en zijn broers Bart en Willem vinden het niet meer dan vanzelfsprekend dat ook de arbeiders van hun stoomzagerij De Bark het werk onderbreken. Zeventien stakers telt de politie bij de NV Aten. Er volgen overigens geen sancties tegen de directie. De productie van gezaagde balken komt ook na de staking niet meer goed op gang. Veel hout heeft als bestemming de Wehrmacht en daaraan wensen de Atens niet mee te werken. Bij De Bark wordt dan ook alleen gewerkt indien er zekerheid bestaat over een onbesmette eindbestemming.

Het massale protest op 25 en 26 februari 1941 heeft gevolgen voor een passie van Greet en Remmert Aten. Zij zijn sinds de jaren twintig de motor van Vondel, de oudste toneelvereniging van de Zaanstreek. Hij is er al bijna twintig jaar voorzitter, zij even lang secretaris. Remmert vertaalt voor Vondel talloze toneelteksten uit het Engels, Frans en Duits en speelt uiteraard mee in de stukken, veelal blijspelen. Vondel verzorgt regelmatig voorstellingen in Ons Huis op de Gedempte Gracht en de belangstelling ervoor is altijd groot. Het goed acterende echtpaar Aten vervult vaak de hoofdrollen. Begin 1941 oefenen de twee op hun teksten voor ‘Chris Bean’, een in Groot-Brittannië gesitueerd stuk. De Februaristaking gooit roet in het eten. Een dag na het verlopen ervan komt vanuit Amsterdam het bevel dat alle ramen en deuren in Zaandam voor een onbepaald aantal dagen gesloten moeten zijn vanaf 20.30 uur. “Wordt dit bevel overtreden dan wordt wapengeweld gebruikt. (…) Het sub. 4 bepaalde werd te 6.00 uur n/m door de Cap. aan de radiodistributiecentrale van Op den Velde alhier medegedeeld, met verzoek het publiek door middel van zijn centrale in te lichten.”

Het is een van de sancties die Zaandam treffen. In het jaarverslag van Vondel reageert Greet Aten: “Eindelijk, op 3 maart 1941, zou ‘Chris Bean’ dan gaan en het zou ook zeker gelukt zijn als er geen staking was geweest, waardoor de Duitsers ons straften met 10 dagen uitgaansverbod. Op 12 maart ging ’t stuk dus pas en misschien hebben we het nog aan de moffen te danken dat de zaal zo propvol was. Iedereen wilde na 10 dagen thuis zitten weer eens uit.”

Een jaar later speelt Vondel ‘Blauwbaards achtste vrouw’. Remmert treedt aan als markies de Montferrat, Greet als diens vrouw Monna. Het Departement van Kunsten keurt de voorstelling goed, op voorwaarde dat de in het stuk voorkomende Amerikaan wordt getransformeerd in een Braziliaan. “Gelukkig kwam de brief met deze opdracht wat later dan onze voorstelling, zodat we ons aan de opmerkingen van deze mofsgezinde heren dan ook niet gestoord hebben”, noteert Greet vrijelijk in het jaarverslag 1941-’42. Begin maart vindt de laatste voorstelling plaats.

‘De Zaanse Mary Dresselhuys’ wordt Greet Aten wel genoemd. Maar waar deze grande dame van het nationale toneel zich -met tegenzin- aansluit bij de Nederlandse Kultuurkamer (“Op bevel van de Rijkscommissaris meld ik mij.”) verlaat Greet het podium, en met haar de rest van Vondel. Verwonderlijk is dat niet, met prominente verzetsmensen als de Atens, Van de Stadt en Huig in de gelederen. Greet in het jaarverslag: “De volgende maand trad de Kultuurkamer in werking en moesten we ons, wilden we blijven doorspelen, daarvoor opgeven. Met algemene stemmen werd besloten dit niet te doen. Als reden gaven we op: te weinig leden en speelkrachten. We gingen dus nu een gedwongen rustperiode in en wachtten op betere tijden.”

Het stopzetten van de toneelvereniging uit protest tegen de pro-Duitse Kultuurkamer hoort bij het kleine verzet, net zoals de weigering van de Atens om in de zomer van 1942 hun fietsen in te leveren ten behoeve van de bezetter en het in de piano verstoppen van de eveneens af te geven radio. Het grotere verzet begint wat het echtpaar betreft met het onderbrengen van joden. Begin 1942 verhuist als eerste het Amsterdamse jongetje Karel Daniel Waagenaar naar hun gezin. Karels moeder is sinds haar studietijd bevriend met Greet Heijbroek, de vrouw van Remmerts broer Bart. Ze vraagt of Heijbroek een van haar drie kinderen wil verbergen. Maar die vreest dat haar eigen zoons hun mond voorbij zullen praten over de heimelijke kostganger en verwijst door naar haar zwager en schoonzuster. Hoewel Remmert en Greet eveneens een kind hebben, de dan 12 jaar oude Marion, aarzelen ze niet. Ze reizen onmiddellijk naar de familie Waagenaar om afspraken te maken over de opvang van de 2-jarige Karel. Karel vertrekt, na aanvankelijke weerstand, met ‘oom’ en ‘tante’ naar Zaandam.

De eerste twee weken logeert ook zijn oudere broertje Bernard Chaim in de Frans Halsstraat, om de overgang voor Karel niet te groot te maken. Daarna gaan Bernard en zijn broer Joseph Barent met een lid van een verzetsgroep mee naar Driebergen, waar ze worden ondergebracht in het kindertehuis van de zusters Suus Dermout en Mien Deenik. Als reden voor Karels verblijf in Zaandam voert het echtpaar Aten desgevraagd aan dat diens moeder lijdt aan open tbc en om die reden in een kuuroord verblijft. Het jongetje krijgt een gezien de omstandigheden zo normaal mogelijke opvoeding. Hij gaat na enige tijd zelfs naar school, een montessoriklasje in Koog aan de Zaan.

Het echtpaar Aten werkt tegendraads en houdt zich niet aan de ongeschreven regel om joodse onderduikers zo goed mogelijk af te schermen van de buitenwereld. In plaats van de peuter te verbergen voor nieuwsgierige blikken en vijandige acties tonen ze hem openlijk. “Hierin stak natuurlijk een risico”, schrijft Remmert Aten. “Door z’n nogal blauwe ogen en donkerblond krullend haar viel hij niet op als joods type. Bij navraag hadden wij hem door kunnen laten gaan voor een neefje uit België of zo. Er is nooit navraag gedaan en in zoverre hebben wij dus geluk gehad. Deze methode, dus van volkomen gewoon doen, er geen aandacht op laten vallen, maar ook niet half verstoppen of op de achtergrond houden, bleek dus in bepaalde omstandigheden met wat geluk mogelijk.”

Het is een werkwijze die goed bevalt. Zo goed dat ook andere onderduikers in de woning van de houthandelaar worden ‘ingebed’ in het buurtleven. Uit voorzorg bouwt het echtpaar wel een schuilplaats op zolder, een noodvoorziening waarvan de onderduikers overigens geen gebruik hoeven te maken. “In het algemeen zullen de mensen, die beslist opgemerkt moeten hebben dat er bij ons gasten waren, niet direct gedacht hebben dat deze joods waren, maar de mogelijkheid dat ze ’t waren moet ze toch voor ogen gestaan hebben. En door het ‘gewoon’ doen van ons hebben ze er onder elkaar weinig over gekletst, als ’t ware aanvoelend dat kletsen in dit geval gevaarlijk kon worden. Of zelfs NSB’ers bij ons in de buurt, of met de Duitsers sympathiserenden, ook niet maar liever gezwegen hebben dan als verrader op te treden is voor mij ook nog een vraag. (…) Juist het feit dat het haast nergens zo gedaan werd maakte dat men haast nooit veronderstelde dat joodse mensen op deze manier openlijk durfden te leven. En deze veronderstelling maakte dus dat dit in enkele speciale gevallen juist lukken kon.”

Een van de joodse gasten is Eva Fränkel, een 24-jarige kunstenares uit Duitsland. Van 1936 tot 1938 studeert ze aan een Berlijnse kunstacademie, maar het politieke klimaat noopt haar tot een vlucht naar het buitenland. Binnen twee jaar ziet ze haar vervolgers terug in Nederland, waar ze over woonruimte beschikt in de Wieringermeer. Daar studeert en werkt ze in het joodse werkdorp, een opvangplaats voor enkele honderden jonge, voornamelijk Duitse vluchtelingen. Ze beschouwen Nederland als een tussenstap op weg naar het beloofde land, Erets Jisraël. Maar op 20 maart 1941 gaan de Duitsers over tot de gedeeltelijke ontruiming van het werkdorp. Niet veel later volgt de algehele onttakeling. Ruim tweehonderd inwoners, onder wie Fränkel, worden met bussen afgevoerd naar Amsterdam. Hun ervaringen in Duitsland indachtig veronderstellen de ontzette Palestina-pioniers dat het concentratiekamp de eerstvolgende stop zal zijn. Tot hun opluchting worden ze echter vrijgelaten bij de diamantfabriek van Abraham Asscher, de voorzitter van de Joodsche Raad. Hij dient te zorgen voor hun huisvesting. Fränkel krijgt een plek bij een joodse familie.

Erg lang kan ze daar niet blijven. Op woensdag 11 juni meldt de Joodsche Raad aan de jongeren van het werkdorp dat de Duitsers hen die avond thuis komen ophalen. Ze moeten op bevel van de SD terug naar Wieringen. Niet iedereen vertrouwt de ogenschijnlijk goede tijding. Die argwaan blijkt terecht. Het huis-aan-huis ophalen blijkt onderdeel van een represaille voor enkele aanslagen tegen nazistische instellingen, eerder dat voorjaar. Als reactie daarop dienen driehonderd in Amsterdam verblijvende joodse mannen naar het vernietigingskamp Mauthausen te worden getransporteerd. Eva Fränkel is een van de weinigen die wantrouwend staan tegenover de tijding van de Joodsche Raad, ook al behoort zij niet tot de eerste doelgroep van SD-leider Willy Lages. Vlak voor de razzia’s beginnen verlaat ze haar tijdelijke adres en gaat ze op zoek naar een schuilplaats.

Via via komt Fränkel na verloop van tijd in contact met het echtpaar Aten. Ze kan er in 1942 aan het werk als dienstmeisje. Deze baan en een vals persoonsbewijs legitimeren haar verblijf aan de Frans Halsstraat en voorkomen moeilijke vragen. Via Amsterdamse kunstenaarsconnecties belandt Eva zelfs in een verzetsorganisatie. Verder kopieert ze aan de lopende band schilderijen van Van Gogh. Naar verluidt vinden ze via via gretig aftrek bij leden van de Wehrmacht. Op een gegeven moment wordt haar verblijf bij de Atens echter te riskant. Remmert regelt daarop onderdak bij Willem en Lena Hart. Dit diepgelovige echtpaar woont om de hoek, in de Saenredamstraat. Eva krijgt er de kans om op hun baby te passen en ontvangt in ruil een salaris. Vervalste documenten bieden haar de mogelijkheid om rond te reizen.

Een andere onderduiker die langere tijd bij de familie Aten verblijft is de 39-jarige onderwijzeres Roza Julia Tof. Ze is de oudste dochter uit een Veendams gezin. Haar zus Judik is een bekende mezzosopraan, die in februari 1940 haar debuut maakt bij het Concertgebouworkest. Dat zal meteen haar laatste grote optreden zijn. Een beroepsverbod treft haar. Roza duikt als enig gezinslid onder. Haar ouders menen op grond van hun leeftijd geen gevaar te lopen. Begin april 1943 moeten echter ook zij zich melden voor deportatie. Binnen een maand zijn ze allebei gestorven, zij in kamp Vught, hij in Sobibor. Het ontbreekt Roza uiteraard aan kennis over hun lot. Evenmin verneemt ze dat Judik en haar man in juni 1943 worden vermoord, ook in Sobibor. Roza gaat in Zaandam schuil achter de naam ‘Ans’ en helpt Greet Aten in de huishouding. Ook zij heeft een vervalst persoonsbewijs, wat haar een zekere mate van vrijheid geeft.

Dat geldt tevens voor Hans Holtz, die net als Eva Fränkel uit Duitsland is vertrokken. De al wat oudere joodse man is zogenaamd uit zijn Rotterdamse huis gebombardeerd en als resultaat daarvan in Zaandam beland, dat wel meer daklozen uit de Maasstad opvangt. Holtz gaat tijdelijk als ‘Van Houten’ door het leven. Opvallend aan hem is, naast een humeurig voorkomen, zijn wekelijkse kerkvisite. De ene zondag bezoekt hij een gereformeerd gebedshuis, de volgende een hervormd. Hij heeft alle tijd om de diensten in Zaandam te vergelijken, want hij bivakkeert er tot aan de bevrijding. Karel Waagenaar, Eva Fränkel en Roza Tof vertoeven eveneens langdurig bij de Atens. Hun grote hoekwoning doet echter ook dienst als doorgangshuis. Dochter Marion herinnert zich bijvoorbeeld dat het echtpaar Van Leeuwen er een tijdje onderdak krijgt.

Om aan nieuwe Ausweisen te komen voor haar gasten deinst Greet Aten er niet voor terug om op rooftocht te gaan. Ze struint de jassen af die bezoekers van de roei- en tennisvereniging in de kleedkamer achterlaten en ontdoet ze van bruikbare persoonsdocumenten. Ook schroomt ze niet om haar eigen identiteitskaart bij de politie als verloren op te geven. Haar diefstal van persoonsbewijzen is overigens van korte duur. De risico’s zijn te groot.

Het verblijf van de joodse gasten verloopt geruime tijd zonder problemen, ondanks dat er alleen al in de Frans Halsstraat twee NSB-gezinnen wonen en ook de omliggende straten niet vrij zijn van nationaal-socialistische aanhangers. “Ik geloof wel te moeten erkennen dat ‘good luck’ een grote rol hierin gespeeld heeft”, zal Aten later zeggen.

Die voorspoed ontberen de twee broertjes van Karel Daniel Waagenaar. Ze zijn twee jaar lang gastvrij opgevangen in het Driebergense kindertehuis De Viersprong, maar als gevolg van verraad volgt daar op 6 januari 1944 een overval. Onder toezicht van twee Duitse officieren en een tolk worden de joodse en de niet-joodse kinderen van elkaar gescheiden. De Waagenaars en vijftien andere kinderen worden in een paardentram gezet en afgevoerd naar het station van Driebergen. Marion Hijmans van den Bergh-Aten over de broertjes Waagenaar: “Ik was toevallig bij hun ouders op bezoek, die in Wageningen ondergedoken zaten bij een oudere vrouw, toen er een telefoontje kwam dat ze waren opgepakt.” De ouders reizen met Marion mee naar Zaandam. Het duurt niet lang of er komt daar bericht dat Bernard en Joseph Waagenaar op 12 januari van de Hollandsche Schouwburg naar Westerbork worden gebracht. Hun vader en moeder gaan die dag met Remmert naar het Centraal Station, in de hoop de jongens uit de rij te kunnen halen. Ze komen te laat. Eerder dan gepland was zijn de treinen de hoofdstad uitgereden. In de wagons zitten 120 slachtoffers, vooral onderduikers uit Arnhem en Amsterdam. Ook Bernard en Joseph Waagenaar behoren tot de weggevoerden. De jongens blijven slechts twee weken in kamp Westerbork. “Bij vliegende storm en gutsende regen is een transport van duizend man naar Auschwitz vertrokken. Weer in beestenwagens”, registreert de in Westerbork vastgezette journalist Philip Mechanicus de ellendige situatie. “Het hoofdaandeel heeft de S-barak geleverd: vijfhonderdnegentig man. De rest, de jonge mannen van de Alijah, oude mannen van het ziekenhuis en eenendertig kleine, naamloze kinderen, die in het Weeshuis lagen.” De barre reis naar Polen duurt drie dagen. Op 28 januari 1944 worden Bernard (7) en Joseph (9) Waagenaar onmiddellijk na aankomst in Auschwitz naar de gaskamer gebracht.

Ook Eva Fränkel valt in Duitse handen. Ondanks haar valse documenten wordt ze gearresteerd wanneer ze met de trein onderweg is naar Amsterdam. Ze slaagt er bovendien niet in om enkele meegedragen documenten te vernietigen die wijzen op een relatie met de familie Hart. Haar gastgezin voelt zich dan ook gedwongen om onder te duiken. Fränkel belandt op 19 mei 1944 via een Amsterdamse cel en het Scheveningse Oranjehotel in barak 67 van concentratiekamp Westerbork. Bijna vier maanden later wordt ze als ‘strafgeval’ gedeporteerd naar het concentratiekamp Theresienstadt. Het is het laatste transport vanuit Westerbork naar dit kamp en er gaan niet minder dan 2087 gevangenen mee. “In goederenwagons, waarin als enige luchtverversing enkele openingen; als toilet een paar emmers”, schrijft historicus Jacques Presser. Hij citeert verder een niet bij naam genoemd iemand: “Het verwonderlijke was, dat in deze en gene wagon een goede stemming heerste. Verschillenden speelden kaart op een geïmproviseerde tafel, maakten grappen en zongen liedjes.” Eva Fränkel overleeft de ontberingen van Theresienstadt. Op 15 juni 1945 is ze terug in Amsterdam. Gastvrij als ze zijn stellen Willem en Lena Hart wederom hun huis open voor de jonge vrouw. Ze blijft bij het echtpaar tot 1 maart 1946, wanneer ze emigreert naar de Israëlische staat in wording. Daar weet ze zich te ontplooien tot een bekend kunstschilder.

Na het oppakken van zijn broertjes wordt Karel Waagenaar in Wageningen herenigd met zijn ouders, die hem aan hun zijde willen houden. Het geallieerde front komt echter in het najaar van 1944 steeds dichterbij en de situatie in Wageningen wordt te gevaarlijk. De Duitsers evacueren de stad. Ook het gezin Waagenaar moet weg. Ze komen in Bennekom terecht. Daar hebben de chemisch ingenieur Pieter Schoorl en zijn echtgenote Annaatje een dagtaak aan het verzorgen van joodse onderduikers. Tientallen vluchtelingen vinden voor kortere of langere tijd een plek in hun woning of zijn werkplaats, een nabij gelegen laboratorium. De rust is er van korte duur. Tijdens de slag om Arnhem is het lab doelwit tijdens een bombardement. Alle vaste en tijdelijke bewoners overleven de aanval, maar hun onderkomen is niet langer bruikbaar. Bennekom wordt geëvacueerd en de familie Waagenaar keert terug naar Noord-Holland.

Hans Holtz en Roza Tof maken het einde van de oorlog wel in Zaandam mee. Hoe het de eerstgenoemde daarna vergaat is niet bekend. Tof, die binnen enkele maanden is beroofd van zowel haar ouders als haar zuster en zwager, vestigt zich definitief in Zaandam. Ze geeft er les op een basisschool en werkt als kosteres bij de plaatselijke synagoge.

Scan10018
Remmert Aten, datum onbekend

3.

Franci de Munck-Siffels is getrouwd met een communistische man die tijdens de Spaanse burgeroorlog heeft gevochten tegen de fascistische troepen van generaal Franco. Hij krijgt financiële steun van het CPN-solidariteitsfonds en onderhoudt contacten met gelijkgestemden. Een ruzie met haar man over al dan niet vermeende ontrouw is voor Franci de Munck reden om op hoge poten naar de Amsterdamse Sicherheitsdienst te stappen. Uit wraak geeft ze daar de namen door van een aantal Zaankanters die volgens haar communistische sympathieën hebben. Het is koren op de molen van de nazi’s. In de nacht van 22 op 23 november 1943 rijdt de SD met de nieuw verworven informatiebron door Zaandam en laat haar de adressen aanwijzen waar linkse activisten zouden wonen. Een arrestatiegolf is het gevolg. Diverse verzetsmensen verdwijnen in de cel. De gewaarschuwde verzetsman Sjef Swolfs ontspringt in eerste instantie de dans, maar anderhalve week later volgt er alsnog een inval bij zijn woning aan de Zuiddijk 168. De SD vindt er enkele blokjes van de springstof trotyl. Het echtpaar Swolfs wordt daarop afgevoerd. In het kolenhok van hun woning ligt echter nog zo’n dertig kilo trotyl, alsmede een voorraad handgranaten en munitie. De goederen zijn afkomstig van de Artillerie Inrichtingen, Swolfs’ werkgever. Melkventer Barend Vethaak slaagt er in de goederen weg te halen voordat de politie er beslag op kan leggen. Hij vult enkele melkbussen met de explosieven, laadt die op zijn wagen en verbergt ze in zijn eigen huis. Via via belandt de voorraad in de machinekamer van balkenzagerij De Bark. De goederen worden later gebruikt bij aanslagen.

Remmert Aten verbergt wel vaker wapenvoorraden in zijn bedrijf. Naarmate de oorlog voortschrijdt komen er meer wapens het land in. Waar in de beginfase de afhankelijkheid van de Artillerie Inrichtingen groot is, kan het verzet met name de tweede helft van de oorlog in toenemende mate gebruikmaken van gedropte goederen. Een van de plaatsen waar de geallieerden hun materiaal parachuteren is een afwerpterrein bij het dorp Spanbroek. In de loop der maanden zal er beetje bij beetje 65 ton gedropt worden; wapentuig, maar ook voedsel en civiele materialen. Een klein deel daarvan gaat per auto en bakfiets naar de Zaanstreek. De stenguns en granaten krijgen een plekje bij De Bark. Ze worden tevoorschijn gehaald zodra er een overval of aanslag mee gepleegd moet worden en dienen als instructiemateriaal in de Katholieke Volksbond, een Zaandams verenigingsgebouw waar diverse verzetsgroepen samenkomen. Ook Aten oefent er op de omgang met ‘brandbom, handgranaat en revolver’, zoals in een BS-rapport te lezen valt.

Remmert Aten is breed inzetbaar. Of het nu gaat om het verbergen van verboden goederen, het huisvesten van vluchtelingen, het ontruimen van de ondermijnde Hembrug of het leggen van illegale contacten; men kan een beroep om hem doen. Hij is ook niet te beroerd om er gewapend op uit te trekken en Duitse soldaten te ontdoen van hun rijwiel, schokgranaten aan te brengen boven de Provincialeweg (met de bedoeling langsrijdende Duitse wagens te beschadigen) of te helpen bij een overval.

Geruchtmakend is bijvoorbeeld het leeghalen van het Zaandamse gemeentehuis. Dat is nodig omdat zelfs gedurende de laatste stuiptrekkingen van hun oorlog de Duitsers proberen om Nederlanders te ronselen voor de arbeidsinzet. Pal voor kerstmis 1944 kondigen ze een arbeidsdienstplicht af voor alle mannen van 16 tot 40 jaar. De Zaanse illegaliteit neemt het voortouw om deze Liese-Aktion te saboteren, kort daarna gevolgd door verzetsgroepen elders in het land. Provinciaal verzetsleider Kees Kraay krijgt van zijn stadgenoot Walraven van Hall de opdracht om de bevolkingsregisters in de Zaanstreek te kraken. Dat lukt in bijna alle gevallen. Op 25 en 26 december slaagt de GSA er in de opgeslagen persoonsgegevens van negen Zaangemeenten weg te halen. In Zaandam, de grootste plaats in de regio, is ook Remmert Aten van de partij. Voorafgaand aan de overval op het Zaandamse stadhuis komen hij en tientallen andere deelnemers aan de Oostzijde bij elkaar in de Volksbond. Het zijn katholieken, protestanten, communisten en sociaal-democraten, voor even verenigd in een gezamenlijk streven. GSA-commandant Gerrit Koeman deelt er orders uit, waarna het gezelschap in kleine groepjes uiteen gaat. Naast café Lammes worden gewapende wachtposten uitgezet. Hetzelfde gebeurt op andere hoeken van het plein rond het gemeentehuis. Urenlang houdt er ook een ploegje de omgeving in de gaten vanaf het openbare urinoir bij de Prins Hendrikkade. Als ze er eindelijk, ietwat misselijk, weg mogen verspreidt hun kleding een penetrante lucht. De dagen erna gaan de mannen door het leven als de ‘pisbakploeg’, maar het doel heiligt in dit geval de middelen.

Wat er die avond vanaf 22.45 uur in het stadhuis gebeurt is gedetailleerd vastgelegd in een politierapport. “Omtrent genoemd tijdstip werd er aan de deur van genoemd gemeentehuis gerammeld, waarop een burgerbewaker, belast met de bewaking van het gemeentehuis, zich naar de deur begaf. Deze vroeg naar het wachtwoord, waarop door de persoon die aan de deur gerammeld had het wachtwoord werd genoemd. Nadat de bewaker de deur had geopend traden ongeveer 30 à 40 gewapende personen, waarvan verschillende gekleed in uniformen der Nederlandse politie, het gemeentehuis binnen. De niet in uniform geklede overvallers hadden een masker voor het gezicht. De met de bewaking van genoemd gemeentehuis belaste personen, zijnde een wachtmeester van politie en een burgerbewaker, werden door enige overvallers met wapens in bedwang gehouden en daarna met touwen op stoelen vastgebonden. (…) Het bevolkingsregister is vermoedelijk per auto weggevoerd, dit is echter door niemand gezien. De in het gemeentehuis aanwezige alarminrichting bleek onmiddellijk na het betreden van het gemeentehuis door de overvallers onklaar te zijn gemaakt, waardoor het bureau van politie alhier niet kon worden gewaarschuwd.”

Het archief wordt inderdaad per auto weggevoerd, in twee vrachtwagens om precies te zijn. Daarmee wordt het de Duitsers lastig gemaakt om potentiële dwangarbeiders op te sporen. De documenten krijgen tot aan de bevrijding een plek in een onopvallende hoek van een boerderij. De overvallers moeten na de geslaagde actie nog wel in allerijl terug naar het gemeentehuis. Het is plotseling gaan sneeuwen en de goed zichtbare bandensporen van de gebruikte auto’s dienen te worden gewist. Pas daarna, in de vroege ochtend van 26 december, kunnen Remmert Aten en zijn medestrijders met een tevreden gevoel het bed opzoeken.

4.

Zaanse verzetsmensen spelen een cruciale rol bij het opzetten van het Nationaal Steunfonds, een organisatie die tijdens de oorlog bijna ƒ84 miljoen bijeenbrengt ten bate van verzetsorganisaties, onderduikers en spoorwegstakers. Het NSF komt voort uit de Zeemanspot. De overgrote meerderheid van de Nederlandse koopvaardijvloot is na de Nederlandse capitulatie uitgeweken naar Groot-Brittannië. In eerste instantie heeft dat geen gevolgen voor de uitbetaling van de zeemanssalarissen aan de in Nederland achtergebleven familieleden. Maar in het najaar van 1941 eist de bezetter dat deze uitkeringen drastisch moeten worden gereduceerd. De voormalige koopvaardij-officier Walraven van Hall kan dat niet verkroppen. Samen met zijn plaatsgenoot Jaap Buijs begint hij in de Zaanstreek geld in te zamelen voor de getroffen gezinnen. Ze zijn niet de enigen die zo te werk gaan. In verschillende gemeenten wordt er hulp gemobiliseerd. Eind 1941, begin 1942 ontstaat er contact tussen en vervolgens bundeling van de diverse lokale comités. De geboorte van de Zeemanspot is een feit, de uitbetalingen krijgen een landelijk karakter.

Van Hall en zijn collega’s slagen er in om zoveel te lenen dat de Zeemanspot permanent gevuld blijft en er zelfs werkkapitaal resteert. Maar al snel is duidelijk dat niet alleen de gezinnen van zeevaarders hulp nodig hebben. Het aantal ondergrondse organisaties groeit. Kandidaten voor de Arbeitseinsatz verbergen zich, ook al betekent dat verlies van werk en dus salaris. Ambtenaren die weigeren mee te werken aan de Duitse wensen krijgen ontslag, met inkomstenderving tot gevolg. Ze zijn bijna allemaal afhankelijk van externe financiering. Begin 1943 besluiten de broers Gijs en Walraven van Hall om naast de Zeemanspot een Landrottenfonds op te bouwen. Er gaan grote bedragen in om. Waar het minimumbedrag aan leningen bij de Zeemanspot ƒ1000,- was, loopt dat bij het Landrottenfonds op tot ƒ25.000,-. Dat het lukt om zulke sommen bij elkaar te krijgen is vooral te danken aan de achtergrond van de familie Van Hall; zowel Gijs en Walraven als hun vader hebben respectabele posities in de financiële wereld. Dankzij de illegale leningen die ze kunnen afsluiten bij particulieren en banken weet het Nationaal Steunfonds -zoals het Landrottenfonds na een tijdje wordt genoemd- al snel honderdduizenden guldens bij elkaar te brengen.

Bij het NSF kloppen ook verzetsgroepen aan die joden verzorgen. Het leidt in het najaar van 1943 tot een nieuwe organisatie, de NSF-Vakgroep J. Om de risico’s te beperken krijgt deze NSF-tak een eigen bestuur. Mocht de Vakgroep J worden opgerold, zo is de gedachte bij Van Hall, dan loopt de rest van het NSF minder kans te worden meegesleurd. Walraven van Hall neemt contact op met een betrouwbare relatie uit de bankwereld, Herman Götzen. Gezamenlijk gaan ze op zoek naar geschikte bestuurskandidaten. De eerste gegadigde is een voormalig medewerker van de Joodsche Raad in Amsterdam, A. Krouwer. “In juni 1943 kreeg ik bezoek van Wally van Hall, die vergezeld was van Götzen”, vertelt hij. “Zij zochten iemand die met de joden bekend was, die alles wist van het begin af van de jodenvervolging, enz. Men had namelijk besloten naast de verschillende mensen die men ondersteunde ook de ondergedoken joden te gaan steunen, die overal van afgesloten waren. Men was toen bij Götzen gekomen of hij dat wilde doen, maar Götzen was niet zo bekend met de joden. Götzen kende echter mij (ik ben directeur van de Handelmij. Europa-Azië), ik ben zelf jood en lid geweest van de Joodsche Raad; ik kende dus het wel en wee van de joden. Met de heer Götzen sloot ik vroeger assurantiezaken. Er was daarna een bijeenkomst met Götzen, Van Hall, Roorda, de Vries, mej. Steenbrugge, Westra en ikzelf.”

De genoemde betrokkenen hebben verschillende herinneringen aan die eerste bijeenkomst. De OD-koerierster H. Steenbrugge bijvoorbeeld zegt dat Remmert Aten er ook bij is. Een verzetskennis benadert haar eind 1943. “Hij kwam met het verzoek of ik in Amsterdam mij met de Vakgroep J wilde belasten. Toen ik na overleg met degene voor wie ik werkte daarop bevestigend had geantwoord werd ik in contact gebracht met de heer Götzen, die mij meedeelde dat de ondersteuning van de joden van de rest moest worden afgescheiden. Behalve mij zou hij nog iemand uit het Gooi en uit de Zaanstreek vragen. Zo kwamen wij korte tijd daarna samen: Götzen, Roorda (Gooi), Aten (Zaanstreek) en ik.”

De Hilversummer L. Roorda kan zich alleen een eerste ontmoeting met Götzen en Aten voor de geest halen. “Uit deze vergadering is de Vakgroep J geboren.” Maar er is ook een document bewaard gebleven waarin hij Van Hall noemt als mede-aanwezige: “Een vergadering had plaats in het gebouw Industrie, waar we kennismaakten met de heer Van Hall (toen Van Tuyl, Koopman) en de heer Aten (De Lange). Wij besloten de steun aan joden gescheiden te houden van de ondersteuning van zeelieden en gewone onderduikers. Deze afzonderlijke financiering was nodig omdat de verzorgers van de joden zoveel kwetsbaarder was. ‘De nieuwe Joodsche Raad’, later Vakgroep J geheten, ontstond toen.”

Remmert Aten wordt via Jaap Buijs aan Walraven van Hall voorgesteld. Buijs en Aten kennen elkaar uit de houthandel. Hun beider bedrijven grenzen in het Zaandamse Westzijderveld aan elkaar. Ze wonen bovendien allebei in de Schildersbuurt en zijn in de jaren twintig enige tijd buren geweest, op de Westzijde. Atens introductie bij de vaderlandse verzetsleider vindt plaats in februari of maart 1944. Aten: “Ik kende Wally niet -wist wel van zijn positie in Zaandam-, had over hem gehoord in verband met zijn poging om door middel van de Nederlandsche Unie stelling te nemen tegen de bezetters. Van zijn activiteit als ondergronds werker was mij niets bekend en ik was dus wel nieuwsgierig wat mijn bezoek op zou leveren, daar Jaap B. mij alleen gezegd had, dat het goed zou kunnen zijn als ik eens zou willen komen praten. Er werd niet lang getheoretiseerd, maar ik kreeg onmiddellijk een plan voorgelegd om mede te werken aan het economisch steunen van alle ondergedoken joodse Nederlandse staatsburgers. Of nee, het betrof alle joden, want ook de Duitse emigranten vielen er onder.”

De basis van de nieuwe organisatie is dan al gelegd. “Er zou zoveel geld zijn als wij nodig hadden. Ieder lid ging in zijn rayon er op uit om contacten te zoeken met ondergrondse organisaties die onderduikers en/of joden steunden. Wij kregen contact met vertegenwoordigers van het NSF die in de belangrijkste centra werkten en deze brachten ons in aanraking met geschikte personen om als verbinding tussen de nieuwe vakgroep en de bestaande groepen te fungeren. Alle adressen van joodse onderduikers bleven geheim. Noch de ondergedokenen noch de gastheren hadden een rustig ogenblik als zij hun adres bekend wisten bij een organisatie die misschien alles te boek gesteld had en ieder moment opgerold kon worden.”

Remmert Aten heeft vertrouwen in de onderneming, ook al vertellen Buijs en Van Hall hem niet meer dan het hoogst noodzakelijke. “De naam NSF werd niet genoemd. Alleen een tipje van de sluier werd opgelicht, net genoeg om mij de overtuiging te geven dat als ik deze kans om mede te werken aangreep, ik in de gelegenheid zou zijn veel te doen voor de achtervolgde joden.” Vier andere gegadigden tonen zich eveneens bereid. De Vakgroep J kan van start. In het prille begin gebeurt dat onder voorzitterschap van Herman Götzen. Die valt echter al snel in handen van de Duitsers, waarna A. Krouwer zijn taak overneemt. Van Hall had beter iemand anders kunnen kiezen, meent medebestuurder Steenbrugge. “Hij kwam met de heer Krouwer, die bij de Joodsche Raad werkzaam is geweest. Dit is m.i. geen gelukkige greep gebleken. Zelf had ik nooit iemand van de Joodsche Raad genomen. Achteraf bleek het ook iemand te zijn met wie moeilijk viel samen te werken. Hij speelde graag de belangrijkste persoon.”

Het bestuur komt wekelijks bij elkaar op wisselende locaties in Amsterdam. Twee maal per maand haalt Krouwer het voor de onderduikers benodigde geld op bij een NSF-kassier aan de Herengracht 368. In het begin gaat het om enkele tienduizenden guldens, maar dat bedrag loopt al snel op tot meer dan vier ton per maand. Tijdens de bestuursoverleggen verdelen de aanwezigen het geld. Krouwer: “Ieders taak was om cellen te vormen om zich heen, die weer in contact stonden met mensen die uiteindelijk met de onderduikers in contact stonden.” Remmert Aten is verantwoordelijk voor de verdeling van het geld over Noord- en Zuid-Holland, met uitzondering van Amsterdam en het Gooi: “Ik heb contact gehad in Den Haag (300 mensen), Rotterdam, Gouda, Leiden en Haarlem”, zegt hij zelf.

Aanvankelijk reist de houthandelaar nog wel eens met een stapel bankbiljetten naar Amsterdam, ook al hoort die stad officieel niet tot zijn district. Aten werkt daar samen met een vertegenwoordiger van de Vrije Groepen Amsterdam (VGA), Bob van Amerongen. “Hij schonk ons het geld, zodat we onze persoonsbewijzen en bonkaarten niet meer hoefden te verkopen, maar ze gratis aan de onderduikers konden geven. Wij kregen gewoon van het NSF duizend gulden of zo per maand, althans zoveel als we strikt nodig hadden”, aldus Jan Hemelrijk, een van de VGA-initiatiefnemers. “Remmert ontmoette maandelijks Bob van Amerongen ergens en droeg dan het geld in een sok. Maar op een kwade dag werd Remmert overgeplaatst, althans er kwam een ander voor hem in de plaats. Toen die de eerste maal Bob ontmoette zei hij dat hij het geld wel wilde geven, maar dan diende hij over de namen en adressen te beschikken van de onderduikers voor wie het geld bedoeld was. Er kon natuurlijk geen sprake van zijn dat wij daar op in zouden gaan. De LO heeft dat in sommige gevallen wel gedaan, en dat heeft ettelijke keren geleid tot arrestaties van onderduikers.” Na enig onderhandelen ontvangt de VGA alsnog de benodigde financiën, zonder de personalia van haar onderduikers te hoeven melden.

Uit bewaard gebleven NSF-documenten blijkt hoe de cellenstructuur er in de praktijk uitziet. Als voorbeeld kan de situatie in Haarlem dienen, de gemeente waar Aten verhoudingsgewijs het meeste geld heenbrengt. Alles bij elkaar levert hij tussen april 1944 en februari 1945 ƒ146.760,- af bij Hendrika Joosten (alias ‘Hans Liefland’). Maandelijks reist hij per trein naar haar woning aan de Zanenlaan 135 en laat daar een pak geld achter. Joosten verdeelt dat vervolgens in haar regio. Zo opereert op de Schouwtjeslaan 37rd. in Haarlem het echtpaar Vermeer als haar ‘onderaannemers’. Zij dragen de laatste oorlogsmaanden de verantwoordelijkheid voor 156 joden, die verspreid over Haarlem en omgeving verborgen zijn. Op hun beurt distribueren ook zij NSF-geld over hun eigen netwerk. En zo kan het gebeuren dat Zaandammer Piet Bosboom elke maand ruim ƒ2.000,- uit Zaandam ontvangt, maar dan wel via het echtpaar Vermeer. Zij weten misschien nog wel wie er schuilgaat achter ‘Hans Liefland’, maar hebben waarschijnlijk geen kennis van Aten, terwijl die op zijn beurt onwetend is van Bosbooms hulpverlening. Door ook nog te werken met schuilnamen wordt de beveiliging geoptimaliseerd. Zo staat Jan Vermeer bekend als ‘Das’ en ‘Klein’, heeft Aten ‘De Lange’ als pseudoniem en is Bosbooms alias ‘Piet Bakker’. Mocht er een tussenpersoon in handen vallen van de Sicherheitsdienst dan kan hij of zij slechts enkele (schuil-)namen uit de zeer directe omgeving verraden en blijven de gevolgen min of meer beperkt.

Het heen en weer reizen met flinke sommen blijft overigens riskant. Er is vaak toegangscontrole bij de stations en in de treinen. Daarbij worden tassen en soms ook kleding onderzocht. Wie zonder goede verklaring wordt betrapt met tienduizenden guldens op zak verdwijnt in de gevangenis. Slaagt de SD er in om een verband te ontdekken tussen de gevonden bankbiljetten en het verzet, dan is de kans groot dat hun arrestant de status ‘Todeskandidat’ krijgt. Dat geldt eveneens indien een van de contactpersonen wordt opgepakt en uit de school klapt. In dat verband moet ook Atens naoorlogse opmerking worden gelezen dat de zwemtocht naar de Hembrug vooral ‘een sportief gebeuren’ was, met minder risico dan zijn andere verzetswerk. “Mijn vrouw en ik hadden een joods kind en een joodse vrouw in huis en ik moest vaak het land in om geld te brengen naar andere ondergedoken joden. (…) In principe kon iedere keer als ik thuiskwam of als ik op een adres met een onderduiker kwam de SD op me zitten wachten. U zou eens moeten weten hoeveel mensen op die manier zijn gepakt en daarna niet meer zijn teruggekomen.”

Aten hoeft niet alles zelf te doen. Hij heeft via het NSF de beschikking over koeriersters en krijgt hulp van zijn echtgenote. Ook zijn tienerdochter Marion speelt een rol in het wegbrengen van geld. De kans dat zij, als schoolgaand meisje, wordt gecontroleerd en aangehouden is relatief klein en zo kan ze bijvoorbeeld met duizenden guldens naar Rotterdam reizen, om het daar te overhandigen aan een tussenpersoon.

Afhankelijk van hun persoonlijke situatie krijgen de onderduikers gemiddeld ƒ60,- tot ƒ100,- per maand uitgekeerd. Daarmee zijn overigens lang niet altijd alle kosten afgedekt. Uit een NSF-verslag: “Er kwamen ons gevallen ter ore van joodse onderduikers die ƒ300,-, ƒ500,-, ja zelfs ƒ1000,- per maand betaalden voor hun onderdak en onderhoud. Voor zoverre zij zelf over voldoende gelden beschikten konden wij ons hier natuurlijk niet in mengen. Er kon echter geen sprake van zijn dat het NSF dergelijke bedragen voor zijn rekening zou nemen.”

Waar sprake is van uitbuiting probeert de Vakgroep J de geëxploiteerde slachtoffers onder te brengen op een ander adres. Aan chantage wordt op geen enkele manier meegewerkt. Hoeveel joodse onderduikers er geholpen zijn staat niet vast. In het NSF-kaartsysteem zijn 4237 namen terug te vinden, maar daarbij gaat het vaak om meerdere gezinsleden. In totaal heeft de Vakgroep J naar schatting 8000-9000 joden voorzien van geld en, tijdens de spoorstaking, van etensbonnen en kleding. Begin 1943 leven er vermoedelijk zo’n 25.000 joodse onderduikers in Nederland. Daarvan worden er duizenden opgepakt en gedeporteerd, maar aangenomen kan worden dat minstens eenderde van de onderduikers met NSF-middelen is geholpen.

Die hulp blijft overigens niet beperkt tot het verstrekken van financiën. Het kan gebeuren dat de onderduikers zelf nog beschikken over geld. Gaat het om kleine coupures, dan is het meestal mogelijk om er goederen voor te laten kopen of de ‘huur’ van te betalen. De biljetten van ƒ500,- en ƒ1000,- daarentegen zijn in maart 1943 ongeldig verklaard. De bezetter hoopt door deze maatregel zwarthandelaren, de illegaliteit en onderduikers te dwarsbomen. Dankzij hun bankrelaties lukt het de gebroeders Van Hall om de bankbiljetten ook na de ongeldigverklaring in te wisselen. Steenbrugge: “Wanneer ik bij een joodse onderduiker een dergelijk biljet kreeg aangeboden, moest ik eerst zijn vroegere officiële adres en juiste naam weten. Dan werd via de belastinginspecteur nagegaan of de man zoveel geld bezeten kon hebben, want wij wilden natuurlijk niet de zwarte handel bevoordelen. Als dat in orde bleek te zijn werd de ƒ1000,- ingewisseld. Echter nooit meer dan één biljet. Kon men met ƒ250,- per maand toe, dan werd afgesproken dat ik over vier maanden terugkwam.”

Op de agenda van de wekelijkse NSF-bestuursvergaderingen staat ook standaard de verdeling van bonkaarten geagendeerd. De gestolen of nagemaakte kaarten worden geleverd door de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers. Voor valse identiteitsbewijzen zorgt de Persoonsbewijzencentrale. Telkens weer dienen er nieuwe horden te worden genomen, variërend van het onderbrengen van pasgeboren baby’s tot het onopvallend begraven van overleden onderduikers. En uiteraard ontstaan er regelmatig aanvaringen tussen gastgezinnen en gasten. Het maanden- of zelfs jarenlang verscholen blijven in kleine kamertjes, vaak zonder zicht op daglicht, eist zijn tol. In zijn publicatie Ondergang geeft Jacques Presser een voorbeeld van de benauwenis die het onderduiken met zich meebrengt: “Een onderduikster zette elke dag een kruisje in een hokje; op 17 oktober 1942 schreef zij in haar dagboek: ‘Dit is 38 dagen; ik hoop dat er geen 38 meer bijkomen’. Het werden er 933, dag in, dag uit in hetzelfde kamertje, op het oosten, in de kou, onverwarmd.” Ook in deze en andere stressvolle situaties is de hoop gericht op Remmert Aten en zijn collega-bestuurders.

5.

De Vakgroep J staat al snel stevig op de rails. Na een paar maanden loopt de geldverstrekking volgens Aten zelfs ‘als een soort routine’, met als voornaamste taken voor het bestuur ‘vergaderen en op bepaalde tijden de vertegenwoordigers bezoeken’. De situatie verandert echter zodra de regering in ballingschap op 17 september 1944 een landelijke spoorwegstaking uitroept. Het merendeel van de 30.000 spoormedewerkers geeft er gehoor aan en daarmee komt de treinenloop na enkele dagen stil te liggen. Het Nederlandse kabinet verwacht dat Nederland binnen afzienbare tijd bevrijd zal zijn, nu de geallieerden de Belgische grens zijn overgestoken en oprukken naar het Noorden. Maar de luchtlandingsoperatie Market Garden loopt vast bij Arnhem. Voor Aten en de andere leden van Vakgroep J zijn de gevolgen funest. Het openbaar vervoer is hun levenslijn met de geldverdelers en daarmee met hun doelgroep, de joodse bevolking.

Door de spoorwegstaking verslechtert bovendien de voedselsituatie in het westen van Nederland. De stilgelegde aanvoer van eerste levensbehoeften kan in eerste instantie deels worden gecompenseerd via transporten over water. Maar wanneer in december de winter toeslaat en de vaarten en kanalen bevriezen is ook die mogelijkheid afgesloten. Veel burgers zijn in staat om hongertochten te maken naar het platteland. De joodse onderduikers hebben uiteraard niet de kans om de straat op te gaan en daar naar eten te zoeken. Zij raken nog meer dan voorheen afhankelijk van de goedgeefsheid die hun omgeving tentoonspreidt.

Noodgedwongen trekt Remmert Aten vanaf september op een gammele fiets door Noord- en Zuid-Holland, het gevaar op de koop toenemend dat tijdens wegcontroles zijn meegenomen geldvoorraad wordt ontdekt. Hij krijgt overigens wel assistentie, in de persoon van zijn koeriersters Otti Lim en Fieka Tazelaar. Aten voorziet elke maand negen tussenpersonen van financiën, variërend van enkele honderden tot meer dan tienduizend gulden per keer. Hij gaat daar mee door tot december. “De laatste maand was het ondoenlijk”, zegt hij. Het sneeuwt, het vriest en er waait een ijzige wind. Hoe sportief de inmiddels 49-jarige Aten ook is, onder deze omstandigheden telkens weer honderden kilometers fietsen op een oud rijwiel is zelfs hem te bar. Hij gaat nog één keer langs zijn contactpersonen in de grote Zuid-Hollandse gemeenten en laat daar bedragen achter waarmee de onderduikers het enkele maanden moeten kunnen volhouden. Al dat geld in huis betekent nog niet dat de familie Aten er ook zelf gebruik van maakt. Dochter Marion: “We hadden wel honger. De onderduikers beschikten niet over voedselbonnen. Het weinige eten, bestemd voor een gezin van drie personen, moest verdeeld worden over veel meer mensen. Ik ging wel eens met mijn vader op de fiets met houten banden naar de Purmer, om voedsel te halen.”

Omdat hij niet meer naar Zuid-Holland hoeft, kan Aten meer tijd besteden aan de Gewestelijke Sabotage Afdeling. Daarnaast concentreert hij zich op het transporteren van NSF-geld naar adressen in Haarlem en de Zaanstreek. Het zijn er zeven. De daar wonende contactpersonen verbergen bijna allemaal zelf joden en brengen ook nog geld naar onderduikers op andere adressen. Zo heeft het in Zaandijk wonende echtpaar Keijzer via Piet Bosboom een tijd lang één of meer illegale bewoners in huis. Dat houdt echter op wanneer politieman Joop Keijzer wordt gearresteerd -overigens niet vanwege zijn hulp aan joden- en in een concentratiekamp verdwijnt. Voor zijn echtgenote is dat geen reden om het ondergrondse werk stop te zetten. Onder de schuilnamen ‘mevrouw Kool’ en ‘Tante Lena’ voorziet ze zeventien onderduikers van goederen en geld. Remmert Aten brengt tussen januari en mei 1945 de benodigde financiën, die oplopen tot meer dan ƒ2000,- per maand, naar haar huis aan de Oud Heinstraat 18. Ze woont in een waar verzetsstraatje. Alleen al op de Oud Heinstraat 16 en 23 hebben zich minstens negen joden verscholen. Het merendeel krijgt steun van de Vakgroep J.

Op 12 januari 1945 wordt Jaap Buijs gearresteerd, op 27 januari Walraven van Hall. De laatste zal het einde van de oorlog niet meemaken. Aten: “De laatste keer dat ik met hem samen was, was in zijn huis, samen met de heren Buijs, Sabel en Pel, op een zondagochtend. Dan werden de plaatselijke gebeurtenissen uitgewisseld, want van wat er aan de Zaan gebeurde werd hij geheel en al op de hoogte gehouden. Nog vaak moet ik aan die laatste bijeenkomst denken; hoe hij daar de ziel was van dat kleine gezelschap dat het verzet in de Zaanstreek leidde.”

Na Van Halls arrestatie bespreken de overgebleven Zaanse leiders met diens broer de kansen van een bevrijdingspoging. Gijs van Hall: “Achteraf beschouwd… misschien hadden we hem kunnen loskrijgen wanneer we als illegaliteit contact met Seyss-Inquart hadden opgenomen. Die contacten waren toen al mogelijk. Maar een politieman uit Zaandam, met wie we contacten hadden, zei ons -en dat was toen, achteraf beschouwd, terecht-: ‘Ze weten niet wie hij is’. Toen dachten we: als dat zo is, kunnen we hem beter als onbekende laten zitten dan speciaal de aandacht op hem vestigen. Later wisten ze dus wel wie hij was.” Aten: “Niets hebben wij vermogen te doen. Wij waren allen bereid, maar de leiding heeft geen teken gegeven. De kans op redding moet anders gelegen hebben. Dat deze gefaald heeft en niets het noodlot heeft kunnen afwenden is ontzettend.”

Voor de familie Aten komt het leed nog dichterbij. Tijdens de bouw van de boot die Remmert en hem naar Engeland moest brengen is Greets broer Henk Hoekstra in contact gekomen met een medewerker van Vrij Nederland. Op verzoek van deze illegale organisatie begint hij in 1942 met het vervaardigen van zend- en ontvangapparatuur. Via via komt de technicus in aanraking met de enkele kilometers verderop wonende Jan Thijssen. Diens Radiodienst heeft behoefte aan een binnenlands zendnetwerk. Hoekstra toont zich bereid om de benodigde toestellen te bouwen en bovendien commandant te worden van een zendkring in het Gooi (hij woont zelf in Blaricum). Zijn eigen woning aan de Woensbergweg 2 doet vanaf 1943 ook dienst als zend- en ontvangstcentrum. Van daaruit wordt contact onderhouden met diverse districten van de Ordedienst en met het OD-hoofdkwartier in Amsterdam. Technicus Hoekstra is er dag en nacht mee bezig, met steun van zijn echtgenote Tiny. Zij assisteert bij het (de)coderen van berichten, werft medewerkers en opereert als koerierster.

In vijf maanden tijd wisselt ‘Leidend Station I’, zoals het commandocentrum in de woning van de Hoekstra’s is gedoopt, ook nog eens ruim zeshonderd berichten met het Bureau Inlichtingen. Dat heeft een zendpost in het inmiddels bevrijde Eindhoven. Maar op 10 februari 1945 valt de Sicherheitspolizei binnen in de villa. Op het moment dat een agent Hoekstra de handboeien om wil doen, trekt die zijn pistool. Het wapen blijft echter in zijn kleding haken. Hoekstra wordt onmiddellijk doodgeschoten. Tiny vliegt daarop de Sipo-medewerkers aan, maar wordt overmeesterd en afgevoerd. Ze verdwijnt in de gevangenis en blijft vastzitten tot 1 april. Twee in het huis aanwezige marconisten slagen er in om zich tijdens de overval te verbergen. Hoekstra’s 8-jarige dochter haalt ze na het vertrek van de Duitsers met behulp van een buurman uit hun schuilplaats, waarna ze zich uit de voeten maken. De Sipo geeft begrafenisondernemer Johannes Bleekemolen opdracht om het lichaam van Henk Hoekstra te verwijderen uit diens woning. Het is inmiddels 12 februari, de dag dat Walraven van Hall met zeven anderen in Haarlem wordt gefusilleerd. Omdat Bleekemolen ook hen moet ophalen heeft hij een lucratieve dag. Hij begraaft de negen stoffelijke overschotten gezamenlijk in de Kennemerduinen en zendt de rekening voor zijn werkzaamheden, ƒ195,- per persoon, naar het gemeentebestuur.

De bezetter schakelt dus in korte tijd drie naasten uit van het echtpaar Aten, twee ondergronds werkende collega’s annex vrienden en een familielid. Het is een zware slag. Voor de Vakgroep J heeft het oppakken van Van Hall en Buijs overigens geen onoverkomelijke consequenties. De NSF-structuur is in nog geen twee jaar tijd zo solide opgebouwd dat zelfs zonder haar leiders (onder wie ook de in een eerder stadium gearresteerde en vervolgens doodgeschoten Iman van den Bosch) de zaken kunnen voortgaan. Vakgroep J continueert de werkzaamheden, intensiveert die zelfs tijdens de hongerwinter. In totaal verdeelt het bestuur tussen 1943 en 1945 ƒ4.690.518,-. Na de oorlog blijkt Remmert Aten daarvan ƒ448.661,- voor zijn rekening te hebben genomen. Het geld is tot de laatste cent verdeeld onder de honderden joodse onderduikers in Noord- en Zuid-Holland die van hem afhankelijk waren. Vertaald naar hedendaagse cijfers komt dat neer op ongeveer €2,3 miljoen.

De bevrijding betekent overigens niet het einde van Atens oorlogsbemoeienissen. Tijdens het laatste oorlogsjaar hebben de Binnenlandse Strijdkrachten een regionale Politieke Opsporingsdienst (POD) opgericht, waarvan ook Aten deel gaat uitmaken. De POD verzamelt gegevens over wat wordt genoemd ‘anti-Nederlandse elementen in de Zaanstreek’. Deze informatie bewijst zijn nut in mei 1945. Binnen enkele dagen na de capitulatie arresteren Aten en zijn collega’s ongeveer 1200 mensen die worden beschouwd als landverraders. Ze krijgen in afwachting van hun proces een plek in de als gevangenis fungerende school 9 en 10 aan de Zaandamse Stationsstraat. De POD- en Vakgroep J-activiteiten duren voort tot ver in de zomer. Pas dan kan Remmert Aten terug naar de vooroorlogse routine van alledag.

Remmert en Margreet Aten
Remmert en Margreet Aten na de oorlog bij hun woning

Vrijgevochten: de Zaanstreek in de Tweede Wereldoorlog (5)

19 apr

Tot de meidagen van 2015 publiceer ik op deze plek wekelijks een longread over een Zaanse verzetsstrijder die tussen 1940 en 1945 van landelijk of zelfs internationaal belang was. Na de bevrijding raakten ze in de vergetelheid. Door hen hier te portretteren hoop ik ze weer een beetje zichtbaar te maken. De zes verhalen zijn, aangevuld met voetnoten en namenindex, ook te lezen in mijn boek Vrijgevochten. Zaans verzet in nationaal perspectief (1940-1945). Het is hier te bestellen.
In deel 5 van deze korte serie een portret van Pieter Bosboom.

Piet Bosboom komt ter wereld in een klassiek Zaans arbeidersgezin. Vader Wolf en moeder Marianne moeten alle zeilen bijzetten om hun zeven overgebleven kinderen -twee overlijden binnen enkele maanden- voldoende eten te geven. Piet, nummer zes van de nakomelingen, wordt na zijn middelbare school arbeider bij de Zaandamse verffabriek Pieter Schoen. Hij komt uit een strijdbare familie. Vooral zijn joodse vader zet zich gepassioneerd in voor de SDAP en de socialistische vakbond. Piet raakt eind jaren dertig betrokken bij het onderbrengen van Duitse vluchtelingen en gaat na de bezetting door met zijn hulp aan met name joden. Na de oorlog ontvangt hij tal van onderscheidingen voor zijn verzetswerk, waarmee hij vele tientallen en waarschijnlijk honderden mensen het leven redt. Vreemd genoeg is in de Zaanse oorlogsliteratuur niets te vinden over het illegale werk van Piet Bosboom. Er is sprake geweest van een door de Israëlische overheid bekostigde biografie over de Zaandammer, maar verschil van mening tussen de hoofdpersoon en auteur Leonie Dubenbaum stond een publicatie in de weg.

Bosboom is na de oorlog fysiek en psychisch gebroken. Hij gaat desondanks tot augustus 1945 door met het verzorgen van ‘zijn’ onderduikers, dan nog enkele tientallen. Twee maanden later wordt hij opgenomen in een Aerdenhouts herstellingsoord voor oud-illegalen. In de zomer van 1946 krijgt hij werk aangeboden bij de ambtelijke instelling die zich bezighoudt met het retourneren van joodse eigendommen. Hij neemt er echter ontslag zodra de mogelijkheid zich voordoet om met het schip ‘Negba’ een reis te maken naar de nieuwe staat Israël. Een groot deel van de passagiers bestaat uit joodse kinderen die als wees uit de oorlog zijn gekomen. Bosboom neemt dienst in het Israëlische leger en vecht even mee in de onafhankelijkheidsoorlog tegen de Arabische buurlanden. “Ik dacht: dat moet de kroon op mijn werk worden, maar het liep een beetje anders. Ik ben daar op een ochtend tot bewustzijn gekomen in een dorpje, tussen de puinhopen van een huis. Ik had een shock.”

Na terugkeer in Nederland biedt warenhuis De Bijenkorf de arbeidsongeschikt verklaarde oorlogsveteraan een baan aan als bedrijfsrechercheur. In 1960 trouwt de inmiddels in Amsterdam wonende Bosboom met Janny Wolf. Zij heeft uit een eerder huwelijk drie kinderen. Ze krijgen er een broertje bij: Ben. In zijn latere leven raakt Piet Bosboom nauw betrokken bij de Stichting 1940-1945 en de liberale joods gemeente. Hij overlijdt in 1998 op 83-jarige leeftijd.

Piet Bosboom (1940)
Piet Bosboom in 1940

1.

Op zaterdag 17 januari 1942 trekken Zaandamse politieagenten langs de huizen waar joden wonen. Wolf en Marianne Bosboom zijn die dag 36 jaar getrouwd, maar te vieren valt er niets. De woensdagavond ervoor is bij hen een brief bezorgd met ‘Aanwijzingen voor de evacuatie uit Zaandam’. De overheidsboodschap, uitgedragen door de Joodsche Raad, is simpel: de eerstvolgende sabbat dient het echtpaar klaar te staan voor vertrek naar een Amsterdamse jodenwijk. “U kunt Zaterdag a.s. alles meenemen wat U of Uw gezinsleden kunt dragen.” De rest moeten ze achterlaten. Als allereerste Nederlandse gemeente wordt Zaandam ‘Judenrein’ gemaakt en ook de gemengd gehuwde Bosbooms staan op de politielijst.

De avond van de 14de is er spoedberaad. Wolf en Marianne besluiten na overleg met hun kinderen het huis leeg te halen, om te voorkomen dat hun eigendommen in handen vallen van de bezetter. De vrieskou trotserend ontruimen ze gezamenlijk de woning, tot het goed gevulde kolenhok op het achtererfje aan toe. De opmerking van een buurtbewoner dat ze illegaal bezig zijn (“Je moet alles achterlaten!”) wordt door een van de zoons beantwoord met een vuistslag die dwars door de schutting gaat. “Ik denk niet dat iemand iets gezien heeft, maar mocht dat wel zo zijn dan zal hij zijn mond wel houden”, klinkt het fel. Twee dagen lang wordt er gesjouwd en verhuisd. De bezittingen gaan per handkar en bakfiets naar familieleden die volgens de Duitse logica wel min of meer ‘arisch’ zijn, donderdag het kleine spul en vrijdag de meubels. Opgeslagen bij de andere Bosbooms loopt de woningvoorraad vooralsnog geen gevaar.

Vrijdagavond zit de familie opnieuw bij elkaar. Op het achtergebleven zeil staan een tafel en een paar stoelen, verder is de arbeiderswoning leeg. Nathan, de 30-jarige zoon van Wolf en Marianne: “Ik was de enige die niet huilde. De buren waren er, en iedereen was er mee bezig. Chaotisch was het. Iedereen zat met dit en dat, maar niemand wist wat.” Zijn vier jaar jongere broer Piet: “De avond voor vertrek was ik zeer verdrietig. Ik heb op de schoot van m’n moeder gehuild. De buren waren allemaal zeer begaan met de familie Bosboom: tussen aanhalingstekens.” De zelfbenoemde ‘bewariërs’ uit de omliggende straten zijn namelijk best bereid om op de inboedel te passen, liefst langdurig. “De ene wilde de klok wel hebben en de andere wilde dat wel hebben, je kent dat wel”, zegt Piet.

Wanneer politieman Theo van der Wulp op 17 januari controleert of het gezin Bosboom meewerkt aan de verplichte verhuizing, treft hij een leeggehaalde woning aan. Hij noteert dat er drie bewoners klaarstaan voor vertrek, controleert hun bagage, neemt de huissleutels in ontvangst en verzegelt Zeemansstraat 35. Uitgezwaaid door twee buren lopen vader Wolf, moeder Marianne en jongste dochter Anna naar het treinstation. Zoon Martinus begeleidt hen. Bepakt met koffers en tassen verlaten ze de stad. Als de trein over de Hembrug rijdt en het Noordzeekanaal passeert kunnen ze nog één keer achterom kijken naar de plaats waar ze tientallen jaren hebben gewoond. De verbanning uit Zaandam is een feit.

Hun stadgenoot Klazina Kuiper noteert een etmaal later in haar dagboek: “Het is gebeurd, alle joden in onze stad zijn weg, ongeveer 200. Naar men zegt gaan de Duitse joden naar Drenthe in grote concentratiekampen, de Hollandse joden in het z.g. getto te Amsterdam. Hartroerende tonelen hebben zich hier afgespeeld. Ook christenen die met joden gehuwd zijn lieten hun vrouwen en kinderen niet alleen gaan in de ballingschap, maar deelden dit lot. Met een moed en een berusting (eigenschappen door eeuwenlange vervolging gekweekt) zijn zij vertrokken. Hun huizen en eigendommen zijn door de politie verzegeld. Hun ellende wordt nog verzwaard door de strenge vorst. Momenteel vriest het 10 graden.”

Aangekomen in Amsterdam trekken de Bosbooms in bij oom Barend, een broer van Wolf die op de Tugelaweg 125 woont. Nathan: “M’n oom was wel wat meer jood dan m’n vader – niet dat ’ie nou zo vroom was, maar hij kende de gebeden en gebruiken. Hij was laat getrouwd, met tante Rika Mok: schatten van mensen.”

Martinus zoekt koortsachtig naar een oplossing. Hij redeneert dat volgens de geldende regels een echtscheiding van zijn ouders leidt tot een terugkeermogelijkheid voor zijn niet-joodse moeder en halfjoodse zuster. Die mogen dan weer naar de Zeemansstraat, met hun her en der verspreide inboedel. Voor vader kan vervolgens een onderduikplek worden gezocht, in afwachting van de volgens Martinus onvermijdelijke en hopelijk snelle Duitse nederlaag. Na de oorlog hebben zijn ouders dan de mogelijkheid om opnieuw te trouwen en wordt de situatie als vanouds. Martinus legt zijn plan voor aan Nathan. Maar de een-na-oudste zoon twijfelt over de mogelijke gevolgen. En bovendien: “Waarom zou je die schurken tegemoet komen door vrijwillig te doen wat later wellicht verplicht zal worden: als gemengd gehuwde scheiden van je vrouw.”

Nathan bespreekt zijn aarzelingen met een anti-nazistische ambtenaar van de Zaandamse burgerlijke stand, Theo van Boven. “Die vond dat ook een schitterend idee om dat zo te doen”, zegt Nathan na de oorlog. De derde zoon in rij is Pieter. Hij ziet niets in de constructie en dat geldt eveneens voor zus Hanna. De scheiding wordt desondanks doorgezet. Op de trouwakte uit 1906 komt te staan dat ‘dit huwelijk is ontbonden door het vonnis der Rechtbank te Haarlem van 21 april 1942 en de inschrijving te Amsterdam, heden 29 april 1942’. Pieter wrijft het zijn oudste broer in: “Door wat jij hebt gedaan kunnen moeder en Annie terug naar Zaandam, maar vader is vogelvrij, met alle gevolgen van dien.” Hij herhaalt zijn verwijt: “Hoe goed je bedoelingen ook mogen zijn, hierdoor is moeder weliswaar vrij, maar vader is vogelvrij.” Er is inderdaad een inschattingsfout gemaakt. Gemengd gehuwde joden ontsnappen bijna allemaal aan de concentratiekampen, maar alleenstaande ‘Volljuden’ zijn een prooi voor de nationaal-socialisten.

De dag van ‘de inschrijving te Amsterdam’ is ook de dag dat in heel Nederland de jodenster wordt ingevoerd. Zij die weigeren het voorgeschreven gele stoflapje aan hun kleding te bevestigen lopen het risico als strafgeval op transport te worden gesteld. Wolf neemt het zekere voor het onzekere en schaft enkele davidsterren aan, à vier cent plus een textielpunt. In amper twee maanden tijd is hij gedegradeerd van een gerespecteerde, hardwerkende Zaanse arbeider tot een opgejaagde en gemerkte paria. De gebeurtenissen zijn voor Piet, zo zal die later verklaren, ‘de stoot om in het actieve verzet te gaan’.

In de zomer van 1942 ontvangen oom Barend en tante Rika een oproep om zich te melden voor transport naar het Oosten. Ze doen geen moeite er aan te ontsnappen. Het ontbreekt hen aan de daarvoor benodigde financiële middelen, onderduikplaatsen zijn in die vroege deportatiefase nog nauwelijks beschikbaar en bovendien schort het aan een besef dat het transport gelijk staat aan de dood. Barend en Rika belanden in een draaikolk, maar realiseren zich nog niet de kracht ervan. En dus reizen ze met duizenden anderen in volgestouwde treinstellen naar de ‘arbeidsinzet’ in het buitenland. Barend en Rika Bosboom zullen op 14 september 1942 in Auschwitz sterven door het gas, tussen ruim 450 andere Nederlandse joden die er in de loop van deze herfstdag omkomen. Diezelfde dag kondigt de Duitse minister van justitie, Otto Thierack, aan dat ‘joden en zigeuners zonder meer moeten worden vernietigd’. Geheel in zijn geest zullen tussen 1942 en 1945 dertig Bosbooms hetzelfde noodlot ondergaan als hun familieleden van Tugelaweg 125.

De deportatie van zijn broer en schoonzus dwingt Wolf om nieuwe huisvesting te zoeken. Die vindt hij op enkele honderden meters van zijn vorige adres. Hij kan terecht in een etagewoning tegenover de Uilenburgergracht. Als hij ook daar weg moet belandt hij in Huize Frank, een pension dat aan meer joodse mannen onderdak biedt. Het gebouw ligt schuin tegenover de Hollandsche Schouwburg. Dat is sinds de zomer van 1942 de verzamelplaats voor joden die bij razzia’s zijn opgepakt. Ze zijn in afwachting van hun transport naar Westerbork, het voorportaal van de concentratiekampen. Naast Huize Frank, op nummer 31, bevindt zich de Vereeniging Zuigelingen-Inrichting en Kinderhuis, beter bekend als de joodse crèche. Gescheiden van hun ouders aan de overkant of elders in het land verblijven er dag en nacht kinderen van 0 tot 13 jaar. Ook zij zijn voorbestemd voor de vernietigingscentra in het oosten van Europa. Huize Frank is, als alle joodse pensions in het Amsterdamse getto, een kooi binnen een kooi. De Sicherheitsdienst kan dergelijke verzamelwoningen op zijn gemak leegplukken en de buit overbrengen naar de schouwburg. Begin juni 1943 zijn Wolf en zijn medebewoners aan de beurt. Ze worden naar de overkant gevoerd en vastgezet. Hun eerdere onderkomen krijgt een bestemming als dependance van de joodse crèche. De kinderbewaarplaats kan de constante aanvoer namelijk niet langer in de eigen ruimten herbergen.

Wolfs gevangenschap in het onttakelde, vervuilde theater duurt niet lang. Piet: “Ik woonde toen ergens in Zaandam, in een schuur. Op een avond gaat de telefoon bij de buren, ze riepen me: mijn vader was gepakt. Hij had een briefje uit de Schouwburg weten te smokkelen. Ik ben met valse papieren ’s nachts naar Amsterdam gegaan en de Schouwburg in gelopen, ik heb m’n vader zo meegenomen. Ik ben overgestoken, naar pension Frank aan de overkant, maar ik kon weliswaar dag en nacht reizen, maar mijn vader niet. Ik moest tot het einde van de spertijd afwachten voor ik hem kon meenemen naar Zaandam.”

In andere versies van zijn bevrijdingsverhaal dragen overigens ‘het verzet’ dan wel ‘mijn broers en ik’ de verantwoording voor de ontsnapping uit de Hollandsche Schouwburg. Hoe dan ook, vast staat dat Piet zijn vader meesmokkelt naar diens oude woonplaats. “Ik heb de ster van z’n jas gehaald, hem meegenomen naar z’n eigen huis in Zaandam en de hele dag zitten werken om z’n persoonsbewijs te vervalsen.”

Het is de allereerste keer dat Piet zich bezighoudt met het aanpassen van een officieel document aan de nieuwe werkelijkheid. Uiterst voorzichtig probeert hij met een mesje de twee grote zwarte J’s weg te krassen zonder het onderliggende Ausweis-papier te beschadigen. Er is haast bij, want vader Wolf moet weg, zo snel mogelijk. Piet wil hem wel overbrengen naar een door hem zelf verzorgde schuilplaats in Friesland, maar kan het niet. “Het gekke is: ik durfde hem uit de Schouwburg te halen, ik durfde hem naar Zaandam te brengen, maar ik durfde hem niet naar een onderduikadres te brengen. Dat heb ik door mijn broer laten doen. Het idee dat ik m’n vader uit handen zou moeten geven aan een Duitser, als het mis ging.”

Ook in andere interviews verbaast de verder onverschrokken verzetsman zich over zijn eigen houding: “Toen het zover was, durfde ik niet, ik was bang, verschrikkelijk bang, want ik dacht: als er nou wat gebeurt en ik zie mijn vader uit mijn eigen handen glippen – ik kon niet tegen die gedachte op. Een broer heeft toen gezegd: hoor eens Piet, vader breng ik weg. En dat is toen gebeurd.”

Die broer is Nathan. Vader en zoon reizen van Zaandam naar Enkhuizen, om van daar met de boot naar Staveren te gaan. Het eerste deel van de tocht geeft geen problemen, maar bij beide loopplanken van het schip vindt controle plaats. Nathan: “Ik dacht: de zaak is verloren. De J was er afgekrabd, maar die kon je nog duidelijk zien. M’n vader liep achter me, trillend van de zenuwen.” Ze komen erdoor en bereiken op 7 juni het onderduikadres van de familie De Haan in Sexbierum. ’s Avonds belt Nathan vanuit Harlingen met Martinus. “Broer, gefeliciteerd met je verjaardag”, klinkt het door de telefoon. Martinus is inderdaad jarig, maar de uitgesproken woorden benadrukken vooral de veilige oversteek van Noord-Holland naar Friesland.

De zwerftocht van de Zaanse los werkman is echter nog niet ten einde. Zijn verblijfplaats wordt verraden door een gearresteerde onderduiker, waarna het besluit valt om Wolf terug te halen naar Noord-Holland. Piet regelt een adres in Amsterdam-Noord, bij een gereformeerd gezin in de Vogelbuurt. Als het ook daar onveilig wordt verkast Wolf achtereenvolgens naar de Zaandamse Parkstraat en de Westzanerdijk. Op een dag staat hij vanuit de dijkwoning door het raam te kijken naar een wedstrijd van de naast het huis spelende voetbalclub ZFC, tot schrik van zijn huisgenoten. Hij moet opnieuw weg. Piet zoekt een nieuw adres en vindt dat bij het echtpaar Kreuninger. Hij brengt wel vaker joden bij hen onder, maar vertelt niet dat het dit keer zijn eigen vader betreft. De Kreuningers komen daar pas veel later achter. Ze stemmen in met Piets verzoek en Wolf trekt bij hen in op de Tuinstraat 66, driehonderd meter van zijn eigen huis. Hij zal er bijna anderhalf jaar blijven.

In geval van nood kan hij via een luik bij de gootsteen onder het huis kruipen. Hij moet er één keer gebruik van maken, de 21ste juni 1944. Fotograaf Fred Kroon is die dag in huis om foto’s te maken voor een vals persoonsbewijs. Plotseling belt er een politieman aan. Wolf Bosboom duikt onder de grond, Kroon verdwijnt met zijn apparatuur in het kolenhok achter het huis. Het is loos alarm. De diender komt alleen maar melden dat zoon Cees Kreuninger in het politiebureau op zijn ouders wacht. De 15-jarige jongen is na het ingaan van de avondklok in Amsterdam aangetroffen en daarom onder toezicht gesteld. Zijn vader: “Die agent zei dat het wel erg lang duurde voor we hadden opengedaan, maar hij zei dat hij aan de goede kant stond.”

Onrust is er ook door een bezoek van melkventster Bet Maas. Jacob Kreuninger: “Bet kwam bij ons wel eens een kopje drinken halen en dan maakte ze ook gebruik van het toilet en op een dag zit Bosboom op het toilet, toen Bet belde. Mijn zoon zegt: ‘Ome, kom er af, want Bet staat voor de deur’. Onze zoons noemden Bosboom ome, zodoende. En Bet maar wachten en ik roep: ‘Ik kan de sleutel niet vinden’. Enfin, Bosboom weg en Bet naar binnen. Zegt ze: ‘Heb jij een onderduiker? ’t Duurde zo lang…’. Ik zeg: ‘Welnee Bet, de sleutel was weg’.”

Piet zorgt dat zijn vader etensbonnen en voedsel ontvangt, zoals hij dat gaandeweg ook is gaan doen voor tal van andere onderduikers. Wanneer Wolf erg ziek wordt, komt er een betrouwbare arts langs. Bankbediende Kreuninger maakt zich zorgen, en niet alleen om de gezondheid van zijn gast. “Als-ie dood gaat, wat dan?”, vraagt hij de dokter. “Niet ongerust maken”, probeert die de spanning weg te nemen. “Als dat gebeurt komen we bij nacht naar u toe en dan leggen we het stoffelijk overschot op straat, dan vinden ze hem wel.” Maar Wolf knapt op en in de wetenschap dat de bevrijding nabij is gaat hij in het vroege voorjaar van 1945 terug naar zijn woning op de Zeemansstraat. In tegenstelling tot 137 stadgenoten, bijna tweederde van de vooroorlogse joodse populatie, overleeft hij de Endlösung. Op 5 mei kan hij zich voor het eerst weer openlijk op straat vertonen.

2.

Na de oorlog beschrijft Piet Bosboom weinig illegale daden zo gedetailleerd als de bevrijding van zijn vader uit de Hollandsche Schouwburg. Zijn eigen inzet tegen de nazi’s doet hij af met halve omschrijvingen en algemeenheden: “Ach, samengevat komt het er zo’n beetje op neer dat ik in de vrije groep Haarlem en in de vrije groep Amsterdam heb gezeten, verder in een sabotagegroep, en in de contraspionage. En ik werkte ook in een internationale groep voor West-Europa, met een speciale weg naar Zwitserland via zeven kloosters, en dat soort werk.”

Het verzetswerk van Bosboom is in de loop der jaren verworden tot een mengeling van feiten en fictie. De Zaanse fabrieksarbeider moet meerdere levens hebben gehad om alles uit te voeren wat na 1945 aan hem is toegeschreven. Het mythologiseren van Bosbooms oorlogsverleden gebeurde meestal door anderen, maar het daardoor ontstane beeld is zelden gecorrigeerd door de hoofdpersoon in kwestie, althans niet publiekelijk. Noodzakelijk was die aanpassing van de werkelijkheid overigens niet. Piet Bosbooms imposante verzetswerk had en heeft dat niet nodig.

Een goed voorbeeld van Bosbooms uitvergrote rol als mensenredder is het document dat sinds lange tijd door Nederland zwerft en waarin Piet Bosboom figureert als de verlosser van zes onderduikers in Haarlem. Wanneer de Sicherheitspolizei op 28 februari 1944 binnenvalt bij de familie Ten Boom, wier woning een bekende schuilplaats is voor joden en verzetsmensen, slaagt het zestal er in om zich in een kast te verbergen. Ze zijn daar onvindbaar voor hun jagers. De dagen erna blijft de bewaking van het pand echter in stand, waardoor ze niet kunnen wegkomen. Afgesloten van water, voedsel en daglicht moeten ze afwachten of er redding opdaagt. Volgens de maker van bovengenoemd document slaagt Bosboom er niet alleen in om zich een weg naar de vrijheid te schieten als hij de 28ste bij Ten Boom aan de deur komt, maar weet hij ook mogelijke bezoekers van dit huis aan de Barteljorisstraat tegen te houden, leiding te geven aan een ontsnappingsactie die ruim twee dagen later plaatsvindt en de bevrijde onderduikers vervolgens een plek te geven in Staveren.

In de archieven is echter niets terug te vinden over Bosbooms rol bij deze gebeurtenissen, terwijl er toch diverse boeken, artikelen en zelfs een speelfilm over de ‘Béjé’ zijn gemaakt. Onderzoeker Guus Hartendorf heeft naspeuringen verricht naar de uitbraak bij Ten Boom, maar de naam Piet Bosboom zegt hem niets: “Dat hij betrokken zou zijn bij de ontsnapping van de arrestanten lijkt me niet juist. Dat was een actie van mijn oud-collega’s Jan Overzet en Theo Ederveen.”

LO-verzetsman Reynout Siertsema, in 1944 een van de kastbewoners, reageert nog stelliger. Geconfronteerd met Bosbooms vermeende rol bij de bevrijdingsactie valt Siertsema even stil en zegt dan verontwaardigd: “Dat is onzin.” Hij weet zeker dat bij de bevrijdingactie alleen de Haarlemse politieagenten Overzet en Ederveen betrokken waren. “De familie Ten Boom kreeg bonkaarten van ons. Op een gegeven moment waren er verzetsmensen uit de Zaanstreek die kaarten nodig hadden, zo bekend was dat adres van de familie Ten Boom inmiddels. Zo van: ‘Als je bonkaarten nodig hebt, moet je naar de familie Ten Boom gaan’. Corrie ten Boom stuurde een koerierster naar mijn huis en ik ben toen op de fiets gestapt en heb een pakketje kaarten afgeleverd. Op het moment van de inval ben ik achter wat mensen aangegaan en in die schuilplaats beland. Daar hebben we met z’n zessen gezeten, van maandagmiddag tot woensdag. ’s Middags werd er geklopt. ‘Siertsema, doe open’, zei iemand. Dat was Overzet, een goeie politieman.”

Wellicht dat Bosboom deel uitmaakte van de Zaanse afvaardiging aan wie Reynout Siertsema die noodlottige maandag bonkaarten afleverde. Zijn koerierster Beppie Nunes Nabarro bevestigt desgevraagd dat zowel zijzelf als Piet Bosboom daarvoor is langsgegaan bij de horlogerie van Casper ten Boom. Ook staat vast dat een van de daar bevrijde onderduikers, Meijer Mossel, nadien door Bosboom op een veilige plaats in Zaandam is ondergebracht. Waarschijnlijk is hij met deze orthodoxe gazan in contact gekomen via het Haarlemse echtpaar Vermeer. Zij verstrekten Bosboom geld voor het onderhoud van zijn joodse onderduikers, hadden ‘Eussie’ Mossel eerder in huis en assisteerden de familie Ten Boom. Piet Bosboom stond dus wel in contact met de verzetsorganisatie Béjé, maar de werkelijkheid is prozaïscher dan sommigen denken.

De mythe over de Barteljorisstraat tekent de onbekendheid met Bosbooms operationele handelen tijdens de oorlog. Zijn naam is slechts in een paar naslagwerken terug te vinden. Een eerdere poging om zijn leven in boekvorm te gieten stuitte uiteindelijk op een veto van de Zaandammer. Zijn vrouw Janny, met wie hij overigens pas in 1960 trouwde, weet bijna niets over Bosbooms verzetsdaden. Mensen met wie hij tussen 1940 en 1945 samenwerkte of voor wie hij zorgde hebben alleen zicht op losse puzzelstukjes. Onbekend is dan ook hoeveel mensen er zijn geholpen door Bosbooms netwerk. Zelf hield hij het er op dat ‘we meer dan duizend mensen hebben gered’, inclusief ‘gedropte agenten en piloten’. In het Nieuw Israelietisch Weekblad heet het dat ‘hij in de periode 1942-’45 honderden Nederlandse joden, onder wie heel veel kinderen, redde uit de klauwen van de nazi’s’. Anderen reppen over zijn hulp aan ‘o.a. 1000 Joodse kinderen’, ‘±1000 Joden’ en ‘ongeveer 2000 Joodse mensen’. Het laatste cijfer zou betekenen dat Bosboom en zijn organisatie ongeveer 8% van de joodse onderduikers in Nederland veilig door de oorlog loodsten, een ongeloofwaardig hoog aantal.

Het getal duizend komt niet helemaal uit de lucht vallen. Bosboom maakte deel uit van de verzetsorganisatie die door de hervormde predikant Leendert Overduin uit Enschede was opgezet. Diens initiatief groeide uit tot een project waarbij uiteindelijk vele honderden joden werden gered. Zijn zus Corrie schreef in februari 1946 aan het Nationaal Steunfonds: “Wij hebben een stoet van medewerkers gehad voor de circa 1000 joodse mensen die wij verzorgden en voor de vele vluchtelingen uit Duitsland. De voornaamste geef ik u door, maar er zijn er nog meer, b.v. de mensen die levensmiddelen inkochten en vervoerden.” Onder die ‘voornaamste medewerkers’ schaart zij Piet Bakker, zoals Bosbooms oorlogspseudoniem luidde.

De historicus Peter Heere stelde in 1990 vast dat Bosboom alleen al in de Zaanstreek ruim vijftig joden onderbracht. Dat getal klopt in ieder geval. Een zoektocht door de archieven en langs oud-illegalen toont Bosbooms directe betrokkenheid bij minimaal 57 joodse onderduikers in de regio. Daarmee stond naar schatting eenvijfde van de joodse onderduikers in Zaandam en omgeving op een of andere manier met hem in verbinding. Verder heeft hij langs de Zaan ook nog een aantal niet-joden ondergebracht en zijn er meer dan vijftien joden te herleiden wier schuilplaats onbekend is of buiten de Zaanstreek ligt. Het overzicht is ongetwijfeld incompleet, maar Piet Bosboom mag de redding van minimaal 77 bij naam bekende onderduikers op zijn conto schrijven. Tellen we daarbij op de negen à tien onbekende vluchtelingen die dankzij hem bij de Zaandamse familie Selier terecht konden, dan gaat de teller al richting de negentig.

Bosboom slaagde er dus in om talloze (merendeels joodse) mensen uit het concentratiekamp te houden, hen veilige huisvesting aan te bieden en te voorzien in hun eerste levensbehoeften. Sommigen werden hem aangeleverd door de familie Overduin, anderen haalde hij uit zijn eigen netwerk. Hij zette meerdere familieleden in om personen te huisvesten. Dat zij zelf deels van joodse komaf waren maakt hun inzet des te bewonderenswaardiger. De consequenties bij arrestatie waren zo mogelijk nog groter dan voor ‘arische’ helpers.

Zelf schetste Bosboom zijn oorlogswerk als een snelle klim binnen de verzetshiërarchie. “Kijk, je begint in dat verzet natuurlijk als krullenjongen, persoonsbewijzen vervalsen, bonkaarten wegbrengen, kinderen en mensen wegbrengen, maar het duurde niet lang of er moest een overval op het distributiekantoor in Hilversum worden gepleegd en dat ging dan zo, dat er eerst koeriersters met wapens vooruit gingen, waarna die wapens ter plaatse werden uitgedeeld en dan moest het gebeuren. Nou kwamen ze op die dag een man tekort en toen werd ik aangewezen. Ik deed het ongeveer in mijn broek, maar ik had die eerste keer geluk. Die portier merkte iets en die heeft toen op een alarmschel gedrukt. We zijn allemaal goed weggekomen.”

Het is slechts één voorbeeld van de vele overvallen, liquidaties, spionagewerkzaamheden en vervalsingen waarmee Bosboom zich naar eigen zeggen heeft bemoeid. Hij hield zich dus niet ‘alleen’ bezig met de hulp aan onderduikers, maar had ook de hand in andere illegale klussen. Het zicht daarop is echter zo mogelijk nog meer vertroebeld dan dat op zijn basiswerk. Het tekent de einzelgänger die Bosboom was, ondanks zijn noodgedwongen samenwerking met anderen. Hieronder zal daarom alleen worden ingegaan op de activiteiten waarvan vaststaat dat Bosboom er (mede) nauw bij betrokken was, waarbij de nadruk ligt op zijn intensieve hulp aan joodse vervolgden.

3.

Pieter Bosboom is de middelste van zeven kinderen. Hij komt uit een socialistisch nest. Op de Dag van de Arbeid marcheren de zonen Bosboom met hun vader mee in de 1-meioptochten. Na afloop gaan ze soms luisteren naar de tegenpartij, bijvoorbeeld wanneer anti-revolutionair Hendrik Colijn spreekt in de gereformeerde kerk aan de Zaandamse Stationsstraat. Broer Nathan: “En dan trof het mij dat dat volk zingend opstond in die kerk -wij waren de enigen die niet opstonden- als Colijn binnenkwam: ‘Dat ’s Heeren zegen op u dale, de gunst uit Zion u bestrale’. Dan liepen de rillingen over onze rug… Mijn vader zei dan: ‘Ik hoop in de vorm van een heiblok’. Dat werd dan zo’n beetje knokken op die galerij.”

Nathan wordt geboren in de vroege ochtend van 20 september 1911. Die datum komt vader Wolf slecht uit. Een dag eerder, Rode Dinsdag, trokken namelijk 20.000 man onder leiding van Pieter Jelles Troelstra door Den Haag, betogend voor algemeen kiesrecht. Zo ook Wolf. Wat is er mooier dan de verjaardag van zijn jongst geborene te kunnen vieren op de dag van het proletariaat? Hij krijgt zijn zin: zijn naar de profeet genoemde zoon wordt ingeschreven op de 19de.

Moeder Marianne is niet zo’n rooie. Ze is gereformeerd opgevoed en stuurt Piet naar een christelijke lagere school, in weerwil van zijn vader. Die legt zich neer bij het besluit van zijn vrouw, zoals hij dat zo vaak doet. Want al delen ze niet hetzelfde geloof, hun gevoel voor gerechtigheid is één en ondeelbaar. Vooral vader hamert de onrechtvaardigheid van het bestaan er bij zijn kinderen in. Zijn slechter wordende ogen en een crisis in de bedrijfstak hebben hem gedwongen te stoppen als diamantbewerker. Sindsdien voorziet hij in het levensonderhoud door baantjes aan te nemen als dienstbode, magazijnbediende en los werkman. Nathan: “Hij is op een slof en een schoen uit Amsterdam naar de Zaan gekomen en is in het hout gaan werken. Hij had in de diamant zwaar geld verdiend en kwam toen van de rijkdom in de totale armoede.” Het is dus sappelen bij de Bosbooms. In de vooroorlogse jaren verhuist het gezin meer dan tien keer, steeds zoekend naar de goedkoopste woonruimte. De schamele inboedel gaat in sommige jaren zelfs twee keer op de bakfiets, als vorm van geldbesparing.

In de jaren twintig en dertig is Wolf de enige joodse havenarbeider van Zaandam. Zijn collega’s noemen hem geringschattend ‘het joodje’ of ‘Willem’, maar die bijnamen lijken hem weinig te deren. Meer moeite heeft hij met het gedrag van de houtbazen. Als lokaal bestuurslid van de plaatselijke vakbond doet hij zijn uiterste best om de arbeidsomstandigheden in de grote Zaandamse houthaven te verbeteren. Zijn zonen, die eveneens arbeiders worden, nemen die strijdvaardige houding over, al ruim voor de oorlog. Over Piet is bijvoorbeeld bekend dat hij vanaf 1938, het jaar van de Reichskristallnacht, assisteert bij het onderbrengen van Duits-joodse vluchtelingen. Alleen al in Zaandam arriveren er dat jaar 38, het hoogste aantal sinds Hitler vijf jaar eerder aan de macht kwam. Er is inmiddels een Joods Crisis-Comité opgericht, bedoeld om de joden te helpen bij het vinden van huisvesting. Piet en zijn vrienden vangen overigens niet alleen joodse vluchtelingen op, maar ook linkse tegenstanders van het nazibewind. Omdat velen van hen onder de regering Colijn niet welkom zijn in Nederland worden ze aan onderduikadressen geholpen. “Wij hebben voor de oorlog in de kop van Noord-Holland honderden politieke gevangenen uit Duitsland laten onderduiken. In 1940 zijn we gewoon doorgegaan”, verklaart Piet vijf decennia later.

Op de dag dat de Duitsers Nederland binnenvallen ligt de 25-jarige Piet voor een operatie in het Zaandamse Gemeenteziekenhuis. De meeste patiënten mogen vanwege de bijzondere omstandigheden al snel naar huis, hij niet. Emotioneel als hij is begint hij te huilen wanneer hij verneemt dat de koninklijke familie op 13 mei naar Engeland is gevlucht. Een verpleegster troost hem.

De eerste twee maanden merken de joodse inwoners van de Zaanstreek nog weinig van het antisemitisme dat de Duitse troepen hebben meegebracht, maar daarna gaat het snel. Per 1 juli 1940 zijn joden niet langer welkom bij de Luchtbeschermingsdienst. Een dag later maakt dagblad De Zaanlander bekend dat niet-arische vreemdelingen zich binnen acht dagen op het politiebureau moeten melden, op straffe van een gevangenisstraf of een boete. De navolgende maanden mag er geen joods personeel meer worden benoemd in overheidsdienst en dienen alle ambtenaren een Ariërverklaring te tekenen. Vanaf 9 januari 1941 kunnen joden niet meer naar de bioscoop. Volgens De Zaanlander omdat ‘officieel werd geconstateerd dat de ordeverstoringen tijdens de filmvoorstellingen in de bioscopen grotendeels door joodse bezoekers veroorzaakt werden’. Diezelfde maand wordt een registratieplicht voor joden afgekondigd. Iedereen ‘van geheel of gedeeltelijk joodsen bloede’ moet zich voor 24 februari melden bij het plaatselijke bevolkingsregister. Van de ongeveer 160.000 Nederlanders met één of meer joodse grootouders onttrekken zich slechts enkele tientallen aan de verplichting. Ook de familie Bosboom weigert niet. “Dat ging gewoon, dat deden we gewoon. Niemand protesteerde”, aldus Nathan. Kort daarna moeten de joodse inwoners hun radio inleveren. Het is eindelijk een maatregel die het gezin Bosboom niet treft. Een radio is een luxe die zij zich niet kunnen veroorloven.

De anti-joodse maatregelen volgen elkaar tot januari 1942, de maand dat Piet Bosboom besluit om in het actieve verzet te gaan, steeds sneller op. De eerste onderduiker-nieuwe-stijl die hij en zijn broers helpen is een familielid. Hun 23-jarige nicht Greetje verbergt zich in juli bij Nathan en zijn vrouw Dien, in de hoop te ontsnappen aan de hoofdstedelijke razzia’s. Erg lang kan ze niet blijven. De woning aan de Czaar Peterstraat 68 is er te klein voor. Nathan weet haar onder te brengen in de Amsterdamse Dapperstraat. “Daar woonde een gereformeerd vrouwtje, twee hoog, alleen, en die voelde principieel dat ze wat doen moest. Daar heb ik m’n nichtje ondergebracht. En ze kreeg op tijd d’r bonnen en geld. Als ze daar nou rustig was gebleven… Maar ja, het was een jonge meid en verloofd met een jongen die een straat verder woonde. Daar ging ze dan naar toe, stiekem.” Greetje wordt opgepakt en via Westerbork afgevoerd naar Auschwitz. Daar sterft de jonge boekbindster op 22 oktober 1943.

Een ander familielid met een dringende behoefte aan onderdak is neef Nathan (die overigens door iedereen Frits wordt genoemd). Piet Bosboom weet hem een veilige plek te bezorgen bij de gereformeerde landarbeider Hendrik Brinkman en diens huishoudster. Zij wonen op het wat achteraf gelegen Blauwe Arendspad 32 in Zaandam. Maar de jonge neef kan niet wennen aan zijn nieuwe status. Hij wil de straat op, de vrijheid tegemoet. Wanneer er in het centrum van Zaandam een bekende band optreedt staat hij vooraan. Een onverwachte controle van de persoonsbewijzen brengt hem in het nauw. Hij weet zijn huid te redden door zich voor te doen als PTT-medewerker die de verlichting controleert. Nathan Bosboom: “Hij was gewoon levensgevaarlijk voor de illegaliteit. Dan zat ’ie te huilen bij ons. Dan zei hij: ‘Ik hou het niet uit bij boer Brinkman’. Ik zeg: ‘Jongen, dat zijn zulke edele mensen. Principieel tot en met, en je zit er zo goed: een geheime plaats in die hooiberg als er wat aan de hand is’.” Piet: “Toen heb ik op het punt gestaan hem naar Friesland te brengen. We hadden daar een soort gevangenis voor zeer moeilijke gevallen. Die kwamen wel vaker voor, die waren als onderduiker praktisch niet te handhaven.” Via de eveneens Zaandamse grossier C. Zwart en een adres in Haarlem haalt Frits toch nog in levenden lijve de bevrijding.

Hij komt goed weg. Er sterven 32 -vooral Amsterdamse- familieleden aan vaderskant in het kamp. Nog onwetend van hun lot gaat de Zaanse tak door met het onderbrengen van joden, voor korte of langere tijd. De Czaar Peterstraat fungeert als doorgangshuis voor vervolgden uit de hoofdstad. In afwachting van een veilige plek elders blijven ze even bij Nathan en Dien. De leverancier op dat tussenstation is Piet. Rond die tijd meet die zichzelf ook de schuilnaam Piet Bakker aan. Vanwege zijn donkere haar en dito borstelige wenkbrauwen wordt hij binnen de ontluikende illegaliteit ook wel Zwarte Piet genoemd. Evenals zijn vader is hij goed gebekt. Hondsbrutaal ook, volgens zijn Amsterdamse verzetskameraad Jan Carel Wijnbergen. Een man die er in noodgevallen niet voor terugdeinst om mensen een pistool tegen het hoofd te zetten, maar ook iemand die ontzettend geëmotioneerd kan raken bij de gedachte aan het leed dat de nazi’s aanrichten.

Ook zijn zus Hanna herbergt de nodige mensen. Ze woont met haar vaak afwezige echtgenoot in een arbeiderswoninkje aan de Zaandamse Eendrachtstraat. “Mijn man was verzekeringsagent. Daarom viel het niet zo op dat er zoveel mensen aan de deur kwamen”, vertelt ze. “We woonden in een armoedig huis. Je keek zo door de kieren naar binnen. Ik had één kamer en sliep op zolder. Daar sliepen ook de onderduikers. Hoewel, eigenlijk sliepen ze overal, boven en beneden. Het was een komen en gaan. Op zolder was tegen de schuine wand een schot getimmerd. Dat was de schuilplaats.” De visite in het doorgangshuis wordt afgeleverd door Piet. “Die dook ze gewoon op. Ik weet niet waar hij ze vandaan haalde.”

Ze herinnert zich zes decennia na de oorlog een aantal namen van logés, zij het lang niet allemaal. “Als het goed ging, bleven ze wat langer en als er gevaar dreigde verdwenen ze weer. De joodse Willem de Vries uit Amsterdam bleef bijvoorbeeld vrij lang in huis. De Vries was overigens een schuilnaam. Maar er was verraad, dus toen is hij weggebracht. En dan had je Freddy, een wat oudere joodse man met veel geld. Hij had in Amsterdam een zaak in Perzische tapijten. Die heeft Piet nog in veiligheid weten te brengen. Hij heeft Freddy na de oorlog teruggevonden, maar een dankjewel voor wat hij gedaan had kon er niet vanaf. Piet kwam ook aan met oma De Vries. Een heel aardige vrouw, maar wel een beetje lastig. Ze wilde alleen kosjer eten. Ze brak ook mijn mosterdpotje. En ik had al geen servies meer. Die oma is ook bij de familie Van Houten geweest, op de Oostzijde. Mijn zus moest haar daar ophalen. Er was nog een joods meisje dat bij mij logeerde, Olga Koeman. Die werd hier Hannie genoemd. En Gerrit Koops. Waarom die ondergedoken zat weet ik niet. En een schipperskind, via de familie Selier.”

Het risico van ontdekking is groot in de volksbuurt waar Hanna Bosboom woont. “De hele Eendrachtstraat wist dat ik onderduikers had, maar niemand heeft me verraden. Vooraan woonde Mikkenie. Dat was een echte NSB’er. Maar zelfs die gaf me bonkaarten, op mijn eerlijke gezicht. We hebben één keer een inval gehad door twee politieagenten, van wie er één Nederlands was. Ze kwamen mijn man halen. Die was bijna nooit thuis, maar deze nacht toevallig wel. Hij wilde zich verbergen onder het bed van onze dochter Martha, maar dat paste niet. Ik deed daarom een kussen onder mijn nachtkleding en pakte het glas water naast mijn bed. Dat gooide ik vervolgens leeg op mijn hemd. ‘Het water breekt, het water breekt’, riep ik, en ik deed alsof ik moest bevallen. Ik wist nauwelijks wat dat was, water dat breekt, maar ik kon wel goed toneelspelen. De hele familie trouwens. Toen zei die Nederlandse agent tegen mijn man: ‘Als jij nou even naar de buurvrouw gaat, dan kan die oppassen’. Dat gaf mijn man de kans om te ontsnappen. Hij heeft met mijn neef Nathan ondergedoken gezeten bij boer Brinkman, maar werd bang en liet zich oppakken. Ze hebben hem vastgezet in Amsterdam, Amersfoort en Duitsland. Na de oorlog kwam hij helemaal vermagerd terug.”

Alleen al bij zijn directe familie brengt Piet Bosboom vele vluchtelingen onder. Maar de vraag is groter dan het huisvestingsaanbod. De kring moet worden uitgebreid.

4.

Met de al eerder genoemde Seliers is een belangrijke schakel genoemd van de ‘Groep Bakker’, zoals Bosbooms netwerk wordt genoemd. Hanna van Lingen-Bosboom vertelt over een Duits-joodse jongen. “Die kwam bij het Leger des Heils vandaan en werd door een kapitein bij mij gebracht. Mijn man was ook heilssoldaat, net als Dries en Wijtske Selier.” Het is een ons-kent-ons-wereldje waarvan Piet Bosboom gebruikmaakt. Waar enkele broers, zusters en zijn moeder al zijn ingeschakeld bij het illegale werk, gaat hij nu op zoek binnen de cirkel daar omheen. Naarstig speurt hij naar nieuwe adressen, valse documenten, geld, bonnen en koeriers. Eind 1942 komt hij in contact met het echtpaar Selier. “Ik kende ze vaag, via mijn zwager”, zegt hij. “Ik ga naar Selier en ik zeg: ‘Zou jij een paar mensen in huis willen nemen. Het is maar voor één of twee nachtjes’. Dat zei ik altijd. De volgende ochtend zou hij antwoord geven. Hij vertelde me later dat hij die avond met z’n vrouw heeft gebeden en in de bijbel heeft gelezen. De volgende dag zei hij: ‘Piet, we doen het’.”

Voor het echtpaar Selier is dat het begin van een samenwerking die 2,5 jaar duurt. In totaal zullen ze in hun bescheiden woning aan de Pieter Latensteinstraat zestien of zeventien mensen herbergen. Ook als die daar relatief veilig zitten blijft Bosboom contact met hen houden. Zoon Hans: “Piet kwam regelmatig bij ons langs, om eten te brengen of als er iemand ziek was. Hij zorgde ook voor bonnen. Oom Piet was altijd heel bezorgd.” Zijn vader: “Dat Piet de onderduikers niet uit het oog verloor hebben wij in het begin gezien als wat overdreven. Wij dachten: als de onderduikers een adres hebben en verzorgd zijn, dan is het goed. Maar later begrepen wij wel dat zijn zorg over zijn mensen zeer terecht was. Hij voelde zich 100% verantwoordelijk voor allen die hij zelf uit Amsterdam had gehaald of overgenomen had van andere organisaties.”

Een van de onderduikers bij de Seliers is de 5-jarige Amsterdammer Levie Wolf (‘Lou’) Polak. “Ik ben in 1943 door Guurt van Houten van huis gehaald, in opdracht van Piet Bosboom. Mijn ouders en ik waren al een paar keer in de Hollandsche Schouwburg geweest, maar kwamen daar steeds weer uit. Eén keer omdat ik zogenaamd rode hond had, de andere keer weet ik niet. Maar in 1943 werd het toch te gevaarlijk. Mijn moeder is toen ondergedoken in Amersfoort, mijn vader zei: ‘Ik red me wel’. Dat is niet gelukt. Hij is naar Sobibor gebracht”, aldus Polak.

Van Houten: “Ik haalde dat jongetje op. Ondanks het feit dat het voor joden al lang verboden was om met de tram te gaan, hadden we geen andere keus. Ik zette Jopie, dat was zijn nieuwe naam, naast me op de bank en wel zo, dat zijn gezicht naar buiten gericht was. (…) Als de tram zich in beweging zet komt er iemand van de Grüne Polizei langs ons. Plotseling draait Jopie zijn gezicht van het raam weg, ziet de man en zegt: ‘Kijk tante, daar gaat zo’n rot-NSB’er’. Hoewel ik er de volgende halte echt nog niet uit moest, heb ik het wel gedaan!” Polak: “Ik werd naar Zaandam gebracht en ben daar op diverse adressen geweest, op de Oost- en Westzijde. Af en toe verraadde ik mezelf. Ik was bijvoorbeeld bij de familie Selier in huis en speelde met de kinderen op straat. Op een gegeven moment kreeg ik een ijsje, waarop ik vroeg: ‘Mogen die opa en oma die boven zitten er ook één?’ Dat waren onderduikers. Mijn verblijf daar was zodoende van korte duur, een kleine week. Ik herinner me ook nog dat ik bij de Seliers een astma-aanval kreeg. Ze hadden me een ei gegeven, en daar was ik allergisch voor.”

Hoe ver de zorg van Bosboom gaat blijkt wel als de kleine Lou in de problemen komt. “Vanuit Zaandam ben ik door Piet naar onder meer Makkum gebracht. Eerst met de Alkmaar Packet van Zaandam naar Amsterdam en vandaar met de Lemmerboot naar Friesland. Op een gegeven moment zou ik overgedragen worden. De man die me wegbracht zei me dat ik niet mocht weglopen. Voor de zekerheid bond hij me met een touw vast aan een boom. Maar als gevolg van een misverstand of omdat er iemand werd opgepakt werd ik niet opgehaald. Het resultaat was dat ik daar ’s nachts zat. Piet Bosboom hoorde dat en is me toen gaan zoeken. Hij heeft me opgespoord.”

Keer op keer moet Lou Polak verhuizen. Hij schat in totaal op tien tot twintig adressen te zijn ondergebracht. Zijn laatste onderkomen is bij de spoorwegambtenaar Marten Veenstra en diens huishoudster en latere echtgenote Ietje Dijkstra. Die wonen op de Provincialeweg 170, schuin tegenover het station. Veenstra zit diep in de illegaliteit. Hij verzorgt niet alleen meerdere onderduikers, maar staat vanaf oktober 1944 ook borg voor het financiële onderhoud van Zaanse spoorwegstakers. De lijnen zijn wederom kort: Dijkstra is een tante van Wijtske Selier. Polak: “Daar heb ik bijna anderhalf jaar gezeten en heb ik ook de bevrijding meegemaakt. Mijn verblijf daar stond ook onder supervisie van Piet Bosboom.”

Zijn redder trekt eveneens van adres naar adres. Thuisbasis is weliswaar nog steeds de ouderlijke woning aan de Zeemansstraat, maar slapen doet hij waar het uitkomt. Zijn zus Hanna, die overigens net als haar broer het pseudoniem ‘Bakker’ gebruikt: “Piet rommelde altijd maar alleen. Hij vertelde nooit iemand wat. Was altijd op stap. Hij sliep ook regelmatig bij de nonnen van het Sint Jan-ziekenhuis op zolder. Dat was een van zijn schuilplaatsen. Vaak kwam hij bij mij langs. Dan ging hij op de bank liggen om wat te slapen.” Lou Polak: “Piet had een sleutel van het huis van de Seliers. Dan kon hij er altijd naar binnen en er eventueel ook een dutje doen. Het was voor hem een uitvalscentrum.”

Naarmate de oorlog vordert worden zijn reizen langer en vermindert het aantal vaste slaapplaatsen. Hij overnacht in schuren, kantoren en lege woningen. Zaandam, Joure, Sneek, Amsterdam, Enschede en Haarlem; Bosboom is overal. Zijn baan bij verffabriek Pieter Schoen heeft hij inmiddels opgegeven, enerzijds om zich volledig aan de goede zaak te kunnen wijden, anderzijds om te vermijden dat hij bij een razzia wordt geselecteerd voor de Arbeidseinsatz.

De drukte neemt toe, de druk ook. Andries Selier: “De mensen leefden onder een enorme druk, spanning. Dat leidde wel eens tot problemen. Die wist Piet bijna altijd tot een goed einde te brengen. De ene keer keihard en de andere keer liefdevol, maar altijd met een geweldig grote tact. Mocht dit niet lukken, dan ruilde hij, dan bracht hij de mensen naar een ander adres waar ze zich misschien wel thuisvoelden.” Hanna Bosboom: “Piet was een en al spanning. Hij was altijd zenuwachtig. Hij lag hier vaak op de bank, met hoofd- of rugpijn. Als de doos aspirine op was, wisten we dat Piet weer was geweest.”

Om de haverklap zijn er problemen, variërend van fricties tussen gastgezinnen en onderduikers tot te behandelen aandoeningen en van geldproblemen tot misbruik. Bosbooms koerierster Beppie Nunes Nabarro herinnert zich het echtpaar Van Buren. Dat hield zich schuil op een Zaandamse zolderkamer. “Mevrouw Van Buren had ernstige suikerziekte. Ze zat daar boven met allemaal dekens om zich heen, zó koud had ze het. We brachten hen van alles; eten, drinken, dekens, medicijnen. Maar later bleek dat zij er zelf nooit iets van ontvingen. De bewoners hielden alles voor zichzelf. De Van Burens smeekten ons op een gegeven moment om hen daar weg te halen. Toen heeft iemand ze in een overdekte bakfiets weer naar Amsterdam gebracht.”

Piet Bosboom moet ook ingrijpen wanneer de heer Van Buren een zenuwaanval krijgt. “Hij begon heel erg te schreeuwen en te huilen. Ontzettend. Nou had ik dr. Ferguson, specialist van het Gemeenteziekenhuis, altijd achter de hand. Ik bel hem op en zeg: ‘Dr. Ferguson, met Piet Bakker, ik heb spuit 11’. Dat was een codewoord. Toen heeft Van Buren een injectie gekregen. De volgende ochtend was alles goed.”

Een slechte verzorging komt vaker voor. Sommige onderdakverstrekkers zijn uit op seksuele gunsten of geld. Bosboom: “In Zaandijk zat een gezin dat heel slecht behandeld werd. Ik ben er op af gegaan en ik zei tegen de bewoner dat ik de onderduikers kwam meenemen. Hij sputterde tegen, maar ik zei: ‘Die man krijgt van jou z’n eten van een schoteltje voor de kat en je slaat hem – ik ben in staat om jou die vier hoeken van de kamer te laten zien, maar ik laat je met rust’.”

Bosboom geeft ook de Utrechtse verzorgers van een paar Polen er verbaal van langs. Hij treft de Polen verwaarloosd aan en besluit hen over te brengen naar de familie Selier. Maar na een paar dagen blijkt een van de nieuwkomers tuberculose te hebben, reden om hem op stel en sprong weg te halen. Bosboom en zijn patiënt nemen de trein. Tussen Zaandam en Haarlem betreedt echter een Duitse patrouille het voertuig. Net op tijd slaagt Bosboom er in om de door alle ontberingen broodmagere Pool het bagagerek in te helpen en een jas over de man te gooien. Het loopt goed af. De directeur van een verpleeghuis in Harderwijk ontfermt zich uiteindelijk over de zieke man.

Cornelis en Petronella Hoogendoorn gebruiken hun Zaandamse huis niet alleen als doorgangsadres, maar bieden ook langduriger bescherming. De oorspronkelijk uit Polen afkomstige naaister Feiga Blaugrund verblijft meer dan een jaar bij het zespersoons huishouden en helpt er bij de dagelijkse gang van zaken. De familie Hoogendoorn ontvangt via de even verderop wonende NSF-functionaris Remmert Aten geld voor haar eerste levensbehoeften: ƒ80,- per maand. Maar er is nog een illegale bewoner, de heer Berliner. Af en toe verschijnt er een ‘oom’ of ‘tante’ met een door Bosboom afgegeven code. Hij of zij bezorgt geld en andere noodzakelijke voorzieningen voor de al wat oudere man. Berliner heeft het moeilijk. Zijn vrouw en dochter zitten elders ondergedoken en hij heeft volgens de Hoogendoorns last van ‘frontkolder’, een erfenis van zijn soldatenleven tijdens de Eerste Wereldoorlog. De voormalige keizerlijke soldaat houdt de troepenbewegingen bij op een aan de muur geprikte landkaart.

Als zijn depressies de overhand krijgen zorgt Bosboom dat Berliners dochter overkomt en hem opvrolijkt met accordeonspel. Naarmate de geallieerde legers dichterbij komen neemt de onrust toe. Bosboom: “Als ik kwam zei hij: ‘Piet Bakker, kijk…’ -had ’ie allemaal van die gekleurde spelden- ‘ze zijn nu zo ver gevorderd’. Opeens krijg ik een alarm: Berliner is verdwenen. Verdwenen! Ik ga zoeken, en ik vind hem in de Boschjesstraat op de Koog. En eerlijk, ik had geen wapen bij me: ik zeg ‘Berliner, ga mee, anders schiet ik meteen een kogel door je kop heen’. Heeft ’ie later, na de oorlog, verteld dat ik hem…! Helemaal niet waar, maar die man was overstuur. Ik denk dat hij een black-out had gekregen van die landkaart: misschien ging het slechter.” Zoon Willem Hoogendoorn meent overigens dat zijn broer Frits achter de weggelopen onderduiker is aangegaan en hem een pijp in de rug drukte, pretenderend dat het een pistool was. Hoe dan ook, Berliner komt terug en overleeft met zijn echtgenote en dochter de oorlog.

De bevrijding wordt ook gehaald door een jongetje dat later bij Ajax zal uitgroeien tot een beroemde fysiotherapeut: Salo Muller. Zijn ouders hebben een baan bij de Amsterdamse textielgroothandel De Vries van Buuren. Het is een zaak waar veel joden werken en daarmee een uitgelezen doelwit voor een razzia. Die vindt eind 1942 dan ook plaats. De 6-jarige Salo belandt via wat omwegen met zijn ouders in de Hollandsche Schouwburg, maar zijn oom slaagt er na een paar dagen in om hem uit de bijbehorende crèche te halen. Het wordt het begin van een steeds onderbroken reis langs talloze surrogaatouders. De verdere oorlog sleept de kleine Salo een houten, geelbruin konijn op rode wielen met zich mee, van onderduikadres naar onderduikadres. Hij heeft het in een koffertje meegekregen van zijn tante. Zijn beschermkonijn, zal hij dit enige houvast later noemen.

Een van de vele mensen die zich over hem ontfermen is de speelgoedfabrikant ‘oom Bert’ Valk uit Westzaan. Daar kan hij een tijdje tot rust komen. Van Valks woning aan de J.J. Allanstraat gaat het na een tijdje naar Jaap en Guurtje van Eijkeren in Zaandijk. Het jongetje leert bij de zwaar gelovige schooldirecteur en zijn echtgenote bidden. Vloeken, hard praten en lachen zijn er uit den boze, het regime is er streng. Salo moet vertrekken wanneer op een dag de verstandelijk gehandicapte buurjongen langskomt. “Ik ga lekker tegen iedereen zeggen dat oom Jaap mensen in zijn huis heeft”, laat de jongen zich ontvallen. “De stilte viel te snijden. Iedereen keek elkaar aan”, herinnert Muller zich. “Voordat we er erg in hadden sloeg oom Jaap de jongen in elkaar. Als een bezetene ging hij tekeer. Alle opgekropte spanning mepte hij van zich af. Hij trapte net zo lang door tot de jongen voor dood op de grond bleef liggen. Toen hij langzaam opkrabbelde, pakte oom Jaap een pistool en riep: ‘Als je iemand ook maar iets vertelt, schiet ik je dood’. De jongen is op handen en voeten naar huis gekropen.” Nog dezelfde avond haalt Piet Bosboom de geschrokken Salo op. Hij brengt hem naar het Friese dorp Ureterp, een lange en moeizame tocht. Iets voorbij de modderige hoofdweg daar ligt een kleine boerderij, de volgende halteplaats voor Salo. Hij wordt er vanwege zijn donkere haar geïntroduceerd als een neefje uit Limburg en heet voorlopig Japje Mulder. Zijn echte naam klinkt te joods.

5.

Het duurt niet lang of Bosboom roert zich ook buiten de regiogrenzen. Een zus van dominee Leendert Overduin uit Enschede schoolt hem. Bosboom: “Toen ik Maartje voor het eerst ontmoette waarschuwde ze mij voor de grote gevaren van het ondergrondse werk, maar toen ik er op stond om te helpen in de organisatie leerde ze mij hoe je vingerafdrukken kon maken en mijn eerste taak was om bonnen te brengen naar een adres waar joden verscholen waren. Ik kreeg een papier mee met de helft van een codewoord. Dat briefje moest aansluiten bij de andere helft, in het bezit van de dame des huizes. Beetje bij beetje leerde Maartje mij het vak.”

Zijn respect voor haar is groot. “Op een keer werd er in Enschede een verklikker ontdekt. De ondergrondse werkers noemden hem de Schrik van Enschede en waren van plan hem dood te schieten. Maartje, die heel gelovig was, en haar vriendin Nellie (de dochter van dominee Ten Boom uit Soestdijk) waren echter tegen zo’n executie. Zij wilden de man laten zien dat wat hij deed verkeerd was. Ondanks het gevaar dat praten met deze verrader inhield werd Maartjes advies serieus genomen, maar de man verbeterde zich niet en is later door een lid van de groep alsnog doodgeschoten.”

Maartje en haar familieleden zijn vrome christenen. Bosboom: “Deze meisjes hadden een bijzonder sterk geloof, dat hun verbood zonder meer iemand te doden die andere levens op zijn geweten had. Dat ze dit geloof in zo een onmenselijke tijd toch behielden en zelfs zoveel mogelijk in de praktijk brachten is ontzagwekkend.”

Zelf worstelt de Zaandammer regelmatig met levensvragen. “Overvallen en liquidatie van verraders en verdachte lieden vond ik het ergst. Iemand kon nog zoveel joden hebben aangebracht, hij bleef voor mij een mens. Ik was toen nog niet erg gelovig, maar ds. Overduin bad dat een opdracht, en vaak was dat de liquidatie van een NSB’er, maar mocht lukken en dat degeen die hem moest uitvoeren behouden zou terugkeren. Dat riep bij mij allerlei weerstanden en problemen op. Ik kon dat niet met elkaar rijmen. Bidden voor de dood van een ander mens, hoeveel deze ook op zijn geweten had, dat was voor mij een geweldig moeilijk te verteren tegenstrijdigheid.”

De dilemma’s weerhouden hem er naar eigen zeggen niet van om zelf ook executies uit te voeren. Spijt heeft hij er niet van om tegenstanders uit de weg te ruimen, al gaan zijn gedachten later regelmatig terug naar zijn beslissingen over leven en dood. Te regelmatig. Hij raakt niet meer los van de oorlog. Meerdere psychologen en sociaal werkers zien hem na de bevrijding in hun behandelkamer verschijnen, maar tot aan zijn laatste dag wordt hij ’s nachts schreeuwend wakker, vastgeklonken aan zijn herinneringen. “Geestelijk ben ik prima, psychisch niet. Bang zijn als het eenmaal nacht is, als je moet gaan slapen en dan weerloos wordt, dat vind ik verschrikkelijk. In een straat lopen als het donker is en horen dat er iemand twintig meter achter je loopt. Daar kan ik ook niet tegen, dan buk ik me, ga mijn veters vastmaken en omkijken, of ik sla een andere straat in”, vertelt hij in een interview.

Bosboom wordt bij zijn zelfopgelegde taak gesteund door een steeds grotere groep getrouwen. In de directe omgeving zijn dat vooral familieleden en kennissen, buiten de Zaanstreek organisaties als die van de Overduins en het Nationaal Steunfonds. In de laatste fase van de oorlog ontvangt hij via de NSF-Vakgroep J maandelijks duizenden guldens om zijn onderduikers te voorzien van eten en kleding. Hij krijgt dat geld van de Haarlemmer Jan Vermeer, die als NSF-tussenpersoon fungeert (en zelf ook de nodige joden huisvest). Een naoorlogse lijst van de Vakgroep J telt de namen van 33 joodse onderduikers aan wie Bosboom hulp biedt. Ze zijn er in alle leeftijdscategorieën en zitten verspreid over de Zaanstreek, Amsterdam en Utrecht. Maar hij verzorgt ook onderduikers die niet via het Nationaal Steunfonds van geld worden voorzien, bijvoorbeeld omdat ze zelf over middelen beschikken of hun onderdakgevers geen vergoeding willen.

Bosboom reist door vrijwel heel Nederland, maar vooral noordwaarts. Zijn tochten naar Friesland lopen onder meer via Enkhuizen en Zwolle en eindigen in de regel in Joure. Bosboom: “Soms zaten er in Joure wel vijftig mensen, die dan de volgende dag doorgingen en verspreid werden over heel Friesland. Als we aankwamen moesten we nog vergaderen, vaak tot twee uur ’s nachts. We hadden valse papieren, dat we na spertijd nog op straat mochten zijn. Dus dan ging ik ’s nachts nog naar Sneek. Dan sliep ik twee uurtjes en dan weer met de eerste trein, om een uur of zes met de boot naar Enkhuizen en terug naar Amsterdam. En zo ging het continu. Iedere avond om kwart over zes op het Centraal Station met mensen op reis, je moest een ijzeren lichaam hebben. Maar dat deden we als groep, dat kon ik niet alleen.”

Een van de koeriers uit de Groep Bakker is al genoemd in het vorige hoofdstuk. Domineesdochter Hanneke Eikema komt via stadsgenoot Guurt van Houten, een overtuigd communiste, met Bosboom in aanraking. Het is 1943. Van de ene dag op de andere reist de studente langs geheime organisaties en verborgen mensen. Bijna elke week is ze op stap met joodse kinderen, vooral naar Friesland. “Een van mijn opdrachten was om een kleine jongen naar het platteland te brengen. Zijn ouders moesten ergens anders heen en het was een hartverscheurend afscheid. Ik moest hen bijna van elkaar lostrekken. Ik mocht niet huilen, ook al wilde ik dat wel. Je moest nu eenmaal altijd koel, dapper en betrouwbaar blijven”, schrijft ze.

Ze vraagt zich na het uitvoeren van haar missie nog wel eens af hoe het de jongen vergaat, maar het contact is -zoals steeds- afgesneden op het moment dat de overdracht plaatsvindt. Bij toeval ontdekt ze kort na de oorlog in de Londense editie van Vrij Nederland een reportage over haar reisgenootje. “Het jochie dat in het bevolkingsregister officieel staat ingeschreven als Martin droeg de naam Jopie toen hij op een ontvangststation werd afgeleverd”, leest ze. Doordat het jongetje in Noord-Holland en Friesland doorgegeven is aan talloze gastgezinnen kunnen zijn ouders, die de Holocaust hebben overleefd, hem in eerste instantie niet terugvinden. Na een lange speurtocht belandt zijn moeder in Westerterp, de laatste woonplaats van haar zoon. “De pleegmoeder van Jopie bleek een doodarme weduwe te zijn. Ze woonde in een klein huisje vlakbij de vaart. Toen de moeder van Jopie het huis binnenkwam zat het kind pap te eten. Hij keek op, werd lijkbleek en riep: ‘Mêm!’. Jopie, het ondergedoken joodse jongetje uit Amsterdam, sprak Fries alsof hij van zijn leven nooit anders had gedaan.”

Niet iedereen heeft zo’n beschermengel. Bosboom en zijn koeriers maken regelmatig gebruik van de Jan Nieveen, die vaart tussen de Amsterdamse De Ruyterkade en het Friese Lemmer. Voor ze met hun joodse vluchtelingen -meestal één, soms twee- aan boord stappen lopen ze langs een kleine man die elke ochtend en elke avond bladen staat uit te venten. Het zijn beduimelde, gescheurde exemplaren die hij aan de man probeert te brengen met de lokroep: “Prins, Piccolo, Panorama, De Lach, de Nieuwe Denksport!” De weinige kopers lezen de tweedehands tijdschriften aan boord en leggen ze dan meestal terzijde, waarna de bemanning van de Jan Nieveen de voorraad inzamelt en een dag later teruggeeft aan de verkoper. “God zegene dit schip en zijn bemanning”, is de vaste reactie van deze joodse Amsterdammer, waarna hij de oude lectuur voor een kwartje aanbiedt aan nieuwe passagiers. Maar op een dag zien Bosbooms medewerkers het mannetje niet meer. Zijn vaste standplaats op de kade blijft sindsdien leeg.

Er zijn talloze voorbeelden te geven van mensen die dankzij Bosboom het vege lijf kunnen redden. De Amsterdamse winkelier Isaac Mouwes, die na zijn ontsnapping uit Westerbork via Koog-Zaandijk en Krabbendam in de polder bij Schoorldam belandt, is zo iemand. Op zijn onderduikplek luistert hij naar de Engelse radio en verwerkt de gehoorde nieuwtjes tot berichten voor het illegale blad Trouw. Ruth Donath hoort ook thuis in de lange rij overlevers. Ze ontvlucht na de Anschluss Oostenrijk en komt in 1941 als dienstmeisje bij de Bergstichting werken, een joods kindertehuis in Laren. Daar ontmoet zij Bosboom. De 30-jarige Donath is niet van plan om een schuilplaats te zoeken wanneer de Duitsers overgaan tot het ontruimen van de Bergstichting. Het lot moet maar voor haar beslissen en bovendien, redeneert ze, wie wil haar hebben, met haar zware haren en joodse uiterlijk. “Piet Bosboom wist me er van te overtuigen dat ik moest onderduiken. Ik werd de ‘zuster’ van een boerin, die net als ik donker haar had. Piet drukte me op het hart hem te berichten als er problemen zouden zijn. Dan zou hij het ‘pak’ -dat was ik- komen halen en me naar een ander adres brengen.”

In eerste instantie belandt ze bij een boer in Noord-Brabant, maar wanneer die steeds meer geld eist voor de huisvesting besluit Bosboom haar naar een ander adres te brengen. Ze kan er een paar maanden blijven. De buren hebben echter te veel belangstelling voor Donath en ze moet opnieuw verhuizen. Bosboom haalt haar op en begeleidt haar naar Bertus en Mart Stroop in Sneek. Zij zorgen ervoor dat hun joodse visite heelhuids het einde van de oorlog haalt.

Bosboom (ouder)
Piet Bosboom op oudere leeftijd

De aarzeling en vaak zelfs weigering om onder te duiken, zoals verwoord door Ruth Donath, is niet uniek. Het perfide Duitse deportatiesysteem zit zo ingenieus in elkaar dat veel mensen niet kunnen of willen weten wat het einddoel is. Ze verkiezen soms liever de schijnzekerheid die de nieuwe autoriteiten hen bieden dan de onzekerheid van een verborgen bestaan. Bosboom: “Adressen waar we mensen konden laten onderduiken hadden we gelukkig altijd meer dan we op een bepaald moment nodig hadden. Het grootste probleem was dat vele joden zelf niet wilden geloven dat het beter was onder een valse naam op een klein kamertje verborgen te zitten dan je zonder meer te laten oppakken in de Uilenburgerstraat. Bij gezinnen met kleine kinderen kwam daar nog bij dat de ouders hun kinderen dikwijls niet aan anderen wilden toevertrouwen. (…) Een heel tragisch geval is dat van de winkelier De Jong van het Jonas Daniël Meijerplein. Die liet ons zijn vrouw en dochter naar de provincie brengen, maar zelf achtte hij ’t ‘nog te vroeg’ om onder te duiken. Hij wilde eerst zijn zaken regelen en ‘het zou immers niet zo’n vaart lopen’. Na een paar weken moest ik de dochter, die apart was ondergedoken, vertellen dat haar beide ouders weg waren. Dat meisje was toen 17 jaar. Ze liet geen traan.”

Andries en Leni Hoffmann, Selma Vecht, Isaac en Lena Crost, Rosa Cohen; het gaat te ver om van iedere vervolgde die door Bosboom is bijgestaan een portret te maken. Het zou leiden tot vele tientallen beschrijvingen en zelfs dan is het totaaloverzicht ongetwijfeld incompleet. Daarom worden, tot besluit van dit hoofdstuk, alleen nog de lotgevallen van Frederika Elburg en haar gezin belicht. Hun wedervaren brengt de rol van Piet Bosboom als tussenpersoon goed tot uiting.

Frederika van Dam is getrouwd met de godsdienstleraar, cantor en ritueel slager Karel Elburg. Hij is onmisbaar binnen de kleine joodse gemeenschap in het Groningse Leek. Op 19 mei 1940 wordt hun eerste kind geboren, Barend Yissaschar. Maar de negen dagen eerder begonnen bezetting van Nederland betekent het einde van hun harmonieuze bestaan. Vanaf februari 1943 zit het gezin als ratten in de val, opgesloten in het Amsterdamse Judenviertel. Een half jaar later worden ze gearresteerd. Tot overmaat van ramp is Frederika in verwachting van haar tweede kind. Gedrieën belanden ze in de Hollandsche Schouwburg, in afwachting van het transport naar een vernietigingskamp. Zodra ze binnenkomen in het Amsterdamse voorportaal van de hel ontmoeten ze Walter Süskind. De Joodsche Raad heeft deze Duitse immigrant als beheerder in de schouwburg geposteerd. Hij gebruikt die positie, overigens zonder dat zijn werkgever daar weet van heeft, om joden naar buiten te smokkelen en met name de identiteitspapieren van kinderen te manipuleren. Door zijn vindingrijkheid, brutaliteit en goede banden met oud-schoolgenoot Ferdinand aus der Fünten, verantwoordelijk voor de jodendeportatie uit Nederland, slaagt hij er met zijn medewerkers in om vijf- tot zevenhonderd kinderen te redden.

Süskind vraagt de zwangere Frederika Elburg in welke maand ze is. “Ik zei: ‘In de tiende’. ‘Geen grapjes’, zei hij. ‘Nee, ik weet het echt niet meer. Ik heb al vanaf mei een bewijsje dat ik in de negende maand ben, ik weet het niet’. En ik had maar één doel, er zo snel mogelijk uitkomen.” Het is een wens die waarschijnlijk bij alle gevangenen in de Hollandsche Schouwburg leeft. Slechts een klein percentage weet ook daadwerkelijk te ontsnappen. Door elke keer als er een deportatie wordt aangekondigd te simuleren dat Elburg op het punt van bevallen staat weet Süskind haar op de ziekenzaal te houden. Dat gaat goed tot 24 augustus, daags voor er een nieuw transport vertrekt. Süskind komt naar haar toe en zegt: “Mevrouw Elburg, ik kan u niet meer terughouden. Want Aus der Fünten heeft gezegd: ‘De vrouw die elke dag naar de overkant van de crèche gaat, die steeds moet bevallen als er een transport is, laat ze maar in Westerbork bevallen’.”

Die nacht komen de weeën alsnog en na lang smeken tegen haar dokters mag Elburg haar kind ter wereld brengen in het Amsterdamse verpleeghuis De Joodse Invalide. Het geeft Süskind de kans om het hele gezin te helpen vluchten. Ze belanden uiteindelijk in het gebouw van de nabije joodse gemeente en ontmoeten daar Bosboom. Hij spreekt met de Elburgs af dat hij hen die avond komt ophalen. Nadien kan hij zich vooral Frederika voor de geest halen. “Tegenover de Dokwerker had je toen die kantoren van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap. En daar was een poortje. En daar achterin zat zij. Hoe ze daar gekomen is, ik weet het nog niet. (…) Ik heb haar er uitgehaald en ze had een koffer bij zich. En we lopen d’r uit, moest je zo’n trapje af en dan stond je buiten, op het Jonas Daniël Meijerplein. En ze laat de koffer uit haar handen vallen. Waar al die jurken met die sterren in zaten. Ik viel er bovenop, gauw die jurken er weer in. En toen heb ik haar naar de overkant van het IJ gebracht.” Het gezin komt terecht bij Roelof en Katherina Krommendijk, het echtpaar dat -eveneens via Bosboom- ook Ruth Donath enkele maanden een veilige plaats kan aanbieden. Na een week reizen de vier leden van het gezin Elburg door naar Limburg, waar ze tot mei 1945 blijven.

Bosboom heeft er nadien weinig over verteld, maar hij schijnt ook betrokken te zijn bij het weghalen van kinderen uit de joodse crèche op de Plantage Middenlaan. Dat gebeurt door baby’s naar buiten te smokkelen in rug- en boodschappentassen, melkbussen en wasmanden. De crèchemedewerkers hebben verder toestemming om de wat oudere kinderen zo nu en dan uit wandelen te nemen. Sommigen worden achtergelaten bij een zandbak of als groepje gescheiden van de rest en vervolgens opgehaald door Bosbooms koeriersters. De kinderen gaan vervolgens naar het Leger de Heils-gebouw Elim, waar ze gerustgesteld worden en wat te eten of drinken krijgen. Koeriers brengen de kinderen vervolgens naar Friesland of Limburg; de blonde naar het Noorden, de donkere naar het Zuiden.

6.

Jan Carel Wijnbergen is nog maar 16 jaar oud als de communistische verzetsleider Jaap Brandenburg hem vraagt om in Amsterdam-Noord wat pakjes af te geven. Gewapend met een namenlijst fietst Wijnbergen langs enkele scheepswerven en bedrijven als Fokker en Hollandia Kattenburg. Af en toe stopt hij en overhandigt een pakketje aan een werknemer. Die scheurt de verpakking er af en verspreidt de inhoud binnen zijn bedrijf. Het blijken gestencilde pamfletten te zijn. “Protesteert tegen afschuwelijke jodenvervolgingen!!”, schreeuwt de kop boven het manifest. Het is 25 februari 1941, de dag dat in grote delen van Amsterdam het werk wordt neergelegd als demonstratie tegen de eerste antisemitische razzia in de hoofdstad. Het is ook de dag dat Jan zijn entree maakt in de illegaliteit. De maanden na die massale arbeidersopstand in met name Amsterdam, de Zaanstreek en het Gooi brengt Jan Wijnbergen op verzoek van Brandenburg vaker boodschappen rond. Het gaat om ondergrondse blaadjes, brieven, pakjes en wat later ook wapens. Hij doet dat naast zijn werk als glazenwasser bij de firma Spiegel.

Ergens in 1942 is Wijnbergen met zijn collega’s op de Nieuwendijk aan het werk in Cinema Royal. Ze reinigen er in de nachtelijke uren de ramen, muren en plafonds. De derde nacht neemt tijdens de schaftpauze een van de theatermedewerkers plaats naast Jan. Het is de bekende organist Bernard Drukker. Hij toont belangstelling voor de locaties waar de jonge glazenwasser werkt. “Bent u bekend met de Wehrmacht-gebouwen?”, vraagt Drukker. Zijn gesprekspartner houdt zich op de vlakte, hoewel hij maandelijks de ramen lapt van het Wehrmacht-kantoor aan de Herengracht. “Een kennis van me wil graag een gesprek met u hebben”, zegt de organist. Jan belooft hem er over na te denken en vraagt na werktijd Jaap Brandenburg om raad. “Die zei: ‘Neem contact op en kijk wat er gebeurt’.”

Aldus geschiedt. Op een zondagochtend vindt op de hoek van de Kloveniersburgwal en de Oude Manhuispoort de ontmoeting plaats tussen Gerard Maas, zoals Wijnbergen zich noemt binnen het illegale circuit, en een slanke, donkerharige man. “Weet u misschien waar de Oude Waal is?”, vraagt de laatste. Jan geeft het met Drukker afgesproken kennismakingsantwoord: “Ja, ik weet wel waar de Oude Waal is, want daar wonen kennissen van me.” ‘Piet Bakker’, stelt de man tegenover hem zich voor. Ze lopen samen door het oude centrum, onderwijl overleggend over de mogelijkheden om ten bate van het verzet afdrukken van Wehrmacht-stempels te maken. Net als eerder bij Bernard Drukker zegt Jan dat hij er over zal nadenken. “Ik nam weer contact op met Jaap Brandenburg en die zei: ‘Doen. Die man is betrouwbaar’.” Er komt een tweede ontmoeting met de kleine man die de glazenwasser pas tientallen jaren later zal leren kennen als Piet Bosboom. Ze maken afspraken en gaan vervolgens ieder huns weegs.

Jan Wijnbergen moet in het Wehrmacht-gebouw binnen en buiten de ramen schoonmaken. Het geeft hem de mogelijkheid om te voldoen aan de verzoeken van Bosboom. Op de momenten dat er geen personeel in de buurt is, drukt hij zoveel mogelijk Duitse stempels op blanco vellen papier en steekt die bij zich. Aangetroffen postpapier verdwijnt eveneens in zijn jumper. Zijn collega Jan Huitinga houdt op de gang een oogje in het zeil. Keer op keer levert de glazenwasser zijn documenten af bij Bosboom. Die zorgt dat de oogst terechtkomt bij stempelfabriek Posthumus aan de Sint Luciënsteeg 23-25. Daar heeft hij contact met procuratiehouder J. Baaij.

Terwijl de stempelmakers in de winkel openlijk hun reguliere waren leveren aan iedere klant -ook aan de Wehrmacht-, produceren aan de achterkant enkele vertrouwelingen op basis van de aangeleverde afdrukken aan de lopende band vervalsingen. Het betreffen vaak gecompliceerde varianten, met Duitse adelaars, gemeentewapens en natuurlijk hakenkruizen. De stempelafdrukken komen terecht op talloze identiteits- en andere papieren, eveneens vals of gestolen uit distributiekantoren en andere overheidsgebouwen. De firma Posthumus maakt ook kopieën van de banden die de opzichters in de Hollandsche Schouwburg om hun arm dragen, ten teken dat zij het gebouw in en uit mogen. De draagbanden met het logo van de Ortskommandantur geven Bosboom en zijn collega’s de mogelijkheid om er eveneens ongestoord binnen te stappen en gevangenen te spreken of weg te halen.

Het blijft voor Jan Wijnbergen niet bij het stelen van Wehrmacht-gegevens. Na een tijdje stelt Bosboom hem voor om medewerker van zijn groep te worden en daar als koerier aan de slag te gaan. Jaap Brandenburg heeft geen bezwaren tegen de overstap en Wijnbergen voelt er ook wel voor. In zijn nieuwe rol moet hij heel Nederland doorreizen om joodse kinderen onder te brengen. De jonge Amsterdammer gaat bij mooi weer gekleed in een korte broek en doet zich dan voor als een schooljongen die met andere kinderen op stap is. Soms heeft hij een (gestolen) kaart om zijn nek van de Evacuatiedienst, de organisatie die zorg draagt voor slachtoffers van oorlogsgeweld. De glazenwasser is soms meerdere keren per week op pad met vluchtelingen. Uit veiligheidsoverwegingen worden de onderduikertjes meestal overgegeven aan een onbekende tussenpersoon. Die zorgt dat het kind in kwestie naar zijn of haar nieuwe onderkomen wordt gebracht. Een van de weinige onderduikadressen die Wijnbergen wel zelf bezoekt ligt in Nieuweschans. “Ik moest bij een dominee zijn. Daar moest ik aanbellen, een code zeggen en twee kinderen afleveren. Maar hoe Piet Bosboom aan die naam en dat adres kwam, ik weet het niet. Hij gaf de route op en wees hoe ik door de controle op Amsterdam Centraal Station kwam. Ook zorgde hij voor de papieren die onderweg nodig waren, de treinkaartjes, alles. Dat regelde hij tot in detail.”

Eén keer is Wijnbergen door overmacht gedwongen om te overnachten op het beoogde onderduikadres. Hij is met twee kinderen op weg naar Nijmegen. Maar even voorbij Utrecht beschieten Engelse vliegtuigen de trein waarin ze zitten. De reizigers proberen in paniek hun coupés te verlaten. Een vrouw helpt Wijnbergen de kinderen naar buiten te tillen. Samen zoeken ze dekking in een greppel. Er vallen meerdere slachtoffers, maar de koerier en zijn metgezellen komen er heelhuids door. Gevolg is echter wel dat ze te laat in Nijmegen arriveren. “Gelukkig was het inmiddels in Nijmegen bekend dat de trein was beschoten door ‘Engelse moordenaars’ en dat men daardoor vertraging had opgelopen. De koerier was bij onze aankomst aanwezig, hij had geduldig gewacht. Tegen de regels in pleegden we overleg. Ik kon niet meer terug naar Amsterdam, het was te laat en er gingen geen treinen meer. Johan Frank, de koerier, nam mij ook mee naar zijn huis aan de Willemsweg 103, waar ik die nacht ben blijven slapen.”

Bosboom werkt vaak vanuit Amsterdam. Hij kan goed overweg met Max Plotske, een medewerker van de door de Duitsers ingestelde Joodsche Raad. Dankzij hem heeft hij een kamertje kunnen inrichten in het kantoor van deze organisatie. Het biedt de kans om met mensen te praten en vingerafdrukken te nemen voor valse persoonsbewijzen. Dat gaat probleemloos, tot aan het moment waarop Joodsche-Raadvoorzitter Abraham Asscher ontdekt waarmee Bosboom bezig is. Bang voor de mogelijke sancties indien de Duitsers de ondermijnende werkzaamheden ontdekken stelt Asscher tijdens een vergadering dat Bosboom geweerd moet worden. “Als Piet Bakker nog eenmaal hier in ons kantoor gesignaleerd wordt, dan zullen wij niets ondernemen tegen de deportatie van enkele medewerkers. Piet Bakker mag hier nooit meer komen”, verordonneert hij. De tijdens deze bespreking aanwezige Plotske waarschuwt Bosboom. Die kiest eieren voor zijn geld en verlaat het pand aan de Nieuwe Keizersgracht.

Van diverse kanten bereiken Bosboom de namen van joden die op het punt staan opgehaald te worden voor transport naar Westerbork. Tot zijn leveranciers behoort ook Cornelis Roos. Deze gereformeerde politieman wordt vanaf 1942 ingezet bij razzia’s in de Amsterdamse jodenbuurt, maar weet daarbij verschillende mensen te laten ontsnappen. Wanneer de 30-jarige agent wordt overgeplaatst naar de Berichtendienst op het Amsterdamse hoofdbureau begint hij met het doorspelen van informatie aan het hoofdstedelijk verzet. Op die manier lekt uit waar en wanneer er razzia’s gepland zijn en wie op de nominatie staan om afgevoerd te worden. Een deel van de gegevens belandt bij Bosboom. Die waarschuwt zelf of via contactpersonen slachtoffers voor de komende deportatie en helpt ze zo nodig onderduiken. Het is een continue race tegen de klok, een wreed kat-en-muisspel. De meeste razzia’s vinden plaats na het ingaan van het avondlijk uitgaansverbod. “Als de klok 8 uur geslagen heeft en het donker komt, begint voor onze joodse medeburgers het ondragelijke, martelende wachten”, meldt Vrij Nederland op 10 oktober 1942. “Elke voetstap doet hen schrikken, elke auto is een naderend oordeel, elke bel is een vonnis. De overvalauto’s zijn er op uitgetrokken, de Grüne Polizei en de Hollandse jodenbeulen beginnen hun satanisch nachtelijk bedrijf. Elke avond worden de deuren geopend, vrouwen, kinderen, grijsaards, zieken enz. enz. weggevangen als vissen uit de fuik.”

Voordat de spertijd ingaat, trekken Bosboom en zijn groepsleden langs de oude huizen van het getto. Ze proberen de bewoners op de door Roos verstrekte deportatielijsten over te halen een schuilplaats te zoeken, om te beginnen voor één of twee dagen. Het geeft de illegaliteit wat speling om onderduikadressen te vinden buiten Amsterdam. Soms lukt dat, maar niet iedereen beschikt over familie of kennissen die tijdelijk onderdak kunnen verlenen. Anderen durven de ontsnapping niet aan en wachten de komst van hun ontvoerders af, hopend op clementie tijdens de beloofde ‘arbeidsverruiming’ in het Oosten.

Veel tijd om zijn obstructiewerk uit te voeren krijgt Cornelis Roos niet. In het vroege voorjaar van 1943 verstrekt hij Gerrit Jan van der Veen, de leider van de Persoonsbewijzencentrale, informatie over de bewaking van het Amsterdamse bevolkingsregister. Ook levert hij twee politiepetten, die minutieus worden nagemaakt ter voorbereiding op de aanslag die het gebouw moet verwoesten waar de persoonsgegevens van alle Amsterdammers liggen. Op 27 maart dringt een groep verzetsmensen ’s avonds onder leiding van beeldhouwer Van der Veen en schrijver Willem Arondeus het pand aan de Plantage Kerklaan binnen, na de bewakers ervan te hebben uitgeschakeld. In anderhalf uur tijd slagen de negen mannen er in honderdduizenden persoons- en familiekaarten te veranderen in zeven grote brandstapels. Het succes is overigens relatief. In Den Haag bevindt zich een schaduwarchief waarin later 85% van de verloren gegane informatie wordt teruggevonden. In de weken na de aanslag worden tal van betrokkenen aangehouden, onder wie Cor Roos. Op 1 juli executeert een commando van de Sicherheitspolizei hem en elf anderen in het duingebied van Overveen.

Op 19 oktober 1943 arresteert de SD in één klap de voltallige Noord-Hollandse LO-top en enkele landelijke kopstukken. Ze zijn die dag in Hoorn bijeen voor de Beurs, de wekelijkse uitwisseling van namen en adressen voor onderduikers. Onder de LO’ers bevindt zich ook de provinciale leider, Zaandammer Klaas Pos. Kort na deze immense tegenslag voor het verzet meldt zich bij de woning van Gerrit Dekker ene Van den Berg. Dekker woont boven zijn winkel, bakkerij De Zeeuw in de Zaandamse Vinkenstraat. Hij zet zich met hart en ziel in voor de LO en dat geldt ook voor zijn vrouw en twee kinderen. Van den Berg vertelt de bakker dat hij de 19de eveneens in Hoorn is gearresteerd, maar bij gebrek aan bewijs zijn vrijheid heeft herkregen. “Op een gegeven moment wist Pos mij toe te fluisteren naar u te gaan voor papieren van Pos, teneinde die in veiligheid te brengen in Amsterdam”, zegt Van den Berg. Dekker houdt zich van de domme. Hij weet niet beter dan dat Pos de bewuste documenten naar Hoorn vervoerd wil hebben.

Die dag vindt er bij Dekker een feestavond plaats waarvan de opbrengst ten goede moet komen aan onderduikers. Tal van genodigden komen langs om het nuttige met het aangename te verenigen. Onder hen bevindt zich ook Piet Bosboom. Hij is goed bekend met het illegale werk van de familie; een van zijn koeriersters is bakkersdochter Nel. Het feest geeft hem de gelegenheid om meteen wat papieren af te leveren bij de Dekkers. Hij loopt de trap op naar de bovenwoning, ‘maar daar stonden al zo’n man of dertig met de armen omhoog. Ze werden onder schot gehouden door een Duitser. Ik moest wel doorlopen, want er was een revolver in mijn rug gedrukt’. De Sicherheitsdienst heeft de woning bezet en vangt de gasten -merendeels niet ondergronds actief- één voor één op. Urenlang worden ze verhoord. Bosboom slaagt er in om zijn belastende documenten door te slikken, maar wordt desondanks als verdachte beschouwd. “In dat huis ben ik in elkaar getrapt en geslagen. Dat is heel erg, maar voordat dat gebeurde zag ik nog dat die Duitsers iemand die geboeid was zijn boeien afdeden. Die man ging toen meedoen met het onderzoek door het hele huis – hij had zich in de groep ingedrongen. Later heb ik hem geliquideerd, in Beverwijk, maar dat is wel iets anders dan een vlieg met een krant doodslaan – het is een mens. Daar denk ik nog wel eens aan, hoewel ik er geen spijt van heb.” Of de verrader die hij zou hebben doodgeschoten de eerder genoemde ‘Van den Berg’ is of iemand anders is niet duidelijk. Er zijn in Beverwijk meerdere nazi-sympathisanten om het leven gebracht en de daders zijn niet allemaal bekend.

Na enkele uren slaagt Bosboom er in om via de achterdeur de veranda te bereiken en daar over de balustrade te springen. Een verdieping lager komt hij hard op de grond neer, maar ondanks de rugblessure die hij daar bij oploopt (hij zal er zijn verdere leven last van blijven houden) weet hij te ontsnappen. Gerrit Dekker komt er minder goed vanaf. De rest van de oorlog wordt hij van kamp naar kamp gestuurd: Vught, Dachau, Allach, Markirch en Auschwitz. In januari 1945 bevrijdt het Russische leger hem. De andere, merendeels onschuldige deelnemers aan Dekkers benefietavond worden wel snel vrijgelaten.

7.

Onder de kap van het Amsterdamse Centraal Station staan op 2 oktober 1942 opvallend veel treinen. Al snel is duidelijk voor wie ze bedoeld zijn. De Duitsers houden massale razzia’s, waarbij onder meer de joodse werkkampen in en om Amsterdam worden leeggehaald. Max Nunes Nabarro verricht die vrijdag dwangarbeid in Muiden, waar hij aan de dijken moet werken. Plotseling omsingelen gewapende Duitsers de groep met spittende mannen en dwingen hen op een boot. Niet veel later wordt Beppie Nunes Nabarro gewaarschuwd door een overbuurvrouw, die de gearresteerde Max voorbij heeft zien varen. Het is voor hem het begin van een lijdensweg langs negen kampen en voor haar een zoektocht naar schuiladressen. De 21-jarige, hoogzwangere Beppie heeft namelijk met haar man afgesproken onder te duiken in het geval hij weggevoerd zal worden. Bijna twee maanden nadat haar man is verdwenen en enkele verblijfplaatsen verder bevalt Beppie in het Nederlands-Israelietisch ziekenhuis van een dochter, Carine Marion. Moeder en kind zwerven maandenlang door Nederland, soms samen, soms gescheiden. Uitgerekend een Duitse onderofficier regelt voor Beppie een nieuw persoonsbewijs. Ze zal de verdere oorlog door het leven gaan als Magdalena de Vries-Hazewinkel.

Begin 1944 bereikt haar het bericht dat ze per trein naar Uitgeest moet gaan. “Daar zou een meneer staan in een donkerblauwe regenjas met een krant onder zijn arm. Dat was Piet Bakker. ‘Mag ik u iets vragen?’, zei ik. ‘Bent u joods?’ ‘Mijn vader’, antwoordde hij. Toen we in Zaandam aankwamen stond de heer Selier op me te wachten. Hij bracht me naar Kees en Gré de Vries. Die woonden in de Czaar Peterstraat in Zaandam, tegenover de broer van Piet.” Nadat ze zich eerder heeft moeten voordoen als katholiek wordt er nu van haar verwacht dat ze op zondag in de gereformeerde kerk plaatsneemt. “Ik herinner me dat er urenlang gezeurd werd over de slang uit het verhaal van Adam en Eva; of hij nou echt gesproken had of dat zijn voorkomen symbolisch is geweest.”

Bosboom kan hulp gebruiken. “Na een tijdje vroeg hij: ‘Zou jij er voor voelen om mijn koerierster te zijn? Het is wel gevaarlijk’.” Ze zegt ja. “Ondergedoken mensen verzorgen bijvoorbeeld, met bonnen en levensmiddelen. Via Piet had ik een fiets met houten banden gekregen en daarmee ging ik dan langs de adressen. We verzorgden die mensen samen. Soms hij alleen, soms ik alleen. Als er ergens een loods overvallen was gingen we naar Koops, die zat ergens in een zijstraat van de Westzijde. Daar verdeelden we dan het eten en dat konden we vervolgens langsbrengen bij de gezinnen met onderduikers. Ik moest ook wel eens wat halen of brengen in Haarlem. Op een dag moest Piet revolvers wegbrengen voor het verzet. We kregen echter een seintje dat onderweg mannen gecontroleerd werden. Toen ben ik gegaan. Mij lieten ze gewoon door de controlepost.”

Haar dochter logeert inmiddels bij Jan en Gesina van Ooijen in Westzaan. “Piet ging met haar naar bakkerij De Zeeuw. Daar kwam de heer Van Ooijen ook. Piet heeft de baby toen overgedragen aan Van Ooijen.” Op de fiets pendelt Beppie regelmatig naar haar dochter. Zelf kan ze niet langer bij het echtpaar De Vries blijven. “De hele straat werd afgezet en alle mannen moesten het huis uit. Maar ze zochten ook een meisje dat een distributiekantoor had overvallen. Toen ze de ene kant van de straat gecontroleerd hadden en aan onze kant begonnen ben ik snel overgestoken naar Nathan en Dien Bosboom. Op dàt moment ben ik gaan roken. Ik wist van de zenuwen niets anders te verzinnen. Na die actie ben ik naar Piets oudste broer gegaan, op de Westzanerdijk. Daar heb ik voor het huishouden gezorgd.”

Het zijn angstige tijden. Nunes Nabarro: “Onderduiken was verschrikkelijk… heel erg. Je kind moeten afstaan zonder dat je wist of je het ooit terugkreeg, dat was vreselijk. Altijd de angst dat er met jou of met het kind wat zou gebeuren. (…) Ik heb drie jaar in angst gezeten. Iemand die zat ondergedoken en zegt nooit bang te zijn geweest… dat kan niet. En al helemaal niet als je op straat kwam, zoals ik. Als je gepakt werd als verzetsstrijder ging je ook naar een concentratiekamp, maar verzetsstrijders kwamen ook wel eens vrij. Maar als ik gepakt werd was het twee keer zo erg: als verzetsvrouw en als jodin. Voor mij bestond er geen enkele kans.”

Tijdens de nadagen van de bezetting verblijven Piet Bosboom en Beppie Nunes Nabarro in een Zaandijkse woning aan de Wilhelminastraat 34. Het joodse echtpaar Drukker houdt hen gezelschap. Het is er smerig en koud en de woning ontbeert gas en licht. Nunes Nabarro: “Mevrouw Drukker vroeg mij toen of ik naar mevrouw De Wit, van de supermarktketen, durfde te gaan voor een zwabber en bezem. Mevrouw De Wit gaf me toen ook een pakketje levensmiddelen mee voor de familie Drukker. Een week later ben ik teruggegaan en heb haar gevraagd of ze me ook etenswaren kon geven voor drie onderduikkindjes (Carine, Loutje Polak en het zoontje van de familie Drukker). Ze gaf me toen echte suiker mee en meer van die schaarse producten. Ze was zo gul. (…) Ik weet nog dat ze eens tegen me zei: ‘Aardige mensen hè, die Drukkers. Maar ja, ze zijn toch anders. Toen ik nog in Amsterdam woonde drukten die dikke jodinnen me zowat van de straat met hun juwelen. En als ik m’n schoenen bij ze liet maken was ’t altijd duurder dan elders’. Ook zei ze me eens: ‘Juffrouw Bakker, mijn man zei laatst: die juffrouw Bakker zou best ook eens een jodinnetje kunnen zijn’. Ik natuurlijk meteen ontkennen. Na de oorlog ben ik nog eens naar haar teruggegaan met Carine. Toen kon ik eindelijk zeggen dat ik de moeder was en dat we inderdaad joden zijn.”

Met de geallieerde troepen in aantocht is de spanning in het huis aan de Wilhelminastraat om te snijden. Beppie Nunes Nabarro: “We hoorden op een gegeven moment allemaal lawaai op straat. Mensen die zongen en riepen: ‘De oorlog is voorbij’. We durfden het haast niet te geloven en liepen voorzichtig de straat op. Maar ’t wás waar.” Jacob en Henriëtte Drukker vertrekken à la minute uit hun schuilplaats, terug naar Zaandam. Piet en Beppie niet. De plotselinge overgang is Piet te veel. Opnieuw barst hij in tranen uit, net als op de avond voor het gedwongen vertrek van zijn ouders naar Amsterdam, drie jaar eerder. Ook Beppie houdt de ogen niet droog: “Toen sprak meteen een van onze buren ons aan: ‘Voor ons is ’t fijn, maar voor jullie is ’t nog veel fijner’. En wij maar denken dat niemand doorhad dat wij daar ondergedoken zaten.”

Bosboom
Yad Vashem-waardering voor Piet Bosboom

Vrijgevochten: de Zaanstreek in de Tweede Wereldoorlog (4)

12 apr

Tot de meidagen van 2015 publiceer ik op deze plek wekelijks een longread over een Zaanse verzetsstrijder die tussen 1940 en 1945 van landelijk of zelfs internationaal belang was. Na de bevrijding raakten ze in de vergetelheid. Door hen hier te portretteren hoop ik ze weer een beetje zichtbaar te maken. De zes verhalen zijn, aangevuld met voetnoten en namenindex, ook te lezen in mijn boek Vrijgevochten. Zaans verzet in nationaal perspectief (1940-1945). Het is hier te bestellen.
In deel 4 van deze korte serie een portret van Jan Eikema.

Jan Eikema wordt geboren in het Drentse gehucht Hijkersmilde. Hij is een nakomertje, het derde kind van schoolhoofd Jan en moeder Alida Jantina. Na hoge cijfers te hebben behaald op het gymnasium in Assen kiest Eikema voor een studie theologie aan de Universiteit van Leiden, de plaats waar hij ook gaat wonen. Hij begint er in het najaar van 1915 en wordt meteen lid van de Vrijzinnig Democratische Bond, een progressief liberale partij. Een jaar later belandt hij in het hoofdbestuur van de Bond van Jonge Democraten, de VDB-jongerenorganisatie. Zijn ster rijst snel. Hij trekt op met VDB-prominenten als feministe Aletta Jacobs, Pieter Oud en Henri Marchant. Samen met hen spreekt hij volle zalen toe.

Het Noord-Brabantse provinciaal kerkbestuur acht Eikema na zijn afstuderen geschikt om als hervormd predikant aan het werk te gaan. Zijn eerste gemeente wordt het Noord-Hollandse Benningbroek, waar hij op 18 september 1921 begint. Diezelfde maand trouwt hij met Gezina Hermanna Nijk, met wie hij twee dochters krijgt. In de volgende halve eeuw is hij dominee in achtereenvolgens Witmarsum, Godlinze, Schagen, Zaandam, Dordrecht, opnieuw Zaandam, Stolwijk, Hoogwoud en Valthermond.

De meeste oorlogsjaren woont en werkt Jan Eikema in Zaandam. Hij belandt er in het verzet, een logisch uitvloeisel van zijn vooroorlogse werkzaamheden voor de anti-nazistische organisatie Eenheid door Democratie. “Wij stonden machteloos. Wij mochten een enkel fel protest van de kansel voorlezen, wij mochten af en toe pleiten voor het oude volk, op gevaar af in ongenade te vallen bij de SD”, stelt hij na de oorlog te bescheiden over zijn eigen rol. Keer op keer roept de vrijzinnige dominee zijn toehoorders op om in het geweer te komen tegen de bezetter. Daarbij legt hij de nadruk op het onrecht dat de joodse bevolking wordt aangedaan. Eikema heeft het zwaar. De nazi’s vermoorden meerdere vrienden en collega’s. Zijn dochter Hanneke belandt vanwege haar illegale werk in de gevangenis. En zijn vrouw kampt met multiple sclerose en takelt lichamelijk en geestelijk af. Ze overlijdt in 1951, na een lange lijdensweg. Kort tevoren is Jan Eikema beroepen in Stolwijk. Hij verlaat Zaandam, waar ‘de mensen zó kleinzielig zijn’, moe als hij is van het dorpse geroddel over zijn relatie met plaatsgenoot Ankie Lamérus-Remelink. Ze trouwen in 1951 in hun nieuwe woonplaats en krijgen drie zoons.

Eikema wordt op uitnodiging van Pieter Oud in 1948 betrokken bij de oprichting van de VVD, maar speelt daarin verder geen rol van betekenis. Wel zet hij zich naast zijn werk als voorganger in voor de VPRO, diverse kerkelijke bladen en een aantal verenigingen. In 1975 overlijdt hij, op 79-jarige leeftijd.

Jan Eikema 1
Jan Eikema in 1939

1.

De inval van de Sicherheitspolizei bij Jan Hendrik op den Velde, waar Dré Ausems ternauwernood ontsnapt aan arrestatie en die verschillende verzetsmensen het leven kost, betekent ook bijna het einde van Jan Eikema’s vrijheid. Het is 2 maart 1944. Dominee Eikema heeft eerder die dag gepreekt in de Zaandamse Oostzijderkerk. Het gebedshuis zat halfvol, niet slecht voor een donderdag. De 108 toehoorders hebben mogen luisteren naar een verhaal met de toepasselijke titel ‘Door strijd tot vrede’. Na afloop steekt de vrijzinnig hervormde predikant de Zaan over en slaat rechtsaf, de Westzijde in. Thuisgekomen zoekt hij enkele codeberichten op, informatie voor de Nederlandse regering in ballingschap. Radiotechnicus Op den Velde zendt regelmatig dergelijke gegevens van de Ordedienst naar Engeland, standaard om 13.00 uur. Op zijn beurt ontvangt hij berichten uit Londen. Eikema’s rol is het coderen en decoderen van de verzetsboodschappen, een klus die Op den Velde niet ligt. Bovendien vergt de berichtenomzetting veel tijd. Tijd die hij niet heeft. Als technische chef van de Ordedienst moet hij ook nog dagelijks het binnenlandse zendernet op gang houden. Zijn buurman Jan Eikema heeft echter bewezen aan de goede kant te staan, discreet te zijn en secuur te werken.

Een anonieme verzetsman verhaalt in 1955: “Het werd een ingenieus systeem, waar ze veel plezier over hadden: ‘De kat gaat vanavond naar de buren’ of ‘Marietje heeft vanavond een afspraak’.” De chef-marconist van de OD, Ton van Schendel, heeft een codesysteem ontworpen dat kan worden toegepast bij binnen- en buitenlands gebruik. “Het geheel beoogde een uniforme en zo vlot mogelijke werkwijze. De instructie was door de chef-staf goedgekeurd en daarna aan de diverse radiocommandanten ter hand gesteld. In een handig formaat had ‘Karel’ [Jan Thijssen, E.S.] een door mij ontworpen telegramformulier doen drukken waarop de berichten moesten worden opgenomen. Door de handige kolommenindeling kwam niet alleen een vijf-lettercode tot zijn recht, doch kon de marconist op een snelle wijze constateren of het aantal ontvangen groepen overeenstemde met dat van de voorschriften.” Dag na dag puzzelt Eikema thuis op de berichten die uit alle hoeken van Nederland en uit Groot-Brittannië bij Op den Velde belanden. In januari en februari 1944 gaat vanuit bezet Nederland het recordaantal van 279 telegrammen naar het Bureau Inlichtingen in Londen. Minstens een op de tien is afkomstig van geheim agent Harm Steen, die met Jan Hendrik Jan op den Velde samenwerkt en spionageberichten verzamelt.

De start van de codeerwerkzaamheden is overigens gepaard gegaan met hindernissen. Nadat Steens zender medio januari 1944 op de Westzijde is geïnstalleerd bericht het BI dat de eerste verzonden berichten niet te ontcijferen zijn. “Verzeker uzelf ervan dat uw contact goed getraind is”, klinkt het streng. “Wees voorzichtiger met uw codering.” Onbekend is of Eikema verantwoordelijk is voor de codeerfouten of dat hij juist vanwege deze startproblemen te hulp wordt geroepen. Hoe dan ook, eind januari verloopt de berichtgeving over en weer naar wens. In hoog tempo vertaalt de predikant rapporten. Een deel gaat over de Wehrmacht-activiteiten in Nederland (“Sinds acht dagen worden op vliegveld Eindhoven in kleine huisjes 3-delige bommen van ruim 2 meter gemonteerd, bevattende spring-, brand- en kettinggranaatlading, bestemming Londen.”), een ander deel over de contacten met geheim agenten en met andere verzetsorganisaties. BI-hoofd Jan Somer is een tevreden man: “De berichten waren hoopvol en het radiocontact met BI verliep naar wens.” In zijn laatste bewaard gebleven bericht aan Steen reageert Somer op een dringend verzoek om ‘geld voor daadwerkelijk verzet’. “Minister keurt goed beschikbaarstelling van half miljoen voor daadwerkelijke verzetsacties, onder beding dat geld niet wordt gebruikt voor partijpolitieke doeleinden. Echter niet uitsluitend voor Raad van Verzet, doch ook voor andere verzetsorganisaties”, klinkt het op 23 februari vanuit Engeland.

Het is inmiddels in de middag als de dominee op 2 maart zijn huis verlaat, met nieuwe gecodeerde berichten op zak. Zijn opdrachtgever woont en werkt op de Westzijde 140, slechts drie deuren verder. Voor Eikema -in Engeland bekend onder het codenummer 20- zich daar meldt kijkt hij even naar het raam op de eerste verdieping. De afspraak luidt dat het veilig is wanneer de kamerlinde van het echtpaar Op den Velde in de vensterbank staat. De plant bevindt zich op zijn vaste stek en dus drukt de dominee op de bel. Een hem onbekende man opent de deur en voor hij het beseft wordt Eikema naar binnen gedwongen. Hij blijkt te hebben aangebeld op een moment dat de Sicherheitspolizei nog volop bezig is met haar huiszoeking. De oogst bij Op den Velde stemt hen tevreden. Codespecialist Ernst May verklaart na de oorlog: “In zijn werkplaats werden meerdere zelfgebouwde, goed verborgen radiozenders en -ontvangers gevonden. Ook waren er nogal wat telegram- en codegegevens voorhanden. Aan de hand van het beschikbare materaal lukte het me om in korte tijd zijn beide codes te ontrafelen. (…) We hebben op de buitenlandlijn van Op den Velde een kort, maar niet succesvol zendspel met boodschappen van economische aard gespeeld. De boodschappen waren echter dusdanig dat, zo verklaarde Op den Velde, men kon zien dat ze niet van hem af kwamen.”

De vondst van al die apparatuur en codes geeft de Sipo genoeg redenen om iedereen te ondervragen die zich bij Op den Velde aandient. Ook Eikema moet er aan geloven. Hij trekt zijn onschuldigste gezicht en vertelt op huisbezoek te zijn. Een eenvoudig kaartje, dat hij bij afwezigheid van de bewoners door de bus kan gooien, moet zijn gelijk aantonen: “Tot mijn spijt trof ik u bij mijn huisbezoek niet thuis. Ds. Eikema.” Het echtpaar Op den Velde is hervormd, dus een bezoek van hun geestelijk leidsman komt de Duitsers niet ongeloofwaardig voor. Jan Eikema wordt zelfs niet gefouilleerd. “We hebben een gesprek gehad over die Kirche in Duitsland en na een uur hebben ze mij vrijgelaten”, aldus de dominee. Hij snelt onmiddellijk naar huis. Daar vernietigt hij alle belastende documenten en andere materialen. Een deel verdwijnt in de Zaan achter zijn tuin, de rest is voor de kachel. In de avonduren weet hij op de Westzijde Walraven van Hall te waarschuwen. Van Hall woont een paar honderd meter verderop en is net op weg naar Op den Velde. Daarmee ontsnapt de bankier van de illegaliteit aan arrestatie.

Fine op den Velde slaagt er na het vertrek van Jan Eikema in om met een slimmigheidje haar kamerlinde uit de vensterbank te krijgen. Ze heeft de tegenwoordigheid van geest om een Sipo-medewerker te vragen de plant uit de vensterbank te halen. “Hij kan niet tegen de zon”, zegt ze. Behulpzaam plaatst de man de plant op de grond. Niet iedereen heeft de verandering in de gaten. Een Zaanse gewoonte volgend stapt Cees Beernink in de namiddag via de achterdeur de woning van het echtpaar Op den Velde binnen. ‘Rooie Kees’ is een bekend verzetsstrijder, actief binnen de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO). Zodra hij merkt dat de Sicherheitspolizei Westzijde 140 heeft bezet, gaat hij tekeer tegen Fine. Hij brengt de NSB-groet ‘Houzee’ en eist op hoge toon ‘zijn’ koffergrammofoon op. Die zou volgens hem door Jan Hendrik gerepareerd worden met het oog op een feestje die avond. Overtuigd door Beerninks gespeelde verontwaardiging en de door Fine aangeboden verontschuldigingen geeft de Sipo de heetgebakerde klant toestemming om naar de werkplaats te gaan, daar een willekeurige draaitafel te pakken en het pand weer te verlaten.

Het weghalen van het waarschuwingsteken ten spijt volgen er meer arrestaties. Op 3 maart arriveert Marinus de Rijke ’s morgens bij de werkplaats. Een jaar lang heeft hij in Op den Veldes werkplaats illegale zend- en ontvangapparatuur gebouwd. Hij wordt gearresteerd en overgebracht naar het Huis van Bewaring aan de Amsterdamse Weteringschans. In de daarop volgende maanden volgt de radiomonteur de route die ook Op den Velde aflegt, om te eindigen in Neuengamme. De Rijke overleeft de ontberingen niet. Hij overlijdt op 21 november 1944, volgens het Aussenlager Totenbuch van het concentratiekamp aan ‘enteritis’ (darmontsteking).

Op de Westzijde gaat de arrestatiegolf in de dagen na de Duitse inval door. Het volgende slachtoffer is Wim van Galen, een nietsvermoedende, 17-jarige werknemer van Op den Velde. Hij komt er uiteindelijk vanaf met enkele weken gevangenis in Scheveningen, in het zogenaamde Oranjehotel. De Amsterdamse OD/RVV-medewerkers K. Simons, J. Kohlwey, S. Brons en G. Slokker stappen op 4 maart de Zaandamse radiohandel binnen. De eerste twee belanden na hun aanhouding in Duitse concentratiekampen. Simons zal er sterven. Brons en Slokker komen al snel op vrije voeten. Hetzelfde geldt voor de fabrikant August Sabel, die thuis wordt aangehouden. Hij woont een paar deuren verderop aan de Westzijde en zit diep in de illegaliteit. “Ik wist dat de zender niet gevonden was, dus ik voelde me vrij veilig. Ik heb tenminste zelf opengedaan toen ze kwamen. Het ging eigenlijk om mijn broer”, vertelt Sabel na de oorlog. “Mijn broer verzamelde de berichten en ds. Eikema zorgde voor het coderen ervan.” Het is niet de eerste keer dat August en Cees Sabel met de Duitse ordehandhavers in aanraking komen. Eind 1942 hebben ze zich al eens moeten melden bij het beruchte hoofdbureau van de Sicherheitspolizei aan de Amsterdamse Euterpestraat. Dit keer loopt het echter uit op een arrestatie. August Sabel weet zich in gevangenschap van de domme te houden en verlaat na relatief korte tijd zijn cel. Zijn broer Cees duikt in de tussentijd onder.

De laatste SD-prooi is Philips-medewerker Wim Keeman, die op 6 maart naar Zaandam reist. Hij heeft de leiding over de binnenlandse OD-Radiodienst en opereert beneden de grote rivieren. “De ir. van Philips had de waarschuwing te laat ontvangen en ofschoon ook hij een goede verklaring met Op den Velde gemaakt had, klopte op één punt z’n verklaring niet.” August Sabel en Keeman worden gezamenlijk naar het Oranjehotel vervoerd. Sabel: “Ik kende Keeman niet, maar hij liet mij, toen we naar Scheveningen werden gebracht, horen dat hij een bezwarend boekje bij zich had. Hij deed een raam van de auto open, maar ik snapte het niet, ik vond het koud en deed dat raam weer dicht. Dat was in de Haarlemmermeer. Hij is onderweg toch nog dat boekje kwijtgeraakt.” Wim Keeman belandt uiteindelijk via Haaren, Vught en diverse Duitse kampen in Sachsenhausen. Daar wordt hij in april 1945 door het Rode Leger bevrijd.

De aanhoudende reeks arrestaties is voor Jan Eikema reden om op de vlucht te slaan. Hij weet niet of Op den Velde zal zwijgen over de werkzaamheden van zijn mede-illegalen. Dat gebeurt echter wel. SD-ondervrager Ernst May: “Op den Velde heeft bij zijn verhoor door mij, hoewel hij wat aangeslagen was, niets anders verklaard dan wat rechtstreeks naar hemzelf verwees. Ik wil beklemtonen dat zijn medewerkers niet door hem verraden zijn.” Volgens een onbekend gebleven Zaanse verzetsman wordt in Brabant nog iemand gearresteerd die betrokken is bij de zendactiviteiten van Op den Velde. Zijn naam blijft overigens achterwege. Hij wordt ‘in het bijzijn van Op den Velde doodgeschoten’ omdat hij ‘de zaak tot in de finesses verried’, aldus deze anonieme, maar gezien zijn verdere verhaal goed ingevoerde illegaal. “De stukken van dit verraad werden nog juist voor Dolle Dinsdag doorgestuurd naar de Sicherheitsdienst, Euterpestraat te Amsterdam, maar werden merkwaardigerwijze door het bekende bombardement van de RAF vernietigd, waardoor de vrij lopende leden van het complot allemaal op miraculeuze wijze de dans ontsprongen.”

Op zondag 5 maart leidt Eikema nog een paar diensten, waarvan eentje met de saillante titel ‘Tot het offer bereid’. Twee dagen later pakt hij zijn rijwiel en verlaat Zaandam. “Toen werd mij de grond te heet onder mijn voeten en heb ik een maand lang gefietst van zuid naar noord en van oost naar west. Van Zaandam naar Dordrecht en van Dordrecht naar Deventer, vandaar naar Groningen en zo terug.” In Utrecht verschaft een jeugdvriend hem enige tijd onderdak, in Ruinerwold logeert hij bij zijn zwager. Op 4 april acht hij de situatie veilig genoeg om terug te fietsen naar zijn woonplaats. Enkele dagen later klinkt zijn bariton weer in de Westzijderkerk. Het is Pasen, het feest van de opstanding.

2.

De weerzin tegen het nationaal-socialisme zit er bij de vrijzinnig-liberale familie Eikema diep in. “Hier en daar roert een nieuwe partij zich erg, wat al te erg met een Mussert als kringleider”, schrijft Eikema sr. begin 1934 aan zijn zoon. “Waar moet dat heen? Een zware concurr. wordt de predikanten aangedaan!!” Vader en moeder Eikema zullen het hoogtepunt van Musserts carrière niet hoeven beleven. Ze overlijden in 1936. Jan, sinds begin jaren dertig als dominee werkzaam in Schagen, is dan al actief in zowel de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB) als in de Nederlandsche Beweging voor Eenheid door Democratie (EdD). Het zijn organisaties die zich keren tegen het opkomende nazisme en dan ook nauwe banden met elkaar hebben.

De in 1901 opgerichte VDB verenigt liberale en radicaal-progressieve elementen in zich. De bond streeft naar vrijheid voor alle godsdienstige en politieke groeperingen en maakt zich als eerste grotere partij sterk voor het vrouwenkiesrecht. Dat laatste is voor de prominente feministe Aletta Jacobs een belangrijke reden om zich bij de VDB te voegen. De partijtop is fervent aanhanger van de Volkenbond en voorstander van democratie binnen de koloniën. In de jaren twintig en begin jaren dertig sluit de VDB zich aan bij nationale en internationale ontwapeningsinitiatieven, een houding die ze gemeen heeft met onder meer de SDAP. Maar in tegenstelling tot de sociaal-democraten heeft de VDB geen bezwaar tegen het persoonlijke eigendomsrecht. Met de 5-7% van de stemmen die de VDB tijdens het interbellum gemiddeld haalt is ze een aantrekkelijke partner voor links en voor rechts. Partijprominenten als Henri Marchant en Pieter Oud -met wie Jan Eikema regelmatig contact heeft- treden toe tot het kabinet-Colijn.

Eenheid door Democratie heeft met de VDB gemeen dat zowel het communisme als het fascisme wordt afgewezen. De oprichting van EdD vindt plaats op 29 juni 1935. Tijdens een drukbezochte bijeenkomst in het Amsterdamse Bellevue worden de beginselen vastgesteld: het verdedigen van de democratie, onafhankelijk van religies en politieke stromingen. Twee maanden eerder heeft de Nationaal Socialistische Beweging bij de Statenverkiezingen 300.000 stemmen behaald, 8% van het totaal. ‘Nóch Mussert, nóch Moskou’ wordt de EdD-slogan, die daarmee als eerste buiten het verzuilde bestel om grote aantallen Nederlanders weet te binden in een verband dat de democratische waarden verdedigt. Eind 1937 heeft EdD bijna 30.000 leden, het hoogtepunt in de korte geschiedenis van deze organisatie.

Een van die leden is dus Jan Eikema. Hij behoort in zijn woonplaats tot de EdD-oprichters en wordt er in mei 1937 zelfs afdelingsvoorzitter. Voor Eikema staat vast dat, zoals de invloedrijke theoloog Karl Barth al in 1935 beklemtoont, de kerk onmogelijk tegelijkertijd de leer van Jezus Christus en Adolf Hitler kan belijden. Onvermoeibaar propageert hij de beginselen van zowel de VDB als EdD, lezingen gevend en inleidingen houdend daar waar hij welkom is. De Schager Courant memoreert dan ook bij Eikema’s vertrek naar Zaandam diens ‘bemoeienis met de brandende strijd, welke in deze dagen de democratie om haar bestaansrecht te voeren heeft’. “Rustig, devoot, suggestief als kanselredenaar, kan ds. Eikema fanatiek zijn waar ’t er om gaat de grote massa bij te brengen, wat mr. Oud onlangs hier nog zo treffend noemde de ‘eeuwige gedachte van de democratie’.” Het is dan ook pikant dat eind 1938 predikant H. Baudet aan Jan Eikema vraagt, in diens hoedanigheid van redacteur bij het hervormde blad Het Klokketouw, om te overwegen een dominee uit Oostwoud te contracteren. Over de man gaat namelijk het verhaal dat hij NSB’er is. Baudet aarzelt: “Is ’t nu zaak collega Diephuis op te wekken medewerker van en propagandist voor Het Klokketouw te worden? Of…? Zeggen wij, met een variant op Hitlers woord ‘Wir brauchen keine Tzechen’, ‘Wir brauchen keine NSB’ers’.” Eikema’s reactie is zoekgeraakt, maar Diephuis, inderdaad een NSB-aanhanger, wordt niet in dienst genomen.

De Nationaal Socialistische Beweging reageert geprikkeld op predikanten als Baudet, de ‘rode’ Johan van Mullem en Eikema. De partij verslikt zich wanneer dominee Harm van Lunzen, een jeugdvriend van Eikema, opstapt als redactielid van het door Van Mullem geleide kerkperiodiek Ons Godsdienstig Leven. Van Lunzen wil zijn naam niet ‘meer verbonden zien aan een blad dat voortdurend artikelen bevat die mijns inziens in bolsjewiserende richting gaan’, citeert het NSB-tijdschrift De Strijd hem enthousiast, in een poging de twee tegen elkaar uit te spelen. Het gejuich over deze onverwachte medestander klinkt te vroeg. Van Lunzen zal zich, mét Van Mullem, ontpoppen tot een fervent nazi-bestrijder, een houding die hem overigens tijdens de oorlog wel vier maanden gevangenschap oplevert.

Ook Eikema krijgt redactionele aandacht van De Strijd. “Van een fanatiek iemand uit ons kiescollege die weet dat ik u hoog acht, vond ik in mijn brievenbus De Strijd van 22-5-1937, waarin een ‘waarderend’ artikel over u stond”, schrijft een collega hem. “U zou n.l. gesproken hebben voor de vereniging ‘Eenheid door Doodsangst’. Wat een spul, hè?” De bewuste tekst is verloren gegaan, maar heeft ongetwijfeld weinig positiefs bevat over de EdD-vertegenwoordiger. Over de genoemde toespraak is wel een artikel bewaard gebleven uit de Schager Courant. De schrijver ervan refereert aan een EdD-bijeenkomst op 11 mei 1937, waar zo’n 380 bezoekers afkomen op een lezing van burgemeester Joris in ’t Veld. Voorzitter Eikema leidt hem in. Die weet dan overigens nog niet dat hij In ’t Veld nadien vaker zal tegenkomen, in zijn nieuwe standplaats Zaandam. “Er zijn heel wat in ons land die besmet geworden zijn door de ziektekiemen die met de oostenwind hierheen zijn gewaaid, die van ’t communisme en het nationaal-socialisme”, haalt de Schager Courant Eikema aan. “In verband met de mening die men meerdere malen hoort: ‘Geef Mussert ’n kans’, herinnert spreker aan het bijbelwoord: ‘Geef de duivel geen kans’. Niet dat spreker de heer Mussert een duivel noemt, maar het nationaal-socialisme brengt de gevaren van de duivel met zich mee.” In ’t Veld daarentegen straalt optimisme uit: “Men zegt dat de dictatuur de vrucht is van overrijpe democratie. Maar als dit juist was, dan zou de dictatuur kans hebben gekregen daar waar de oudste democratieën heersten. Het tegendeel is waar, de dictatuur heeft vaste voet gekregen in de landen waar de democratie in haar kinderschoenen stond, in Rusland, Italië, Duitsland, in de Donaulanden, maar niet in de landen met gevestigde democratie, zoals in Engeland, de Scandinavische landen, Amerika, Frankrijk, België en Nederland. In die landen maakt de dictatuur geen kans.”

Eikema verschilt met de Zaandamse burgemeester van mening. Al eerder heeft hij publiekelijk zijn angst voor een nieuwe wereldoorlog uitgesproken. “De geestelijke verwarring is nu groter dan ooit en er is maar heel weinig voor nodig of het drama van 1914 herhaalt zich. Het zegt toch wel heel veel dat men zich op een internationaal congres, dezer dagen in Zuid-Amerika gehouden, in alle ernst heeft afgevraagd: ‘Zal Europa een nieuwe oorlog kunnen dragen, of zal het daaraan bezwijken? En als Europa bezwijkt, zal dan de nieuwe wereld (dat is Amerika) bereid staan de erfenis te aanvaarden en de leiding der beschaving over te nemen?’.” Het zijn profetische woorden.

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog reist Eikema in z’n eentje door België en Noord-Frankrijk. Sportief als de dominee is verkent hij deze landen per fiets. Het is augustus 1939 en meer dan onrustig in Europa. De Anschluss van Oostenrijk met Duitsland heeft ruim een jaar eerder plaatsgevonden, de nazi-overrompeling van Tsjechië een half jaar. Op 25 augustus stuurt Eikema zijn gezin een ansichtkaart vanuit hotel l‘Univers in het plaatsje Arras. “Onderweg zaten de mensen overal te luisteren naar de Franse radio”, schrijft hij. “Er waren ook oproepen voor de reservisten aangeplakt.” De inwoners van het zuidelijker gelegen Amiens bereiden zich eveneens voor op de komende ontwikkelingen. “Overal zie je reservisten en mensen die de toestand bespreken”, signaleert hij een dag later. Nog geen week na deze tweede ansichtkaart valt Duitsland Polen binnen. Vrijwel onmiddellijk verklaren Groot-Brittannië en Frankrijk Hitler de oorlog. Het begin van de Tweede Wereldoorlog is een feit. In allerijl fietst Eikema terug naar Zaandam, bang dat de grenzen worden gesloten voordat hij zijn thuisbasis heeft bereikt. “Ontwapening…wanneer?”, luidt de titel van zijn eerstvolgende preek.

De NSB voelt zich gesterkt door de fascistische expansiedrift. Keer op keer probeert de beweging de boodschap van Eenheid door Democratie teniet te doen. Enkele leden bekladden het EdD-hoofdkantoor in Utrecht met leuzen en runetekens. EdD-sympathisanten op hun beurt passen de affiches met daarop het hoofd van Anton Mussert en de slogan ‘Zonder deze man heeft Nederland geen toekomst’ aan door de ‘Z’ of de ‘g’ onzichtbaar te maken. De koude oorlog tussen ‘Eenheid door Dimitroff’ (zoals de NSB haar tegenstander betitelt) en ‘Mussert? Wind!’ (de EdD-woordspeling op de NSB-kreet ‘Mussert wint!’) duurt tot aan het moment dat Duitsland de aanval inzet op Nederland.

De familie Eikema wordt wakker van het geluid van overkomende vliegtuigen. Ze haasten zich naar beneden en zien, staande in hun voortuin, de militaire formaties passeren. De eerste uren zijn ze aan de radio gekluisterd, pogend de ontwikkelingen te volgen. Oudste dochter Lied wordt naar de winkel gestuurd om tape te halen. Het gezin plakt de ramen af, in een poging om ingeval van een bominslag het aantal rondvliegende glasscherven te beperken. “Toen de avond viel verzamelden de mensen zich op de straten om met elkaar te praten en nieuws uit te wisselen”, beschrijft Hanneke Eikema de opgewonden sfeer. “Ik rende van de ene groep buren naar de andere om te luisteren naar wat zij hadden gehoord en gaf dat door aan mijn ouders. Mijn vader probeerde om enkele huilende mensen te kalmeren.”

Als lid van de Luchtbeschermingsdienst maakt vader Eikema na het invallen van de duisternis rondjes door de wijk. In de nacht van 13 op 14 mei loopt hij met zijn jonge buurtgenoot Gerrit de Bruijn over de Herengracht. Bij diens kerkelijk huwelijk, twee jaar later, zal de predikant er herinneringen aan ophalen. “Wij moesten tal van posten passeren om de school op de Stationsstraat te bereiken, vanwaar licht uitstraalde. In die nacht hoorden wij onstellende berichten. Wij hoopten dat ons leger de strijd nog een lange tijd zou kunnen volhouden, maar wij vreesden het ergste. De volgende dag kwam de capitulatie. Het was een harde slag en wij konden nauwelijks vermoeden dat de ellende die op de capitulatie zou volgen zó groot zou zijn.” Hij uit zijn onmacht tijdens de eerstvolgende kerkdienst, zich daarbij vooral afzettend tegen de collaborateurs. “Het meest bedroeft ons het verraad, dat als een kanker in verschillende kringen van ons volk is ingevreten! Onze soldaten hebben hun plicht gedaan en meer dan hun plicht. Zij hebben gestreden met weergaloze moed en met zoveel kundigheid en hardnekkigheid dat zij het respect van de tegenstander hebben afgedwongen, en wij zullen hen daar altijd dankbaar voor blijven. Maar tegen sabotage en verraad is niet te vechten!”

Identiteitsbewijs tijdens oorlog (Jan Eikema) Collectie Heddy Eikema

De Duitse overrompeling van Nederland betekent ook de voorlopige overwinning van de NSB op haar opponenten. Eenheid door Democratie heeft zich overigens voorbereid op een nationaal-socialistische bezettingsmacht. De uit metalen plaatjes bestaande ledenadministratie verdwijnt in allerijl in de oven. Ook de rest van het archief wordt verbrand. De tegenpartij blijft met lege handen achter.

“Spreker stond voornamelijk stil bij de oorlog en zei dat de mensheid zich deerlijk vergist heeft wanneer ze meende het hoogtepunt van cultuur bereikt te hebben. Gebleken is dat ze nog maar aan het begin staat. (…) De leuze van vroeger ‘Als gij de vrede wilt, bereid u ten oorlog’ moet vervangen worden door ‘Als gij vrede wilt bereid u voor op den vrede’.” Het citaat is opgetekend uit de mond van Eikema. Maar waar deze woorden wellicht nog opgeld deden in mei 1918, toen hij ze uitsprak als hoofdbestuurslid van de Bond van Jonge Democraten, verliezen ze 22 jaar later hun geldigheid, in ieder geval tijdelijk. Met de opkomst van het nationaal-socialisme hebben de VDB en haar jongerenorganisatie BJD in de loop van de jaren dertig hun verzet tegen nationale bewapening opgegeven. Eikema is meegegaan met de partijlijn, zij het met pijn in het hart. Decennia lang preekte hij het pacifisme. Maar nu de Wehrmacht ook Nederland heeft veroverd bereidt hij zich voor op de oorlog. Niet met wapens overigens, maar via het woord.

Met het erkennen van de nederlaag is de Nederlandse onzekerheid nog niet voorbij. Vele tienduizenden mannen hebben aan het front gevochten. De achterblijvers vragen zich af of hun strijdende vrienden en familieleden de gevechten hebben overleefd. Na een periode met meer vragen dan antwoorden blijken er 2200 militairen te zijn gesneuveld als gevolg van oorlogshandelingen, onder wie veertien Zaankanters. Hoewel Zaandam, waar Jan en Sien Eikema sinds de zomer van 1938 met hun twee tienerdochters de pastorie aan de Herengracht bewonen, gespaard blijft van bombardementen en gevechten, heerst ook hier verwarring. “Het enige dat ons is overgebleven is de saamhorigheid”, houdt burgemeester Joris in ’t Veld zijn gehoor voor tijdens de begrafenis van Sipke Lootsma. De geschiedenisleraar heeft zichzelf na de capitulatie het leven benomen. Op de Burcht geven de in Zaandam gelegerde manschappen hun -vaak onklaar gemaakte- wapens af en Duitse soldaten nemen strategische posities in. Evenals duizenden streekgenoten haalt het echtpaar Eikema de bankrekening leeg. De vooroorlogse verduisteringsopdracht blijft gehandhaafd, maar leerplichtige kinderen moeten na een paar dagen vrijaf te zijn geweest weer gewoon naar school. Jongste dochter Hanneke bezoekt als vanouds het vlakbij gelegen Gemeentelijk Lyceum. Buiten schooltijd gaat ze op verzoek van het Rode Kruis met haar padvindersclub langs de deuren om mensen te vragen bloed te doneren voor de gewonde soldaten.

De bezetting is nog geen maand oud als Jan Eikema een kaartje ontvangt van een collega uit Groningen: “Ten mijnenst vervoegde zich een jongeman: Van Dijk”, schrijft deze predikant. “Hij vertelde mij dat hij in de verwarring van de eerste oorlogsdag zich door u had laten dopen en bevestigen als lid van de N.H. kerk. Nu achteraf wist hij eigenlijk niet goed wat er met hem gebeurd was en hij vroeg mij om opheldering.” Onbekend is welk advies Eikema heeft verstrekt, maar het voorval tekent de heersende twijfel gedurende die beginfase.

Jan Eikema is wachtcommandant van de Luchtbeschermingsdienst in wijk E, zijn eigen woonomgeving. Hij dient te controleren of de gebouwen voldoen aan de verduisteringsvoorschriften en in geval van bombardementen moet hij eerste hulp verlenen aan de slachtoffers. Maar wijk E blijft gespaard van bommen en raketten. De inzet als LBD-vrijwilliger beperkt zich tot nachtelijke controleronden en oefeningen. Het parochiewerk gaat uiteraard ook gewoon door. Met drie collega-predikanten verzorgt Eikema de zondagse diensten in de Oost- en Westzijderkerk (in de volksmond Bullekerk genoemd). Dagelijks gaat hij op huis- en ziekenbezoek, soms moet er een begrafenisdienst worden geleid. Verder continueert hij zijn redactiewerkzaamheden voor de vrijzinnig hervormde bladen Het Klokketouw en Gemeenteleven en is hij sinds april 1940 landelijk bestuurslid van de Evangelische Maatschappij.

De nieuwe machthebbers bezweren dat ze hun overtuiging niet zullen opdringen aan het verwante Nederland, een ‘land van volbloed Germanen’. Het is schone schijn. De Eerste en Tweede Kamer worden vrijwel onmiddellijk buiten werking gesteld, de communistische partijen CPN en de RSAP krijgen een verbod opgelegd. Eind juni 1940 vernemen de gemeentebesturen dat werklozen die arbeid in Duitsland weigeren geen uitkering meer mogen ontvangen. De hervormde kerk worstelt met dit gebod. In een vertrouwelijke brief aan haar plaatselijke medewerkers oppert de Federatie van diaconieën de mogelijkheid om werkweigeraars van advies te voorzien en, waar nodig, ‘teneinde een gezin voor broodsgebrek te bewaren, enige ondersteuning in natura’ te verlenen. De basishouding van de federatie is echter nog ‘dat onze diaconiën in het algemeen zich bereid moeten tonen de beslissing der overheid als juist te aanvaarden’.

Ook op andere gebieden halen de nationaal-socialisten de teugels aan. Waar de hervormde kerk nog altijd haar steun betuigt aan de monarchie en zelfs zo nu en dan het Wilhelmus inzet, moet dat voortaan afgelopen zijn. Op 13 augustus 1940 stuurt burgemeester In ’t Veld een briefje naar de kerkenraad. De Provinciecommissaris heeft hem laten weten ‘dat ook speciale godsdienstoefeningen en kerkdiensten op verjaardagen of andere gedenkdagen van leden van het Huis van Oranje moeten worden beschouwd als door de Duitse autoriteiten verboden handelingen’. Eikema en zijn collega’s trekken zich er weinig van aan. De risco’s voor lief nemend blijven ze Gods zegen vragen voor het gevluchte koningshuis.

Wilhelmina Eikema maakt zich zorgen over haar broer Jan. Vanuit haar woonplaats Nieuwe Pekela schrijft ze op 24 september 1940: “En als ik zo de vliegmachines hoor snorren, dan denk ik steeds aan jullie te Zaandam, zo dicht bij Amsterdam, want daarvan horen we wel eens dit en dat. Dat komt, Vegter (onze buurman z’n zoon) is er op het Internaat Stoomv. Mij. ‘Nederland’, Javakade Amsterdam. Hij heeft Jan zaterdag nog geschreven, over de granaatscherven die daar soms door de lucht zweefden. Enfin, wanneer ’t je te benauwd wordt, dan bieden wij je wel logies hoor!” Daar zal het niet van komen, want nog geen jaar later overlijdt Eikema’s enige zuster na een galblaasoperatie.

In Wilhelmina’s brief komt ook de gezondheid van Sien Eikema ter sprake. De 45-jarige echtgenote van de predikant kampt al een tijdje met uitvalverschijnselen. Haar klachten worden langzaam maar zeker erger. Het duurt even, maar dan wordt de diagnose gesteld: ze heeft multiple sclerose. De voordien zo vitale vrouw zoekt steeds vaker haar bed op, lusteloos en hulpbehoevend. De slopende ziekte vraagt ook veel van haar man. Die moet toezien hoe, zoals hij zelf zegt, de aandoening ‘haar lichaam en haar geest en zelfs haar karakter heeft aangetast en verwrongen’. Hij heeft zijn handen al vol aan zijn werk en het reguliere gezinsleven en daar komt in toenemende mate de zorg voor Sien bij. En alsof dat nog niet genoeg is doet de algemene synode van zijn kerk steeds vaker een beroep op hem en zijn collega’s om de voortschrijdende nazi-onderdrukking niet lijdzaam te accepteren.

De hervormde kerk laat haar afwachtende houding uit de begindagen varen onder leiding van de moedig opererende synodesecretaris Koeno Gravemeyer. Hoewel nog maar net aangetreden in die functie neemt Gravemeyer al in mei 1940 het voortouw bij het kweken van een verzetsmentaliteit. Hij waagt het om in het eerste nummer na de capitulatie van het Weekblad der Nederlandsche Hervormde Kerk ‘de aankweking van liefde voor Koning(in) en Vaderland’ te promoten. Het is een standpunt waaraan hij vijf jaar lang consequent zal vasthouden. Als vertegenwoordiger van het grootste protestante kerkgenootschap (volgens de volkstelling van 1930 telde Nederland toen 2,7 miljoen hervormden) heeft hij veel invloed, maar loopt hij ook veel risico’s. Het belet hem niet om zich in te zetten voor een kerkelijk protest tegen de antisemitische maatregelen die de bezetter stapsgewijs invoert. Begin oktober worden op grote schaal Ariërverklaringen geëist. Bovendien mogen joden niet meer aan de slag in overheidsfuncties. Voor zes kerkgenootschappen is het de druppel die de emmer doet overlopen. In een gezamenlijke brief aan Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart noemen ze het gedeeltelijke beroepsverbod ‘in strijd met de Christelijke barmhartigheid’ en doen ze een -overigens vergeefs- beroep op hem om de voorschriften in te trekken. Een dag later ontvangen alle hervormde predikanten het synodeverzoek om in de dienst van zondag 27 oktober een kanselboodschap voor te lezen waarin wordt herinnerd ‘aan het hoge goed van de geestelijke vrijheid’. Verder wordt hen de mogelijkheid geboden om hun toehoorders deelgenoot te maken van het adres aan Seyss-Inquart met de bedenkingen ‘tegen de onlangs uitgevaardigde voorschriften waarbij de benoeming en bevordering van ambtenaren en andere personen van joodse bloede in Nederland wordt verboden’.

Het is een oproep naar Eikema’s hart. Drie weken eerder al heeft hij zich tegenover de 195 toehoorders in de Bullekerk kritisch uitgelaten jegens hen die doorleven alsof er niets aan de hand is. “Deze tijd is een ellendige tijd, een misdadige tijd, een tijd waarin de slechtste elementen naar boven komen, waarin de slechtste eigenschappen van de mens zich kunnen ontwikkelen en ontplooien”, geselt hij de meelopers en halfslachtigen. “Oude zekerheden storten ineen, beproefde theorieën worden weggevaagd. Vertrouwen en liefde moeten wijken voor wantrouwen en haat.” Deze tegendraadse toon zal Eikema in veel diensten handhaven; meestal vurig in klein gezelschap en voorzichtiger bij een groot en daarmee moeilijker te controleren publiek, maar immer consequent en kritisch van toon.

Hij maakt van zijn hart geen moordkuil. Niet in zijn gebedshuis en niet in zijn eigen huis. Wanneer de feestdagen aanbreken vindt hij een door ‘de Sint’ ondertekend gedicht tussen zijn kado’s. Een fragment:

“Nederland, wat is uw land veranderd, dominee?
Ik mis dat echte Hollandse idee!
De spontaniteit, de vrijheid van weleer.
Die vind en zie ik nergens meer.
Ik zie je land, bezaaid met groene en bruine heren.
Zij kijken de mensen aan, ik dacht: ‘Krijg de klere’.”

De maakster, Eikema’s vrouw of -gezien de stijl waarschijnlijker- een van zijn dochters, constateert dat de dominee ‘niets onder stoelen of banken’ steekt en ‘het vrijheidswoord voor ieder’ laat weerklinken. Dat hij daartoe de mogelijkheid krijgt is mede te danken aan de steun uit zijn werkomgeving. Weliswaar stelt zijn collega-predikant J. Fritzsche zich aanvankelijk pro-Duits op, de twee andere collega’s (A. van Wijk en C. Met) hebben weinig op met het nationaal-socialisme. En binnen de Zaandamse kerkenraad verzet vooral secretaris August Sabel zich tegen de extreem-rechtse tijdgeest.

Uit de maand december dateert ook een tegen de NSB gericht vlugschrift. ‘Opgesteld met ds. Eikema te Zaandam op de Herengracht’ is er na de bevrijding onder gezet. “Landgenoten. Laat ons elkander bemoedigen in deze ernstige tijd. Het leed, dat over ons gekomen is, zullen wij met Gods hulp manmoedig en gelaten dragen”, begint de boodschap. Na de hoop te hebben uitgesproken op de terugkeer van ‘een vrij en onafhankelijk Nederland’ haalt de schrijver hard uit over ‘het aantal onwaardigen’ dat ‘aan de vijand handlangersdiensten heeft bewezen’. “Onthoudt, landgenoten, de namen van de verachtelijke lafaards, die onze jongens hebben aangevallen in de rug, hen vanuit de huizen hebben beschoten en hen door verraad aan vijandelijk vuur hebben blootgesteld. Noteert de namen van de vrouw en het meisje die zich onwaardig gedragen. De letters NSB dragen een vloek van geheel nationaal voelend Nederland.” Het pamflet sluit af met de oproep om de tekst over te nemen en door te geven en de kreet: “Leve het vaderland. Moed en vertrouwen.”

Jan Eikema is er de man niet naar om zich te laten censureren. Hij bedankt dan ook als redacteur van het provinciale kerkblad (waarbij overigens de vraag is of hij vindt dat uitgeverij Van Gorcum te veel aan de leiband van de Duitsers loopt of dat hij het preventieve toezicht op de pers zat is). “De tijd is gekomen om mijn werk aan een ander over te dragen”, laat hij de directeur weten. Niet lang daarna eindigt ook zijn medewerking aan de Vrijzinnig Protestantse Radio Omroep, die zo nu en dan zijn diensten uitzendt. Dit keer heeft hij geen keuze. De inhoud van de programma’s, zo verneemt hij, is ‘in strijd met de eisen welke de Nederlandse omroep als rijksinstantie aan zijn uitzendingen dient te stellen’.

De dominee is somber. De tweede kerstdag van 1940, normaliter de afsluiting van een vreugdevolle maand, opent hij de viering in zijn gemeente met de vraag of het eigenlijk wel een tijd is voor feest. “Eigenlijk niet”, antwoordt hij zelf. “Nog altijd is ons land in rouw om wat in mei van dit jaar gebeurd is. Er is zoveel leed in de wereld, er is zoveel leed in ons eigen land. Wij hebben zoveel moeten afstaan, wij zijn van zoveel mooie dingen beroofd dat wij eigenlijk niet in de stemming zijn om feest te vieren.”

3.

De neerslachtigheid die zich gaandeweg 1940 van Jan Eikema meester maakt zet zich het jaar daarop voort. In tegenstelling tot sommige andere politieke partijen is de Vrijzinnig Democratische Bond nog niet verboden. Het biedt Eikema de kans om begin 1941 de Zaanse jongerenafdeling van deze partij toe te spreken. Het is een klein clubje dat hem aanhoort, geestverwanten bovendien. Hij voelt zich dan ook vrij om zijn hart te luchten. Opnieuw benadrukt hij de ‘ontzaglijk moeilijke tijd’ die Europa doormaakt. “Hoeveel jonge mensen zijn er niet die door de wereldgebeurtenissen totaal uit het lood geslagen zijn, die al hun idealen verloren hebben. Zij begrijpen niets meer van de wereld, niets meer van het leven. Met politiek willen zij niets meer te maken hebben. Het is toch alles één vuile bende!” Hij haalt de humanist Erasmus aan, een van zijn favoriete auteurs. “Erasmus heeft maar weinig van zijn idealen verwezenlijkt gezien, en hij was diep teleurgesteld. Hij noemde zijn tijd -en dit moge een troost zijn voor hen die menen dat wij nú wel de aller-ellendigste tijd beleven die er ooit geweest is, dat wij nú wel het dieptepunt bereikt hebben- (…) een aller-misdadigste, de ongelukkigste en bedorvenste die men denken kan.” Enkele regels gaan over het geïnstitutionaliseerde antisemitisme, iets waarover Eikema vanaf die dag met grote regelmaat zal spreken. “Hoeveel moois is er al niet kapotgemaakt, hoeveel leed is er al niet uitgestort over arme medeburgers die niet minder zijn dan wij, maar die nu eenmaal joods bloed in hun aderen hebben.” De dominee doet een nauwelijks verhulde oproep tot verzet. “Sluit u aan en tracht u met ons te ontwikkelen, opdat gij eenmaal niet slechts u democraat voelt, doch ook in staat zult zijn de democratie met hand en tand te verdedigen tegen de aanvallen van hen die haar niet gunstig gezind zijn”, haalt hij instemmend een eerdere toespraak van zijn vriend en VDB-prominent Pieter Oud aan. “De ware democraat (…) weet wel dat de reactie en de tirannie zich sterk kunnen maken, hij weet wel dat de ellendigste middelen worden gebruikt om een mens te breken, maar hij buigt zijn knieën niet, hij zet zijn tanden op elkaar, hij volhardt.” Het zijn zinnen die stuk voor stuk kunnen leiden tot een gang naar het concentratiekamp. Eikema kent de risico’s, maar beseft ook dat hij zich tussen gelijkgezinden bevindt.

Vijf maanden na dit betoog tegen de nationaal-socialistische ‘modebeweging’ en ‘de misstanden in de huidige samenleving’ maakt het Rijkscommissariaat overigens bekend dat alle vooroorlogse, niet-nazistische partijen worden ontbonden. Ook de VDB krijgt een verbod opgelegd. Het laatste restje van de door Eikema zo hartstochtelijk beleden democratie gaat ten onder.

Op 5 februari 1941 stuurt de Algemene synodale commissie van de Nederlandse hervormde kerk een vertrouwelijk schrijven naar de kerkenraden en diaconieën. Daarin wordt verzocht om op geen enkele manier mee te werken aan de charitatieve, maar nationaal-socialistische Winterhulpacties. In Zaandam gaat men onmiddellijk akkoord. Ouderling Sabel doet zelfs nog een stap extra. De Zaanse bedrijven die voor de bezetter werken kunnen zich moeilijk aan de Winterhulp onttrekken. Zij storten dan ook vaak gul. Gemeente-ontvanger Tjeerd Kingma is aangewezen als plaatselijk penningmeester van Winterhulp, maar speelt de gegevens over grote giften door naar Sabel. Het verzet heeft daardoor al snel zicht op de economische collaborateurs.

Burgemeester In ’t Veld krijgt op 4 maart 1941 ontslag aangezegd. Hij wordt even later gevolgd door de politiecommissaris C. Rosscher en enkele van zijn collega’s. Ze hebben zich te weinig deutschfreundlich opgesteld voor en tijdens de Februaristaking, een week eerder. Het is de Duitsers gelukt om die arbeidsonderbreking de kop in te drukken, ondanks de aanvankelijk weinig coöperatieve houding van In ’t Veld en Rosscher. De eerste dagen blijven er wel eenheden van de Duitse politie in Zaandam gelegerd. Ze staan paraat om in te grijpen bij een volgende opstand. Maar er gebeurt verder niets in de stad en op 8 maart wordt de uitzonderingstoestand opgeheven. Wel waarschuwt de nieuwe burgemeester, Cornelis van Ravenswaay, dat hij streng zal straffen als er nieuwe rellen ontstaan. “Elementen die zich aan deze waarschuwing niet houden, stellen zich niet alleen bloot aan strafvervolging door de Nederlandse Justitie, doch ook aan preventieve en repressieve maatregelen welke, zo nodig, zeer ingrijpend zullen zijn”, laat hij in de kranten afdrukken.

Tijdens deze rumoerige periode zendt Koeno Gravemeyer namens het Convent der Kerken (de eerder genoemde zes kerkgenootschappen plus, na aandringen door de achterban, de evangelisch-lutherse kerk) een volgend bezwaarschrift naar de machthebbers in Den Haag: “Zo zijn in het beeld dat de openbare straat meer en meer gaat vertonen -in de behandeling welke in steeds toenemende mate aan het joodse deel van de Nederlandse bevolking ten deel valt, in de groeiende rechtsonzekerheid, in de voortgaande aantasting van vrijheden welke de noodwendige voorwaarden zijn voor vervulling van Christenplichten- evenzovele duidelijke symptomen te zien van een toestand die niet alleen een klem legt op het geweten van onze landgenoten, maar ook naar de diepste overtuiging der kerken indruist tegen de eis van Gods woord.” Betrouwbare koeriers bezorgen de hervormde predikanten in Nederland op 6 maart een afschrift van de brief.

De geleverde tekst betekent voor Eikema een stimulans. De dag na het opheffen van de uitzonderingstoestand is hij voorganger tijdens een gewijde bijeenkomst in de Westzijderkerk. Met zo’n 330 overwegend jonge toehoorders is het gebedshuis aardig gevuld. Eikema gebruikt een boodschap die hij al in 1924 schreef, maar actualiseert de inhoud. Alleen al de titel kan worden beschouwd als een provocatie: “In dit teken zult gij overwinnen!” Een verslaggever van het plaatselijk dagblad noteert dat de leidsman het opneemt voor ‘het oude volk, waaruit zoveel goeds en heiligs is voortgekomen’. De joodse gemeenschap, want over hen gaat het, wordt ‘thans opgejaagd en is zelfs niet meer veilig in Nederland, dat altijd een bolwerk was van vrijheid en verdraagzaamheid’. Het aparte is dat deze woorden wel de maandagkrant halen en daarmee tienduizenden lezers bereiken, maar niet voorkomen in de bewaard gebleven preek. Wellicht heeft de verslaggever er zijn eigen interpretatie op losgelaten, misschien ook is Eikema overgegaan op improvisatie.

De rest van het gepassioneerde betoog liegt er overigens ook niet om. De voorganger verhaalt van Jezus’ kruisweg en trekt parallellen met de bezettingstijd. Met luide stem beschrijft hij de executie van een ‘heldhaftige’ krijgsgevangene door buitenlandse troepen en het effect daarvan op een toekijkende boer: “Als de morgen aanbreekt, wordt er op de deur gebonkt. Er klinken luide stemmen in een vreemde taal. Kalm en onversaagd doet hij de vijandelijke soldaten open. Vrees of vijandschap kent hij niet. Zijn leven is op een hoger plan gekomen.” En opnieuw betoont hij zich weerspannig: “Wij moeten strijden tegen de zonde, die ons van alle kanten belaagt. Tegen het kwaad in en om ons. Tegen schijnheiligheid en huichelarij. Tegen haat en wrok. Wij moeten strijden voor waarheid, gerechtigheid en liefde, voor vrijheid en verdraagzaamheid.”

De preek krijgt ruimschoots aandacht in de krant en heeft daarmee ook de belangstelling van het nationale SD-hoofdkwartier. In zijn wekelijks bericht aan het Reichssicherheitshauptamt in Berlijn, getiteld Meldungen aus den Niederlanden, schrijft de Befehlshaber op 24 maart: “Het provinciale blad De Zaanlander loofde de voortreffelijke eigenschappen van de ontslagen politiecommissaris van Zaandam en publiceerde de rede van dominee J. Eikema, waarin hij woorden van troost had voor de joden.” Waarna de topman van de Sicherheitsdienst een deel van de preek citeert en daar dreigend aan toevoegt: “Over de krant en de christelijke vereniging ‘Versterking van het vrijzinnig godsdienstig leven’, waarvoor de dominee Eikema zijn rede hield, volgt een speciaal verslag.” Hoewel Eikema wonderbaarlijk genoeg geen nadelige gevolgen ondervindt van zijn gewaagde actie is het tijdens de oorlogsjaren de eerste en de laatste keer dat hij deze tekst gebruikt. Het represaillegevaar is te groot. Mensen zijn voor minder naar het concentratiekamp gestuurd. Steeds weer weegt Eikema de toenemende risico’s, al blijft hij jaar na jaar herinneren aan het lot van het joodse volk en de mogelijkheden om weerstand te bieden. Zo nu en dan schat hij het aantal NSB’ers in zijn publiek, noteert dat, om er vervolgens opgelucht bij te kunnen schrijven: “Geen problemen gehad.”

Toevallig is het niet dat er de hele maand maart vanaf de kansels stelling wordt genomen. Het vooral in en om Amsterdam massale protest tegen de anti-joodse overheidsmaatregelen, en met name de reactie daarop, doet sommigen beseffen hoezeer verzet geboden is. De Februaristaking betekent een keerpunt. Seyss-Inquart realiseert zich dat de kans verkeken is om Nederland geleidelijk aan te winnen voor het nationaal-socialistisch gedachtegoed. Hem rest niets dan te regeren via het leger en de politie, met steun van de NSB. In de Meldungen aus den Niederlanden inventariseert de Sicherheitsdienst welke godshuizen de opgelegde censuur negeren. De Duitsers hebben er lucht van gekregen dat er op 23 maart wellicht een synodale oproep tot ‘handhaving der vrijheden’ zal klinken vanaf de kansels. Her en der nemen er die zondag spionnen plaats in de kerkbanken. “In Zwolle zei een predikant in het slotgebed dat de bezetting zo spoedig mogelijk weer zou mogen verdwijnen en de oude vrijheid weer zou mogen terugkeren”, heet het in de Meldungen. “In de Lasonderkerk in Enschede predikten twee dominees die in hun preek tot uitdrukking brachten dat alle mensen, ongeacht welk ras, broeders zijn.” Gravemeyer en andere kerkelijke vertegenwoordigers worden enige tijd vastgezet. Maar in tegenstelling tot de preken die wel hun weg vinden naar de SD vinden komt Eikema’s verhaal, uitgesproken in een met 390 aanwezigen opvallend volle Westzijderkerk, niet in de Meldungen terecht.

Ondanks de sancties tegen zijn collega’s continueert Eikema zijn protesten tegen het nieuwe bewind. Een paar voorbeelden geven een beeld van de toonzetting in zijn teksten: “De kerk van Christus heeft niet kunnen verhinderen dat Duitsland ons land en andere landen in enkele dagen overrompeld en uitgeschakeld heeft. Is de kerk dan weer in alle opzichten tekortgeschoten, heeft zij ons in alle opzichten teleurgesteld? Gelukkig niet, want zij leeft nog en zij spreekt nog, en terwijl andere machten hun hoofd gebogen hebben, heeft de kerk zich, tenminste in óns land, nog niet aan de duivel verkocht, ligt zij nog niet op de knieën voor de afgoden van deze tijd, durft zij het nog te wagen met waarheid en gerechtigheid, totdat… totdat misschien ook haar het zwijgen opgelegd wordt. (…) De behandeling van het joodse deel van onze bevolking, de groeiende rechtsonzekerheid, de aantasting van vrijheden die de noodzakelijke voorwaarden zijn voor vervulling van Christenplichten, dat alles druist in tegen de eis van Gods Woord.” (7 mei 1941, 38 toehoorders).

“Maar niet alleen bij uitzondering, van tijd tot tijd, moeten wij uitstijgen boven deze wereld; voortdurend, altijd door hebben wij te streven naar verheffing van ons levenspeil (naar verheffing van dat peil, dat sinds 10 mei 1940 zo bedenkelijk gezakt is), voortdurend hebben wij te streven naar de gang omhoog, naar hemelvaart.” (22 mei 1941, hemelvaartsdag, 147 toehoorders).

“Eén ouderpaar heeft aan hun dochter twee zeer bijzondere namen gegeven, namen die respectievelijk betekenen ‘vrede’ en ‘gelukbrengster’. Die namen mogen, volgens een onlangs uitgekomen besluit, niet meer in openbare bijeenkomsten genoemd, omdat zij gedragen worden door levende leden van het Huis van Oranje, maar bij de doop moeten zij nu eenmaal openlijk worden uitgesproken. Wij zullen er niet meer over zeggen, ieder denke zich het zijne daarbij.” (28 september 1941, doopplechtigheid).

Het hoeft geen verbazing te wekken dat in het opstandige, licht anarchistische Zaandam de diensten van Eikema veel aantrekkingskracht hebben. Zelfs de nauwelijks religieus georiënteerde verzetsleider Walraven van Hall en zijn echtgenote melden zich. Hun dochter Mary-Ann: “Vader en moeder gingen regelmatig naar zijn preken toe, omdat hij altijd in verhulde termen de Duitse maatregelen aan de kaak stelde.”

Collectie Heddy Eikema. Jan Eikema, datum onbekend
In de vroege ochtend van 22 juni 1941 trekken meer dan vijf miljoen Hitler-getrouwen de Russische grens over, in een ultieme poging het Rode Leger te verslaan. Die dag is Jan Eikema op weg naar Hilversum. Daar zal hij een preek houden op uitnodiging van de Nederlandse Protestantenbond. Een deel van zijn trein blijkt te zijn gereserveerd voor joodse jongens uit Amsterdam. Een groot aantal van de onder bewaking staande passagiers is Palestina-pionier en oorspronkelijk afkomstig uit het joodse werkdorp in de Wieringermeer. Na de ontruiming daarvan zijn ze naar de hoofdstad gebracht. De overigen zijn veertien leden van de joodse roeivereniging Poseidon, joden die op het verkeerde moment in een hoofdstedelijk café zaten, een balletje sloegen op een nabijgelegen tennisbaan of gewoon aan het wandelen waren. Ze zijn allemaal elf dagen eerder opgepakt door Duitse en Nederlandse politie-agenten, als straf voor enkele aanslagen op Duitse doelen, en vervolgens naar kamp Schoorl gestuurd. Het betreft de tweede grootschalige jodenrazzia in Nederland. De eerste klopjacht, op 22 en 23 februari van dat jaar, resulteerde in de Februaristaking. Om een herhaling daarvan te voorkomen heeft de bezetter dit keer gekozen voor een huis-aan-huisactie, aangevuld met relatief kleinschalige razzia’s.

De driehonderd pogromslachtoffers in de trein zijn op 22 juni nog onwetend van hun eindbestemming: vernietigingskamp Mauthausen. Onderweg naar Hilversum valt Eikema’s blik op de groep. Hij verneemt dat ze op weg zijn naar Parijs. Getuige zijn beschrijving denken de gevangenen zelf ook dat ze naar de lichtstad gaan. “En toen zij te Amsterdam moesten overstappen, zagen wij ze staan op een ander perron. Intelligente jonge mannen, studenten, gymnasiasten, hbs’ers en mts’ers, waarop een volk trots mag zijn. Wij wilden ze wel toeroepen, wij wilden wel op alle mogelijke manieren uiting geven van ons medeleven, maar het mocht niet, en er schoot ons een brok in onze keel. Toen wisten wij nog niet wat hun lot zou zijn.” Die onwetendheid is inderdaad alom aanwezig. Ter illustratie: in september van dat jaar informeert de Joodsche Raad bij het Rode Kruis waar dat Mauthausen ligt en of de ‘daar vertoevende personen regelmatig geld en levensmiddelenpakketten zullen mogen ontvangen’. Korte tijd later zijn alle driehonderd ‘daar vertoevende’ gevangenen uit Wieringen en Amsterdam vermoord, tezamen met de 425 joden die al in februari zijn weggevoerd uit de hoofdstad.

Wat Eikema op het Centraal Station ook niet kan bevroeden is dat een half jaar later de planmatige Nederlandse jodenverdrijving begint. Uitgerekend Zaandam wordt de eerste gemeente waar op bevel van de nazi’s de joodse gemeenschap, ruim tweehonderd mannen, vrouwen en kinderen, huis en haard moet verlaten. “U dient op eigen gelegenheid zaterdag, 17 januari 1942, uit Zaandam te vertrekken, nadat u door de politie daartoe toestemming hebt ontvangen”, opent het schrijven van de Joodsche Raad dat drie dagen eerder bij de slachtoffers op de mat is gevallen. De geadresseerden mogen alleen meenemen wat ze kunnen dragen. Hun overige bezittingen vervallen aan de staat. “De kosten van uw voorlopige onderbrenging zijn voor uw eigen rekening. (…) Niemand mag na vertrek uit Zaandam naar deze plaats terugkeren.” Het nieuwe, tijdelijke verblijf van de Nederlandse joden is het Amsterdamse getto, de voorpost van het concentratiekamp. De buitenlandse joden in Zaandam dienen naar kamp Westerbork te gaan.

De Zaandamse kerkgenootschappen reageren snel. Per brief verzoeken ze het Convent der Kerken ‘tussenbeide te komen, opdat deze maatregelen worden ingetrokken en elders worden voorkomen’. Ook gaat er een brief naar het Zaandamse gemeentebestuur: “Wij zijn van oordeel dat hier gehandeld is in strijd met de Nederlandse grondwet, die aan alle burgers gelijke rechten toekent, en in strijd met de Goddelijke wetten van recht en moraal.” Het is vechten tegen de bierkaai. De joodse Zaandammers keren niet terug en wanneer Seyss-Inquart medio februari de gezamenlijke kerken een audiëntie toestaat voegt hij de vertegenwoordigers toe dat de joden ‘nu eenmaal bedervers van de Arische stam waren, een gedegenereerd ras, een kwaadaardig gezwel aan het organisme van onze Europese volksgemeenschap, de schuldigen bij uitstek aan de oorlog en aan de pest van het bolsjewisme’.

Op 26 februari 1942 is Eikema te gast bij de vrijzinnig hervormde vrouwenvereniging in Westzaan. ‘Dante’ heeft hij zijn lezing genoemd, met als ondertitel ‘Door de duisternis tot het licht’. Op de kop af een jaar na de Februaristaking vertelt hij over het werk van de Italiaanse schrijver Dante Alighieri. Eikema legt een verband tussen La divina commedia, Dantes bekendste werk, en het mensonterende antisemitisme uit zijn eigen tijd. “Als Dante in onze tijd geleefd had, dan zou hij weer gewezen hebben op deze kleine aardbol, waar de mensen nog altijd elkander haten en bestrijden”, verklaart hij. “Waar in een zogenaamd beschaafd land het jodenkind van de andere kinderen afgezonderd wordt, omdat het een jodenkind is. Er is op school één bank vóór hem vrijgelaten, één bank achter hem, één bank terzijde van hem. Of er is een touw gespannen, dat de joodse banken van de andere scheidt. En als de klas door de stad naar een gymnastieklokaal gaat, dan gaan alle kinderen samen, alleen het jodenkind moet alleen. En op een ander deel van deze zelfde aardbol werpt de grote kolossus al zijn mensenmateriaal in de strijd om een klein, hoogstaand volk tot onderwerping te dwingen of uit te moorden.”

4.

Het NSB-weekblad Volk en vaderland ruimt op vrijdag 13 maart 1942 de twee eerste pagina’s in voor ‘opzienbarende onthullingen’ over de financiering van Eenheid door Democratie en de Vrijzinnig Democratische Bond. De nationaal-socialisten pretenderen een vooroorlogs complot van deze politieke stromingen te hebben ontdekt, bedoeld om de NSB naar de afgrond te helpen. Op de voorpagina van de krant prijkt een reeks voormannen van deze ‘negatieve beweging’. “Het zijn evenzovele joden en jodengenoten, dominees die bidstonden plachten te houden aan de vooravond van de eerste mei (dat betekende op de verjaardag van prinses Juliana!) en hun ‘godsdienstoefening’ soms besloten met het laten zingen van de Internationale. (…) En op de achtergrond stond de jood, de eeuwige jood: de parasiet op het lichaam van niet-joodse volkeren, die goud maakt uit volksnood – zonodig uit stromen mensenbloed!” Een van de genoemde ‘jodenknechten’ is Jan Eikema. Veel van de aldus in het blad gestigmatiseerden verdwijnen de maanden en jaren na de publicatie in gevangenissen en concentratiekampen. In april wordt bekend dat de protestantse predikanten Van den Bosch en Rutgers in het concentratiekamp zijn gestorven. Ze zijn de eersten in een lange reeks. De strijd verhardt zich verder.

Op paaszondag, 5 april, preekt Eikema in Wognum. Een dag later stuurt een kerkganger hem een waarschuwing. “Toen ik thuis was, dacht ik er over dat u de koningin en allen opnoemde. Weest u toch vooral voorzichtig. Wat zou het toch verschrikkelijk zijn als ze u eens aanbrachten, want ze zijn overal voor in staat.” (…) Men mag nu eenmaal niet voor zijn principe uitkomen. We zullen hopen dat de tijd eens zal komen dat we allen weer mogen zeggen wat men wil. Wat verlangen we toch allen naar die tijd.” Allen? Ene Jan Hagtingius heeft de dienst in Wognum ook bijgewoond. Hij toont zich geïrriteerd ‘over datgene wat u in uw gebed te kennen gaf over onze voormalige koningin en die weggelopen heren. Mij dunkt, het is nu toch duidelijk wat voor soort mensen dat hier waren en hun handelwijze nu zij aan de overkant zijn. Hier zou ik genoeg over kunnen schrijven, maar ik mag toch veronderstellen dat u dat ook heel goed weet. Ik kan mij niet voorstellen dat iemand die wekelijks het evangelie verkondigt mee kan voelen met personen die samenwerken met het bolsjewisme’.

Koeno Gravemeyer wordt vastgezet, voor de tweede keer alweer, nu als gijzelaar in Sint Michielsgestel. Niet als enige overigens. In totaal arresteren de Duitsers 460 notabelen. Ze moeten als onderpand fungeren in het geval de Nederlandse bevolking zich niet gehoorzaam opstelt. Executie is dan hun deel. De massa-arrestatie blijft uiteraard niet verborgen. Jan Eikema’s nicht Hilde schrijft op 6 mei 1942, twee dagen na de gevangenneming: “Zo ze ons vertelden is er weer een dominee opgepakt, Gravemeyer, en zo ze zeggen 1000 kapiteins. Wat is het toch een nare tijd. (…) Wees toch vooral voorzichtig.” Dat doet dominee Eikema, zij het met mate.

5.

Na vier jaar Zaandam is Eikema toe aan een nieuwe uitdaging. Hij kan terecht in Dordrecht, waar de hervormde gemeente een vrijzinnig predikant zoekt. Op 19 juli neemt hij afscheid van ‘zijn’ Bullekerk, een week later preekt hij voor het eerst in de Dordtse Grote kerk. Zo’n duizend gelovigen wonen die eerste dienst bij. Bij zijn ook al druk bezochte afscheid van de Zaanstreek is minimaal één vriend afwezig. “Ik weet niet of het vertrek naar Dordrecht al heeft plaatsgevonden en ben daar wel benieuwd naar”, schrijft S. de Jong hem. “Heel graag zou ik je willen spreken, want de moeilijkheden voor ons stapelen zich steeds hoger op en misschien weet je mij raad te geven. Naar je toe komen kan helaas niet.” De Amsterdamse familie De Jong is joods. Omdat ze voor de oorlog al wonen in wat de Duitsers later bestempelen tot ‘Judenviertel’ hoeven ze hun woonplaats niet te verlaten. Dat wil zeggen, tot aan het moment dat ook zij naar het concentratiekamp moeten. Jan Eikema reageert onmiddellijk per brief. De inhoud daarvan is niet bewaard gebleven, maar heeft De Jong ‘wel wat opgemonterd’. “Hoe graag had ik je intreerede gehoord. Zo graag had ik meegenoten van je geluk.” Zijn eigen situatie wordt met de week penibeler. In de buurt vinden talloze razzia’s plaats. “Ons gaat het helaas niet goed. De toestand spitst zich van dag tot dag meer toe en we zien geen kans de dans te ontspringen. Hoe ik mijn hersenen inspan, het ziet er hopeloos uit. Het spijt mij dat ik je zoiets pessimistisch moet schrijven, maar ik kan niet anders. We hopen nog maar steeds op uitkomst. Ik stel mij voor, je voor ik moet vertrekken nog eens te schrijven.”

Jan Eikema probeert in Amsterdam langs te gaan bij zijn kameraad. Die is niet thuis, maar de dominee kan wel met zijn vrouw spreken. De Jong reageert schriftelijk op de mislukte ontmoeting. “Ik geloof niet dat een gemist bezoek mij ooit zo speet als het jouwe. (…) Van wat je mijn vrouw vertelde heb ik zeer goede nota genomen en hoop er t.z.t. gebruik van te kunnen maken. (…) Uit deze brief blijkt dat we er G.z.d. nog zijn. Iedere dag is er één. Dat het zo moge blijven. Misschien komt er spoedig uitkomst. Wie zal of kan het zeggen? Als we er maar levend doorheen komen, dan zijn er een paar gelukkige mensen overgebleven. Laat ons hopen.” Twee weken later schrijft hij weer. “Wij zijn, doordat ik medewerker ben van de Joodsche Raad, ‘gesperrt’. D.w.z. dat we nog niet aangewezen zijn voor vertrek. Natuurlijk zijn we daarmee niet gered, maar het geeft enig uitstel en dat kan veel zijn. Ja, het zou, om het eens optimistisch te zeggen, zelfs voldoende kunnen zijn.” Om hen te behoeden voor deportatie zet de Joodsche Raad steeds meer mensen op de personeelslijsten. Volgens Het Joodsche Weekblad van 17 juli 1943 telt de organisatie op dat moment zelfs 1091 medewerkers. Het zal niet dankzij de medewerking aan de Joodsche Raad zijn -ook die moet er uiteindelijk aan geloven-, maar het gezin De Jong komt op een of andere wijze heelhuids door de oorlog. Na de bevrijding laten ze weten weer in Amsterdam te wonen. “Ik heb m’n baan terug en begin omstreeks 1 augustus in het filiaal Utrecht.”

De overgang naar Dordrecht is een promotie voor Jan Eikema. Hij komt terecht in een twee keer zoveel leden tellende, bloeiende kerkgemeente met een monumentaal gebedshuis, de Grote kerk. Dat gebouw heeft overigens even de volle belangstelling van de bezetter, en dit keer niet eens vanwege de opruiende taal die daar zou klinken. Burgemeester Jacob Bleeker krijgt onverwacht bezoek van de SS. Die beweert dat er vanaf de kerktoren lichtsignalen worden uitgezonden. Bleeker wordt daarom verdacht van betrokkenheid bij hulp aan de vijand. Nader onderzoek leert dat de Luchtbeschermingsdienst op de toren een uitkijkpost heeft gevestigd. Elke keer dat er iemand in het donker de trap op- of afloopt is zijn brandende lantaarn een moment zichtbaar door de lichtgaten van de toren. Met spionage heeft dat weinig te maken. De burgemeester en het kerkpersoneel gaan vrijuit. Bleeker krijgt in mei 1943 evengoed zijn ontslag, maar dat komt vooral door zijn weinig meegaande houding.

Het gezin Eikema heeft de beschikking over een mooie, zeventiende-eeuwse pastorie bij de haven. Toch hebben ze moeite om te wennen aan de nieuwe woonplaats. Allereerst is daar de snel voortschrijdende multiple sclerose van Sien. Ze verlaat haar bed zelden of nooit en is slecht aanspreekbaar. Geld om, zoals in Zaandam het geval was, een tuinman en een dienstmeisje te betalen is er bovendien niet meer. Als de dominee zijn preken voorbereidt of op huisbezoek gaat en Hanneke op school zit moet de oudste telg, Lied, haar moeder verzorgen.

De avondklok negerend glipt de jongste dochter nogal eens weg om een van haar leraren thuis op te zoeken. De bezetter staat niet langer toe dat er Engelse les wordt gegeven en daarom verzorgt meester Visser lessen in zijn woning. Als Hanneke na een van die lesavonden terugloopt door de straatjes van de oude stad ziet ze hoe vlakbij haar eigen woning een joods gezin wordt afgevoerd. “De door een soldaat vastgehouden zaklantaarn scheen even over de straat en ik moest wegduiken om te voorkomen dat het licht op mij viel. Toen pauzeerde de lichtbundel een seconde op het gezicht van een meisje. Het was Rebecca, een van mijn klasgenoten.” Ze wordt met haar familie in een vrachtwagen geduwd en afgevoerd.

De ene dominee na de andere wordt opgepakt, meestal vanwege de in Duitse ogen opruiende taal die vanaf de preekstoel klinkt. Dirk Bakker, met wie Jan Eikema nauw heeft samengewerkt bij verschillende kerkelijke bladen, verblijft geruime tijd als gijzelaar in Sint Michielsgestel. Zijn vriend Nanne Zwiep, die Eikema al kent sinds zijn studiejaren, wordt naar Dachau getransporteerd. Twee maanden lang ondergaat deze Enschedese zielenherder in het kamp vernederingen, ondervoeding en ijzige kou. Zijn lijdensweg eindigt als hij tijdens een sneeuwstorm bij het inkuilen van kool in elkaar zakt. Dezelfde dag sterft Zwiep, mishandeld en uitgeput.

Onder het nazibewind komen meer dan tachtig predikanten om het leven. Alleen al binnen de hervormde kerk worden ruim 250 voorgangers ondervraagd en/of gearresteerd, oftewel een op de acht. Kort nadat Eikema in Dordrecht is begonnen moet zijn oud-collega A. Dronkers zich voor een verhoor bij de Zaandamse politiecommissaris melden. De aanleiding: een kanselboodschap over antisemitische maatregelen. En enkele maanden nadat Eikema Dordt heeft verlaten houdt de Sicherheitsdienst ter plaatse de hervormde predikant G. Alers aan, op verdenking van ‘jodenhulp’. Eikema glipt wederom door de mazen van het net.

Waarom ontkomt Eikema aan de gevangenis en erger, daar waar zijn collega’s in groten getale worden opgepakt? Het antwoord is meerledig. Allereerst geeft Hitler de kerken in de bezette gebieden een beetje speelruimte, uit angst dat een kerkstrijd zal overslaan naar Duitsland. Hij instrueert daartoe zijn bevelhebbers en meldt: “Wanneer ik eenmaal de andere kwesties afgedaan heb, zal ik met de kerk afrekenen. Horen en zien zal haar vergaan.” Uitstel dus en geen afstel, wat de Führer betreft. Er is sprake van consequente onderdrukking, pressie en censuur, maar vervolging van religieuze gezagsdragers vindt vooralsnog alleen selectief plaats.

Desondanks, waarom wordt Nanne Zwiep zonder vorm van proces in het kamp om het leven gebracht vanwege zijn subversieve boodschap en blijft de eveneens agerende Jan Eikema op vrije voeten? Het antwoord is deels te vinden in een toespraak die de hoge Duitse ambtenaar Erich Roth in september 1941 houdt voor zijn met kerkelijke zaken belaste medewerkers. Hij maakt daarin onderscheid tussen strafrechtelijke en politieke overtredingen. In het eerste geval kan de Sicherheitspolizei overgaan tot arrestatie en vervolging via een rechtbank. Maar, zo zegt Roth: “Het is gebleken dat politieke overtredingen (verraderlijke aanvallen in de rug van het Rijk) zonder succes in een normaal proces behandeld worden.” Volgens Regierungsrat Roth missen de rechters nog het juiste ‘politieke instinct’ om weerbarstige geestelijken te straffen. Daarom moeten ‘hetzende Pfarrer’ linea recta naar het concentratiekamp, zonder een voorafgaande rechtsgang. Nanne Zwiep wordt als ophitser bestempeld, Eikema niet. Dat Zwiep en een aantal andere predikanten wel in Dachau belanden en Eikema daaraan ontsnapt heeft veel te maken met de keuze van hun doelgroepen. Eikema bewaart zijn scherpste teksten over het algemeen voor relatief kleine gezelschappen. Zijn meest politieke beschouwingen zijn niet te horen tijdens de zondagse diensten, maar bij organisaties als de VDB, de Vrijzinnig Christelijke Jongeren Bond of de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden. Bij hen kan hij tot op zekere hoogte overzien of er ‘goed volk’ zit. Als nieuwkomer in Dordrecht beperkt hij zich veel meer dan in Zaandam, waar hij zijn pappenheimers kent. Een man als Zwiep maakt daarentegen geen onderscheid. Hij gaat ook in de Grote kerk van Enschede, goed voor vele honderden luisteraars, tekeer tegen de Duitse wandaden. Dat zijn organist nazi-sympathisant is en diens eveneens aanwezige schoonzoon SS’er negeert hij. Kort gezegd kan gesteld worden dat Zwiep c.s. tot het einde toe geen rekening wenst te houden met de omstandigheden, ongeacht de gevolgen, terwijl Eikema tactischer manoeuvreert. Het is de sprinter versus de lange-afstandsloper. Waarbij de laatste, dat moet ook gezegd, erg veel geluk heeft.

Helemaal stilhouden kan en wil Eikema zich overigens niet in Dordrecht. En dus vertolkt hij daar bijvoorbeeld zijn eigen mening via teksten van Erasmus: “Uit de oorlog ontstaat de schipbreuk van alles wat goed is, en uit hem stroomt een zee van alle mogelijke rampen tevoorschijn.” Explicieter is hij tijdens zijn verdediging van Alfred Adler, een in 1937 overleden joodse psycholoog uit Oostenrijk. Tijdens een van zijn lezingen haalt Eikema een Duitse encyclopedie aan: “Daar stond niets anders dan dit: ‘Adler Alfred, joodse arts. Stelde de theorie op van de z.g. Individualpsychologie, die voortvloeit uit het joodse denken’, en dan deze woorden: ‘Völlig einseitig’, geheel eenzijdig.” Eikema windt zich er over op: “Men moet toch wel heel eenzijdig, heel bekrompen zijn om te menen dat men zich van deze geleerde psycholoog kan afmaken met een dergelijk oordeel, louter en alleen omdat… omdat hij een jood was. Op allerlei gebied, ook op dit gebied, hebben wij veel aan de joden te danken.”

Het predikantenechtpaar neemt een ingrijpende beslissing. Sien Eikema gaat steeds verder achteruit. Ze verlaat de slaapkamer niet meer en heeft permanente zorg nodig. Heimwee naar Zaandam bevangt haar. Daar had de familie hulp in de huishouding, daar was veel aanloop. “Mijn vrouw bleek aan een ongeneeslijke ziekte te lijden”, verklaart hij zijn terugtreden tijdens een emotionele afscheidspreek in de stampvolle Grote kerk. “Zij kon tegen al dat nieuwe niet meer op, zij kreeg een afkeer van Dordrecht. De afkeer werd tenslotte een felle haat, en ze verlangde alleen terug naar het oude.” Na uitvoerig overleg met Sien en haar geneesheer besluit Jan Eikema een stap achteruit te zetten in zijn carrière. Bij de kerkenraad in Zaandam informeert hij of er binnen afzienbare tijd een vacature vrijkomt. Die komt er inderdaad. Een van de predikanten gaat met emeritaat. Sien kan met haar eega terug naar de plaats waar ze zich gelukkig voelde. Eind oktober 1943 staat dominee Eikema weer in de Bullekerk, waar zevenhonderd bezoekers hem verwelkomen bij zijn eerste dienst.

6.

Na zijn terugkomst in Zaandam moet Eikema het doen zonder het gelui van de kerkklokken. Ze zijn in opdracht van de autoriteiten verwijderd uit de gebedshuizen. Die actie is het vervolg op een eerdere inzameling. Met het oog op de wapenindustrie hebben de Nederlandse burgers in de zomer van 1941 al hun voorwerpen moeten inleveren die geheel of gedeeltelijk uit lood, koper, tin of nikkel bestaan. Jan Eikema heeft daar niet aan meegewerkt. Met dochter Hanneke heeft hij zakken vol vazen, ketels en borden naar de Westzijderkerk verhuisd en ze in de klokkentoren verborgen. Maar het jaar daarop zijn dus de Nederlandse klokken zelf aan de beurt. Ze bestaan voor 80% uit koper en 20% uit tin, precies de legering die nodig is voor het gieten van kanonnen. Het merendeel belandt dan ook in Duitse smeltovens. De firma Meulenberg is aangesteld om de kerken te ontdoen van hun sieraden. In een jaar tijd takelt het Limburgse aannemersbedrijf 6700 klokken naar beneden. Ook die van de Oost- en Westzijderkerk moeten er aan geloven. De dag voor kerstmis 1942 halen de mannen van de Zaandamse voorman P. Stadt beide exemplaren van de Oostzijderkerk naar de begane grond. Drie dagen eerder is al een poging gedaan om ook de Bullekerk aan te pakken, ondanks pogingen van burgemeester Vitters om daar een stokje voor te steken. “Na telefonisch gesprek met Venlo waarin mij bevolen werd verder te gaan ben ik naar de burgemeester teruggegaan om hem dit mede te delen”, schrijft uitvoerder D. Hebel in zijn dagrapport. Ze komen overeen om de reactie van de Provinciecommissaris op Vitters’ bezwaren af te wachten en in de tussentijd de rooms-katholieke kerk te ontmantelen. “Maar toen ik in de kerk Westzijde aankwam, hadden ze daar al een [klok] verwijderd”, aldus Hebel. Het is de kleinste van de twee. Het 196 kilo zware exemplaar blijft enige weken in de kerk staan, in afwachting van een definitief oordeel, en is dan plotseling verdwenen. In mei 1945 duikt hij weer op. De klok is ruim twee jaar lang verborgen gehouden in het stovenhok. Vitters’ protest leidt er blijkbaar toe dat uiteindelijk ook de grote klok ongehavend de oorlog doorkomt.

Niet alleen de klokken verdwijnen uit het zicht van de Zaankanters. Hun joodse medebewoners wachten in het Amsterdamse getto op hun noodlot, zijn ondergedoken of afgevoerd naar de concentratiekampen. En verder lopen er opvallend weinige jonge mannen over straat. Ze zijn in veel gevallen tewerkgesteld in het buitenland of hebben dienst genomen bij het Duitse leger. Sommigen sturen brieven naar Westzijde 134, het nieuwe adres van het echtpaar Eikema. “Verscheidene kilometers hier vandaan is een kamp aangevallen door partizanen”, schrijft René, een oud-leerling van de predikant, vanuit Estland. Hij vecht met de SS tegen het Sovjetleger. “Daarbij zijn 73 Hollanders gedood en 150 licht- en zwaargewond. En steeds trekken we van de ene plaats naar de andere. Ook het water is niet te drinken. Er zijn aanboringen gedaan tot 600 m. diepte en daar zaten nog 20% tyfusbacillen. (…) Ook dit kamp is eenmaal door de partizanen in brand gestoken en geheel afgebrand.” De vernietigende tegenaanval van de Russische krijgsmacht moet dan nog beginnen.

Een andere jonge kennis uit de hervormde gemeente beschrijft zijn ervaringen als dwangarbeider in het nabij Fallersleben gelegen werkkamp. Het dagelijkse ochtendreveil om 5.00 uur, de eentonige maaltijden met als constante de dunne groentesoep, het gezamenlijk marcheren naar de fabriek waar militaire voertuigen worden gebouwd, het telkens weer met gas behandelen van de slaapzaal om de welig tierende luizenplaag onder controle te krijgen; Huib Bosland registreert het met gespeelde luchtigheid. Hij probeert zichzelf te bekijken zoals ‘de toeschouwer die de tijd heeft een film beziet: het zijn maar schaduwen en als de -al dan niet happy- ending daar is, dan zit hij nog hier in zijn stoel en daar voelt hij de armleuningen’. Waar SS-vrijwilliger René tevergeefs wacht op een reactie van Eikema ontvangt de, vanwege zijn weigering om de loyaliteitsverklaring te tekenen, tewerkgestelde student Huib een door het predikantengezin klaargemaakt voedselpakket. Bosland: “Het is al voor het grootste deel naar innerlijke oorden vertrokken en smaakte voortreffelijk. Jammer alleen dat de satanische schimmel er enigszins in door was gedrongen, zodat ik van elke boterham wel een partje dien af te schrijven.”

Niet iedereen is blij met Eikema’s terugkeer in de Zaanstreek. D. Paans zegt in oktober 1943 zijn lidmaatschap van de hervormde gemeente op. De reden: “De houding der kerk ten opzichte van het nationaal-socialisme in het algemeen en de Nationaal Socialistische Beweging in Nederland in het bijzonder. (…) Het verlangen naar de ineenstorting van het nationaal-socialisme houdt dan ook niet minder in dan een bede om zelfvernietiging.”

Dergelijke tegengeluiden beletten Eikema niet om op de oude voet door te gaan. De titels van zijn preken klinken vaker dan ooit als een slag naar de machthebbers. “Hollands glorie”, klinkt het, een verwijzing naar het in 1942 verboden boek van Engelandvaarder Jan de Hartog. “Heeft gij uw knieën ook gebogen?”, vraagt Eikema retorisch aan zijn kerkgangers. “Door strijd tot vrede”, staat er op het voorblad van een andere vlammende preek. En wanneer hij zijn toehoorders voorgaat met de oproep ‘Weest op uw hoede!’ is hij zich er van bewust daarmee de gelijknamige, maar sedert lang verbannen brochure van Eenheid door Democratie aan te halen. Bij gebrek aan openbare bijeenkomsten zijn de kerkdiensten en religieuze lezingen gebeurtenissen met een grote impact. Alle verwijzingen daarin naar de bezetting, hoe voorzichtig ook geformuleerd, worden de dagen erna in brede kring geanalyseerd en van commentaar voorzien. De moralist die Eikema ook is weet dat en speelt er bij herhaling op in. Zijn teksten worden nog scherper, nu ook in groter gezelschap. Hij grijpt het kerstfeest van 1943 aan om de zeshonderd bezoekers van de Westzijderkerk te wijzen op de lijdensweg van de jood Jezus, voor wie ‘geen plaats was in de herberg’. “Weer is het een oorlogskerstfeest, het vijfde in de grote oorlog, het vierde sinds het verlies van onze eigen onafhankelijkheid. En wij weten niet of het volgend kerstfeest in vrede gevierd zal worden. Wij weten niet of Nederland dan de vrijheid teruggekregen zal hebben, waarbuiten het niet leven kan. Wij weten het niet, al hopen wij het wel. Maar dít weten wij wel, dat er in de herberg van deze wereld nog altijd geen plaats is voor Jezus Christus. Wel is er plaats voor oorlog en haat en nijd en huichelarij en gemeenheid. Wel is er plaats voor allerlei boze machten, die zich voordoen als engelen des licht, maar die in wezen grijpende wolven zijn. Maar Jezus wordt buitengesloten. Jezus, de brenger van liefde en vrede, de strijder voor waarheid en recht.”

7.

Wat de dominee niet weet is dat zijn jongste dochter in de illegaliteit is beland. De 19-jarige Hanneke studeert in de hoofdstad, woont daar ook op kamers, maar bezoekt nog regelmatig haar ouders. Het is de herfst van 1943. “Op een avond kwam ik thuis uit Amsterdam na een onderbreking van mijn onderwijs, toen ik niet voor het eerst een gesprek afluisterde dat mijn vader had in zijn studiekamer, dit keer tussen hem en een oudere vrouw. Ze fluisterden, en ik ving het woord ‘ondergrondse’ op. Op dat moment wist ik dat mijn vader bij het verzet betrokken was, en dat deed me erg goed. Toen de ontmoeting eindigde en de vrouw vertrok volgde ik haar stiekem naar haar huis. Dit was misschien mijn kans om iets tegen de vijand te doen.” De vrouw in kwestie is Guurt van Houten, die met haar man een aardappelhandel heeft aan de Zaandamse Oostzijde 76. Met regelmaat herbergt het echtpaar joodse onderduikers in hun bescheiden woning. Hun gastvrijheid is zo groot dat het gezinshoofd soms zijn eigen bed afstaat en zelf op een geïmproviseerd bedje in de schuur de nacht doorbrengt. Hanneke Eikema: “Ik klopte op haar deur. Toen ze die op een kier opende stelde ik mezelf voor en ze liet me daarop binnen. Ik vertelde haar dat ik in het verzet wilde. Ze keek me aan en zei: ‘Ik wil dat je je studie vervolgt en lang gaat nadenken over je vraag. Er is niets avontuurlijks of romantisch aan het tegenwerken van de vijand – het is ongelooflijk hard werken. Je leven zou niet meer van jou zijn. Ga terug naar je studieboeken en wellicht vergeet je dit. Je bent erg jong’.”

Het duurt drie maanden voordat de studente terugkeert naar de Oostzijde. Dit keer is ze welkom. Guurt van Houten introduceert haar bij Piet Bosboom, een Zaandamse verzetsman die talloze joden onderbrengt en van voedsel en papieren voorziet. Hanneke dient de volgende dag om 9.00 uur ’s morgens op een kerkplein te zijn. “Vol verwachting en een beetje nerveus ging ik naar het plein en zag daar Piet meteen staan. Hij was er werkelijk, op de juiste plaats en de juiste tijd. Gekleed in een grijze regenjas, een bruine hoed op zijn hoofd, een krant onder zijn rechterarm en een boodschappentas in zijn linkerhand. Hij gaf me mijn eerste opdracht: ik moest wat identiteitspapieren en voedselbonnen brengen naar een joodse familie die was ondergedoken in een oud, Haarlems huis. Hij overhandigde me ook een vals persoonsbewijs. Mijn nieuwe naam was Ellie van Dijk.”

In de navolgende maanden brengt Hanneke week na week volwassen en minderjarige joden naar onderduikadressen, terwijl haar onwetende vader via de Ordedienst contact onderhoudt met de Nederlandse regering. Bij de even verderop wonende diaken Jan Zwikker luistert hij in het geniep naar Radio Oranje, speurend naar nieuws voor zijn preken en verborgen boodschappen voor het verzet. De predikant moet tussen zijn codeerwerkzaamheden door ook voldoen aan zijn kerkelijke verplichtingen. Dagelijks brengt hij twee à drie huis- of ziekenbezoeken en bereidt hij zijn preken voor. Met zijn echtgenote gaat het dankzij een nieuwe medicijnenkuur iets beter, wat hem enige ruimte geeft. Na de oorlog verontschuldigt Eikema zich desondanks in het kerkblad voor het ‘door verschillende omstandigheden’ gereduceerde aantal huisvisites tijdens de laatste oorlogsjaren. “Wel probeerden wij zo goed en zo kwaad als het ging onze zieken te bezoeken en nu hier, dan daar huisbezoek te doen, maar systematisch was het niet. Daarvoor werd onze tijd te veel door andere dingen in beslag genomen: foerageertochten naar Benningbroek en Schagen, de dagelijkse gang naar de ‘keuken’, wekelijkse bezoeken aan de ‘Amstelveenseweg’, wandelingen in het schemerduister naar bepaalde adressen. En als je in de verte de ‘Grünen’ of de Landwacht zag naderen, dan kon je gerust een straatje omlopen, want je had iets bij je dat voor hún ogen niet bestemd was.”

Na de inval bij Jan Hendrik op den Velde is Eikema een tijdje meer op zijn hoede, althans in het openbaar. Waar hij zich een maand eerder nog publiekelijk uitsprak over ‘onze barbaarse tijd’ vol ‘insluiting, opsluiting en uitsluiting’, beperkt hij zich nu tot reguliere diensten. Hij blijft echter wel ondergronds actief. Zijn statige woning wordt voorzien van een schuilplaats. Hanneke Eikema schrijft daarover: “De pastorie was in geen geval leeg. Er verborgen zich daar altijd mensen, gewoonlijk verzetsstrijders die zich verstopten voor de Duitsers. Zoals veel woningen in Nederland had ook dit huis een prachtige schuilplaats. Er werd een luik gemaakt in onze zoldervloer en dat gaf toegang tot een behoorlijk grote ruimte van ongeveer 2 meter bij 1,20 meter, gelegen tussen de zoldervloer en het plafond van de onderliggende verdieping. In de schuilplaats bevond zich wat voedsel en water en een po. Men kon in dat geheime kamertje niet rechtop staan, maar minstens vier mensen konden er wel een zitplaats vinden. (…) Maar iedere keer dat de deurbel klonk was er paniek binnen. Alle mensen die er schuilden moesten snel, maar stil via de eerste en de tweede, krakende trap naar zolder rennen. Daar openden ze dan vlug het luik en sprongen in de schuilplaats. Vervolgens sloot mijn zuster het luik. Ze rolde er een kleed overheen en wandelde kalm -maar opgewonden- de trap af om de voordeur open te doen. In het begin gebeurde dit misschien eens per week, maar naarmate de oorlog langer duurde soms meerdere keren per dag.” Dat er op Westzijde 134 veel mensen in- en uitlopen wekt overigens geen argwaan; een dominee krijgt nu eenmaal het nodige bezoek.

Wie die onderduikers zijn blijft zoveel jaren na de oorlog onduidelijk. Hanneke Eikema verklaart desgevraagd het niet precies te weten. Ze was zelf weinig thuis en dus zelden getuige van de gebeurtenissen daar. “Maar mijn vader zei dat hij veel onderduikers had. Onder anderen mensen die midden in de nacht uit vliegtuigen sprongen. Er waren in ieder geval twee mensen met radio’s bij hem ondergebracht. Een van hen keek altijd vanaf de tweede verdieping naar buiten, om te zien of het veilig was. En volgens mij was er ook een rabbijn uit Amsterdam.”

Haar vader heeft niets vastgelegd over het verbergen van mensen in zijn eigen woning. De enige onderduiker die hij (in een naoorlogse preek) bij naam noemt, is de bekende dichter Wisse Alfred Pierre Smit. Deze verzetspoëzie makende literatuurhistoricus uit Deventer vindt tijdens de hongerwinter een schuilplaats aan de Zaandamse Oostzijde 42b en schrijft in die tijd onder het pseudoniem Evert J. Pot zijn Dagboek onder het kruis. Daarin verwerkt Smit veel van zijn ervaringen als onderduiker. Volgens Eikema bezoekt de hervormde dichter in het laatste oorlogsjaar menigmaal zijn diensten in de nabijgelegen Oostzijderkerk. En het lijkt wel alsof hij deze man in gedachten heeft wanneer hij zijn kerkgangers openlijk oproept om onderduikers te herbergen. “Waar sprake is van onderduikers, daar is allicht een tekort aan recht, een tekort aan vrijheid, een tekort aan menselijkheid. Want daar waar recht heerst, daar waar de mens in vrijheid zich ontplooien kan, daar zal het niet nodig zijn dat de ander vervolgt en verdrukt en dat die ander zich angstvallig schuilhoudt als het opgejaagde wild.” Hij neemt alvast een voorschot op de bevrijding. “Daar zullen straks na de oorlog tientallen van problemen zijn, die roepen om een oplossing. Daar zal het probleem zijn der repatriëring, van het terugbrengen van de vluchtelingen en bannelingen naar patria, naar het vaderland. Daar zal ook het probleem zijn van de onderduikers, wier leven weer zal moeten gaan langs normale wegen. (…) Laten wij dan niet van verre blijven staan, maar helpen waar wij helpen kunnen, uit liefde voor de naaste!”

Eikema is een steun en toeverlaat voor oorlogsslachtoffers. Dwangarbeiders die de mogelijkheid krijgen sturen hem brieven uit het buitenland, hun familieleden zoeken troost. Begin januari 1944 valt er een nieuwjaarswens in de bus van Jaap Reigersman uit Haarlem. “Het oude jaar eindigde slecht voor ons”, schrijft hij. “Vader is weggehaald en zit nu opgesloten in Amsterdam in een éénpersoonscel met vier anderen.” De Inlichtingendienst van de Haarlemse politie heeft eind november een inval gedaan bij Johannes Lohmann, eigenaar-directeur van het Instituut voor Talen- en Handelsonderwijs en hoofdverspreider van het illegale Vrij Nederland. Voor de Duitsers werkende rechercheurs vinden in het Instituut drie namen- en adressenlijsten. Onder druk geeft Lohmann toe dat veel personen op die lijsten onderverspreiders of lezers zijn van Vrij Nederland. Het leidt tot zo’n vijftig aanhoudingen. Een van hen is de substituut-griffier André Reigersman, Jaaps vader. Hij kent Lohmann niet, maar vond wel van tijd tot tijd een VN in zijn brievenbus. Jaap kreeg les van Lohmann, vandaar. De 61-jarige André Reigersman sterft op 5 of 6 februari 1945 in concentratiekamp Bergen-Belsen. Vijftien andere arrestanten komen eveneens in het kamp om het leven.

Onafhankelijk van elkaar zetten de dominee en zijn dochter hun ondergrondse werk voort. Hanneke krijgt meestal ’s avonds te horen waar ze de volgende ochtend instructies en codewoorden kan halen, nodig voor het onderbrengen van joden. Vaak moet ze met kinderen op pad. Reizend per boot en per trein begeleidt ze als ‘Ellie’ de opgejaagden naar een veiliger plek, die nogal eens in Friesland ligt. Het aanbod wordt echter steeds geringer. Het overgrote deel van de joodse bevolking is inmiddels afgevoerd naar concentratiekampen en de overgeblevenen verbergen zich zo lang mogelijk in hun schuilplaats. Bovendien worden de vervoersmogelijkheden steeds beperkter. Hanneke zoekt dan ook in haar omgeving naar nieuwe klussen, in eerste instantie zonder resultaat. Een van de mensen die ze benadert is Jaap Buijs, een topman van het Nationaal Steunfonds. Buijs: “Midden augustus 1944 vroeg ze me of ze kon worden ingezet bij het NSF. Voordat we van haar diensten gebruikmaakten, hebben we inlichtingen over haar ingewonnen.” Zes weken lang schaduwt zijn zoon Cees de koerierster, met positief resultaat. “Deze onderzoeken wezen uit dat ze het jaar daarvoor voor joden en onderduikers had gezorgd en dat ze dat uitstekend had gedaan”, aldus Buijs. Als Hanneke na een bezoek aan Zaandam haar ouderlijke woning uitloopt stapt hij op haar af. “Als je werk wil, volg me dan morgenochtend naar Amsterdam voor een nieuwe baan. Je naam zal Miep zijn”, zegt hij. Een dag later belandt ze op de Leidsegracht 5, de werkplek van Walraven van Hall, alias ‘Van Tuyl’. Van het ene moment op het andere bevindt Hanneke Eikema zich in het brandpunt van de Nederlandse illegaliteit. Op verzoek van bankier Van Hall brengt ze geld rond -één keer vervoert ze zelfs een pakket met ƒ5 miljoen- en zoekt ze naar geschikte vergaderplaatsen voor de samenkomsten van het landelijk verzet. Iedere vrijdagochtend komen negen leiders van onderduik-, vervalsings- en andere organisaties op wisselende locaties bij elkaar. Ze stemmen er hun plannen op elkaar af. Hanneke zorgt voor een verwarmde kamer, eten en drinken.

Bijna vijf maanden lang verloopt alles naar wens. Dan volgt er een arrestatiegolf, het resultaat van verraad in eigen kring. Tot de gevangenen behoort LO-vertegenwoordiger Teus van Vliet. In zijn portemonnee vindt de SD een briefje met de tekst ‘Zaterdag 12.30 Land.W. Lg.’ Het is een verwijzing naar een vergadering van het Landelijk Werkcomité, een van de vele verzetsgroepen waarin Van Hall participeert. Het comité vergadert de 27ste januari op de Leidsegracht (‘Lg.’) 15, vertelt Van Vliet aan zijn ondervrager. Die ochtend neemt de Sicherheitsdienst bezit van het pand. “Op het moment dat ik het huis binnenging sprongen twee enorme Duitsers met machinegeweren op me af, schreeuwend dat ik alles wat ik droeg moest laten vallen”, schrijft Eikema. “De spruiten en de kolen stuiterden over de vloer. Eén van de Duitsers gleed uit over een kooltje en vloekte. Met de loop van een geweer in mijn rug dwongen ze me naar boven te lopen. Toen ik de kamer op de tweede verdieping binnenkwam zag ik vijf mannen op de grond liggen met hun gelaat naar de vloer, handen gevouwen boven het hoofd. Van Tuyl was een van hen.” De mannen worden naar het huis van bewaring aan de Weteringschans gebracht, Hanneke gaat in eerste instantie naar de gevangenis aan de Amstelveenseweg.

Een dag na Hannekes arrestatie moet haar vader een dienst leiden in Koog aan de Zaan. “Het was een koude morgen, een morgen van sneeuw en ijs. De kerk kon wegens de brandstoffenschaarste niet verwarmd worden, en daarom waren wij samengekomen in de consistoriekamer”, herinnert hij zich. “Het was een klein groepje van 35 getrouwen, en tot dat kleine groepje mocht ik spreken over de tekst uit Jacobus 5: ‘Is iemand onder u in lijden, dat hij bidde’. Nood leert bidden, zo hadden wij ons onderwerp genoemd, en terwijl ik daar stond was er in mijn eigen hart een martelende onzekerheid, waarvan niemand der aanwezigen iets kon vemoeden. Want de vorige dag was er bericht gekomen dat mijn jongste dochter in groot gevaar verkeerde. En gedurende de gehele dienst, onder de preek, onder het zingen, ja zelfs onder het gebed, telkens kwam de stille vraag bij mij op: zou ze veilig zijn of zouden de Duitsers haar toch gegrepen hebben? En wat dan? Diezelfde avond kwam er zekerheid: zij was in handen van de SD gevallen en overgebracht naar de Amstelveenseweg. Maar hoe lang zij in arrest zou blijven en of zij het er tenslotte levend af zou brengen, wij wisten het niet.”

Na een kort verblijf in het cellencomplex aan de Amstelveenseweg verhuist Hanneke naar de Weteringschans. Haar geschrokken familie krijgt bericht dat het is toegestaan om eens per week schoon wasgoed te brengen en gedragen kleding mee te nemen. Een verzetsman attendeert de ouders op de mogelijkheid om een potloodje en een naald de gevangenis binnen te smokkelen. Het geeft Hanneke de mogelijkheid om minieme stukjes toiletpapier vol te schrijven en die in de vuile was te naaien. Over en weer verbergen de Eikema’s korte boodschappen in de wasmerkjes. Hanneke leest de berichten van het thuisfront, slaat ze op in haar hoofd en eet de papiertjes dan op om ontdekking te voorkomen. Elke vrijdag rijdt Jan Eikema op zijn fiets met houten banden naar de hoofdstad, een zak met kleding op de bagagedrager. “Ik heb geluk”, schrijft zijn dochter op een dag. “De 45 meest ‘gevaarlijke’ vrouwen zouden naar Duitsland worden gestuurd. Op het laatste moment ging het niet door.” Geallieerde troepen hebben de route afgesloten, waardoor het geplande gevangenentransport onmogelijk wordt.

Daags voor Walraven van Hall en zeven lotgenoten in Haarlem worden gefusilleerd spuwt Jan Eikema publiekelijk zijn gal over de nationaal-socialisten. “Laat ik jullie eerlijk zeggen, dat ik in deze tijd liever niet preek over het woord uit de Bergrede: ‘Hebt uw vijanden lief!’ Niet dat ik het niet erken als de hoogste norm, de hoogste maatstaf, maar ik kan het op dit ogenblik zelf niet. En als ik er zelf niet aan kan voldoen, houd ik het de gemeente ook liever niet voor.” De zondag daarop zit zijn dochter nog altijd in de cel en is niet alleen Van Hall dood, maar heeft ook een andere kennis zijn illegale werk met de kogel moeten bekopen. “Wij denken met grote weemoed aan de voorzitter van de afdeling Amsterdam van de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden, de rechter Mr. W.J.H. Dons, die vorige week gevallen is, een der voortreffelijkste mannen uit de hoofdstad van ons land”, spreekt Eikema vanaf de kansel. Ondanks alles probeert hij zijn kerkgangers te bemoedigen. “Maar als wij ons bedroeven over al dit leed, als wij in opstand komen tegen al deze ellende, laten wij dan bedenken dat hun levensvaart niet vergeefs is geweest. Laten wij bedenken dat zij ondergingen voor het geluk van later stervelingen.”

De bezetter loopt op zijn laatste benen, maar dat geldt tevens voor de bewoners van westelijk Nederland. De hongerwinter eist zijn tol. Ook op de Westzijde is men afhankelijk van de gaarkeuken. Het weinige graan in huis wordt gemalen in de koffiemolen en daarna, aangelengd met water, gebakken in een flintertje varkensvet. Suikerbieten en bloembollen vormen een aanvulling op het rantsoen. Soms krijgen de Eikema’s wat eetbaars via een gemeentelid of kruidenier Simon de Wit, met wie ze bevriend zijn. Zowel de dominee als zijn oudste dochter proberen in landelijk Noord-Holland eten te verzamelen. Erg ver komen ze niet; hun fietsbanden zijn te slecht en er is geen materiaal om ze te vervangen.

De situatie wordt pas minder nijpend wanneer de Duitsers toestaan dat er vanuit Zwitserland en Zweden levensmiddelen naar bezet gebied gaan. “Het Zweedse Rode Kruis had, op aandrang van de Nederlandse regering en met toestemming van Churchill, Roosevelt, Stalin en Berlijn (ja, ja, zo ingewikkeld was het!), meel en margarine naar Nederland gestuurd. Voor elk één wittebrood en (…) 125 gram margarine! Lekkerder gebak dan dit wittebrood heeft geen Nederlander, die de hongerwinter heeft beleefd, daarvoor en daarna ooit gegeten”, meldt een Zaandammer. Onder bewaking van politieagenten varen verzegelde binnenvaartschepen van Delfzijl naar Noord-Holland. Om een eerlijke verdeling van het voedsel aan boord te waarborgen eist het toezichthoudende Rode Kruis dat er plaatselijke comités komen met daarin twee rapporteurs: een medicus en een geestelijke. Voor Zaandam betekent het dat de arts Willem Levend en Jan Eikema zitting nemen in het uitvoerend comité, waarin verder onder anderen de fabrikanten Verkade en Heijn participeren. Eikema heeft er een dagtaak bij.

De comitéleden overleggen op maandag 5 maart 1945 voor het eerst. Secretaris Eikema notuleert dat ‘er controle op de distributie moet worden uitgeoefend door steekproeven en door het bezoeken van winkels, teneinde na te gaan of de distributie op rechtvaardige wijze wordt uitgevoerd en geen goederen worden achtergehouden’. Wekelijks worden er via de regionale Noodorganisatie tienduizenden broden en andere hulpgoederen over de Zaanstreek verspreid. Voortaan kunnen de burgers tegen inlevering van voedselbonnen een vastgestelde hoeveelheid brood, margarine en gort afhalen. Voor Teunis Sneeboer komt de Zweedse Hulpactie, zoals de organisatie zichzelf noemt, te laat. Op de dag dat de comitéleden ten huize van voorzitter Levend worden geïnstalleerd schrijft de 18-jarige Hans Krijt een kilometer verderop in zijn dagboek: “Buurman Sneeboer, die woensdag thuisgebracht werd, is dood. Men kan gerust zeggen dat hij van gebrek aan voedsel overleden is, want zover ons bekend was hij niet ziek en was hij met zijn 76 jaar nog een taaie.” De oude man is een van de naar schatting zeven Zaankanters die bij gebrek aan voedsel de bevrijding niet halen. De inzet van de Zweedse Hulpactie en de Noodorganisatie voorkomt dat het dodental verder oploopt.

Onverwacht wordt Hanneke vrijgelaten, anderhalve week voor de bevrijding. Na een laatste vermanend woord van een gevangenbewaarder en een afgedwongen belofte dat ze zich niet meer met ondermijnende activiteiten zal bezighouden draait de gevangenispoort open. Een toevallig passerende kennis brengt haar op de fiets naar Zaandam. “Mijn familie huilde en lachte, maar zei niet al te veel. Ze waren uitgeput na de lange oorlogsjaren en de intens koude hongerwinter, waarbij ze elke dag worstelden om te overleven. Via een goede vriend ontvingen ze wat rijst, die ik heel langzaam opat om mijn krachten te herwinnen, na het gevangeniseten. Wat ook hielp was een goed bad toen er wat water uit de kraan kwam -wat eens per week gebeurde- en een fijne kam om van mijn luizen af te komen.”

Hoewel door de bevrijding van de rest van Nederland Noord-Holland steeds meer in een isolement komt en de voedseltransporten daardoor weer teruglopen, slaagt de Noodorganisatie er in samenwerking met de Binnenlandse Strijdkrachten in om her en der voorraden bij elkaar te sprokkelen. Het wachten is op de Duitse capitulatie. Op vrijdag 4 mei luistert het gezin Eikema naar Radio Oranje, maar het verlossende bericht blijft nog altijd uit. “Opeens werd er hevig aan de bel getrokken! Er ging een schok door ons heen! Zouden het ongenode gasten zijn, die op het laatste ogenblik de pastorie kwamen doorzoeken? Ja, er was op een verborgen plaats nog heel wat te vinden, wapens, munitie en andere dingen. Wij wachtten langer dan gewoonlijk, en toen wij eindelijk aarzelend opendeden, klonk ons de verrassende boodschap tegen dat de capitulatie, de overgave van Nederland, Denemarken en Noord-West-Duitsland zaterdagmorgen om 8.00 uur een feit zou zijn! Onwezenlijk en toch waar!” Ondanks de avondklok lopen vele honderden gelukkige mensen de straat op en steken ze vlaggen uit. Duitse soldaten herstellen de orde, voor de laatste keer.

Westzijde 134, 5 mei 1945 (collectie Heddy Eikema)
Het huis van de familie Eikema in mei 1945

Die zondag houdt Jan Eikema zijn eerste preek in vrijheid. ‘Verblijdt u!’, luidt de aanhef van wat een jubeldienst zal worden. “Die aansporing is voor óns niet nodig. Want onze harten zijn boordevol van blijdschap. Hoe kan het ook anders! Na vijf jaar van ontzaglijk zware druk eindelijk de dageraad der bevrijding, eindelijk weer de mogelijkheid dat wij vrijuit kunnen spreken en vrijuit kunnen luisteren”, houdt hij zijn 805 toehoorders in de Westzijderkerk voor. En strijdbaar, als om de voorgaande jaren extra cachet te geven: “Wij vrije protestanten, wij Nederlanders, wij knielen alleen voor God! Wij knielen niet voor een afgod, niet voor Mammon of Mars, niet voor een altaar, niet voor een kruisbeeld, van hoe grote betekenis het kruis in ons leven ook moge zijn, niet voor de staat, wanneer die regeren wil over onze diepste zielenroerselen, niet voor een volk, niet voor een mens, niet voor een idee! Wij knielen alleen voor God. Maar dan ook knielen wij in diepe ootmoed en met volledige overgave!”

Dominee Jan Eikema
Jan Eikema op oudere leeftijd 

Vrijgevochten: de Zaanstreek in de Tweede Wereldoorlog (3)

6 apr

Tot de meidagen van 2015 publiceer ik op deze plek wekelijks een longread over een Zaanse verzetsstrijder die tussen 1940 en 1945 van landelijk of zelfs internationaal belang was. Na de bevrijding raakten ze in de vergetelheid. Door hen hier te portretteren hoop ik ze weer een beetje zichtbaar te maken. De zes verhalen zijn, aangevuld met voetnoten en namenindex, ook te lezen in mijn boek Vrijgevochten. Zaans verzet in nationaal perspectief (1940-1945). Het is hier te bestellen.
In deel 3 van deze korte serie een portret van Andreas Wilhelmus Maria Ausems.

Artsenzoon André Ausems brengt zijn jeugdjaren door in Utrecht. Na de lagere school gaat hij naar het gymnasium, maar drie jaar later geeft hij de hoop op het eindexamen te halen. Hij stapt over naar de ambachtschool, maar ook daar komt hij niet ver. Als hij 17 is verhuist hij naar Amsterdam. In 1927 wordt hem daar het diploma overhandigd van de middelbare technische school. Dré hoeft niet het leger in, wegens broederdienst. In plaats daarvan werkt hij bij enkele fabrieken, om in 1929 over te stappen naar Philips in Eindhoven. Daar ontmoet hij de uit Den Helder afkomstige documentaliste Pauline Redeke (1904). Ze trouwen op 29 december 1931 in hun woonplaats Gouda en krijgen de jaren daarna vier kinderen, drie jongens en een meisje. De jongste zoon verdrinkt overigens in 1941, nog geen 2 jaar oud.

Na drie jaar te hebben gewerkt bij de Nederlandse Ovenbouwmaatschappij begint Ausems begin 1934 in Bolsward een fabriekje in dakpannen. Het wordt geen succes. De concurrentie van grote fabrieken maakt dat hij het bedrijf al na drie jaar moet sluiten. In de jaren dertig werkt Ausems als assistent-bedrijfsleider bij de vliegtuigfabriek van Frits Koolhoven in de Rotterdamse Waalhaven. In 1938 verhuist het gezin Ausems naar de Jacob Honigstraat 18 in Zaandijk. De reden is alweer een nieuwe baan, dit keer als technisch beambte bij Fokker op Schiphol.

In september 1942 slaat Ausems op de vlucht, na op zijn werk door de Duitse bedrijfsleiders te zijn ontmaskerd als saboteur. Hij duikt onder, doet verzetswerk en vertrekt in het najaar van 1943 voor de Raad van Verzet naar Engeland. In maart 1944 is hij terug in Nederland, nu als geheim agent van het Nederlandse Bureau Inlichtingen. Hij slaagt er in om boodschappen over te brengen van de Nederlandse regering in ballingschap en een illegaal radionetwerk op te bouwen. Tot aan de bevrijding blijft hij op verschillende plaatsen actief binnen de illegaliteit. Daarna vertrekt hij met een aantal collega’s van het Bureau Inlichtingen en andere militaire organisaties naar Ceylon. Het is de bedoeling dat dit Korps Insulinde assisteert bij het verdrijven van Japan uit Nederlands-Indië. Door de internationale ontwikkelingen komt het daar niet van en begin 1946 is Ausems terug in Zaandijk. Hij treedt weer in dienst bij Fokker. Als gevolg van ziekte overlijdt de rooms-katholieke Andreas Wilhelmus Maria Ausems, voorzien van het sacrament der stervenden, op 31 mei 1955 om kwart voor twee ’s nachts, slechts 50 jaar oud.

Andreas W. AusemsAndreas Ausems

1.

In de nacht van 29 februari op 1 maart 1944 stijgt aan de Engelse Oostkust een militair vliegtuig op. Het zet koers richting Nederland. Aan boord bevinden zich niet alleen de reguliere bemanningsleden, maar ook twee agenten van het in Londen opererende Bureau Inlichtingen: Andreas Ausems en Jacques van Loon. Hun doel is het vlakbij de Belgische grens gelegen Rijsbergen. Onopgemerkt door de Duitsers belandt het vliegtuig na een vlucht over de Noordzee en Zeeland boven Noord-Brabant. Boodschapper Ausems en marconist Van Loon staan op en controleren voor de laatste keer hun parachutes. Om het toestel te verlaten maakt het duo gebruik van een 2,5 meter lange glijbaan, die hen -in tegenstelling tot een duik uit de zijdeur- direct in een verticale positie brengt. Het vergroot de kans op een geslaagde landing, geen overbodige luxe bij een sprong vanaf slechts vijfhonderd meter hoogte. Als het luik opengaat staan Ausems en Van Loon klaar. Ze kijken naar de lamp in het laadruim, het teken wanneer te springen. Het licht blijft uit. Een schreeuw van een bemanningslid maakt duidelijk dat het evengoed tijd is. Twee, drie seconden te laat springen ze uit het vliegtuig. Ausems glijdt als eerste de duisternis in, onmiddellijk gevolgd door Van Loon.

De vlucht duurt kort, de landing op vaderlandse bodem is stevig. Het duo komt zo’n honderd meter van elkaar neer op boerenland. Van Loons parachute blijft haken aan het dak van een boerderij. Het levert de nodige problemen op om de lap stof los te maken zonder iemand te wekken of schade te veroorzaken. Hij worstelt met de zijde. Tot zijn ongerustheid hoort of ziet hij Ausems niet. Zodra Van Loon zijn valscherm zo goed en zo kwaad als dat gaat heeft opgevouwen, besluit hij de Zaandijker te zoeken. De marconist vindt hem, zittend op de koude landbouwgrond. Ausems is tijdens de landing hard gevallen. Het duurt even voor hij bij zijn positieven is. Dan krabbelt hij overeind, raapt zijn parachute bij elkaar en zegt tegen zijn Brabantse medespringer: “Laten we maar gaan. Jij weet de weg.”

Het pak met hun materialen is op een zandweg gevallen. Rechtop staand wacht het de komst van de eigenaars af. De meegenomen radiozenders hebben de klap op de grond overleefd en ook twee koffers zijn heelhuids neergekomen. Hetzelfde geldt voor een kistje met twee postduiven. De vogels moeten het Bureau Inlichtingen melden dat de aankomst veilig is verlopen. Omdat ze te veel spullen bij zich hebben om in één keer mee te nemen proberen Ausems en Van Loon hun parachutes en zenders te begraven. Dat mislukt. Het vriest en de aarde is te hard om een kuil te maken. De tijd begint te dringen; nog een paar uur en het wordt licht. Ze besluiten de parachutes in het veld te verbergen. Van Loon beklimt een van de vier hooibergen naast de boerderij, zoekend naar een alternatieve bergplaats voor de zenders en enkele eveneens meegevoerde fietsbanden, in Nederland inmiddels een gewild artikel. Ze krijgen een tijdelijke plek onder de bovenkap. Ausems neemt vervolgens de koffers ter hand, Van Loon loopt met getrokken revolver en de duivenkooi voor hem uit in noordelijke richting, langs de rand van het Mastbos.

Zo’n vijftien kilometer verder bevindt zich Sjef Adriaansen. Deze BI-agent is twee maanden eerder samen met zijn collega Harm Steen in Nederland gearriveerd. Adriaansen is in afwachting van het tweetal. Hij heeft zijn intrek genomen bij de familie Van Nunen, die in Princenhage een rijwiel- en motorhandel beheert. Probleem is dat hij weliswaar al in februari vanuit Londen te horen heeft gekregen dat er bezoek op komst is, maar niet waar of wanneer de dropping plaatsvindt. Hij kan beide agenten dus niet terzijde staan. Hun zoektocht in het donker is zwaar. Hoewel Ausems en Van Loon elkaar afwisselen bij het dragen van de koffers hebben ze uren later nog altijd geen opvangadres in zicht. Uitgeput en verkild besluiten ze de bagage achter te laten in een greppel. Met dode bladeren worden de koffers aan het zicht onttrokken. Ze proberen ter plekke een briefje te schrijven en dat in het kokertje aan de poot van een postduif te stoppen. Het lukt niet. Hun handen zijn te verkrampt om een fatsoenlijke tekst op papier te krijgen. De twee duiven stijgen op voor een zoektocht naar hun Engelse thuisbasis, maar zonder een boodschap mee te nemen.

De twee mannen vervolgen hun tocht en bereiken in de vroege ochtend de winkel van de familie Van Nunen. Het in Engeland opgegeven adres is moeiteloos te herkennen: aan de gevel van hun zaak hebben de broers Van Nunen een uithangbord gehangen met daarop in grote letters het rijwielmerk Sparta. Het is voor BI-hoofd Jan Somer, die in maart 1942 hulp van de fietsenmakers kreeg bij zijn ontsnapping uit Breda, reden geweest hen tot ‘Spartanen’ te benoemen en vanuit Londen in te schakelen bij een reeks illegale werkzaamheden. Bij een verkenning in de omgeving van het huis zakt Van Loon door het deksel van een beerput en verdwijnt half in de mest. Ausems wekt Sjef Adriaansen en Rinus van Nunen, die de besmeurde Van Loon voorzien van schone kleding. Besloten wordt om de koffers meteen uit het Mastbos te halen, terwijl het nog donker is. De rest van de spullen wordt ’s avonds opgepikt, zij het niet zonder moeite. Boer Van Beek heeft ’s ochtends de in zijn hooiberg verborgen goederen gevonden en geeft zijn kostbare buit pas prijs onder dreiging van revolvers.

Ausems is daar overigens niet bij. Na een uurtje te hebben gerust voorziet hij Van Loon die ochtend van ƒ5000,- en de boodschap dat hij contact gaat zoeken met de Raad van Verzet. Dit leefgeld voor Van Loon, een gelijke hoeveelheid voor Ausems en ƒ90.000,- voor de RVV, is afkomstig van het Bureau Inlichtingen. Adriaansen wil ook geld, maar krijgt dat niet. Volgens Ausems heeft hij nog genoeg over van het bedrag dat hij meekreeg bij zijn vertrek naar Nederland. Hij zegt te hopen binnen enkele dagen te kunnen terugkeren naar Princenhage en vertrekt vervolgens per geleende fiets naar zijn broer -eveneens actief in het verzet- in het nabijgelegen Goirle. Daar haalt hij een oud document op dat melding maakt van zijn baan bij Fokker, overlegt met de plaatselijke verzetsleider Wim de Kort en geeft ƒ10.000,- in bewaring bij de douanebeambte D.J. Duivenvoorde, met de mededeling dat die er desgewenst geld van kan afhalen voor zijn eigen illegale werkzaamheden.

Het is de tweede keer in korte tijd dat er radio-apparatuur en een flinke stapel bankbiljetten uit Engeland komt. Een door Harm Steen en Sjef Adriaansen meegenomen zender en zo’n ƒ60.000,-, bestemd voor de landelijke verzetsleider Walraven van Hall, zijn al eerder naar Princenhage gebracht. Op een zondag nemen de aan het verzet verbonden Zaandamse politieagenten Robert Pel en Folkert Brandsma de trein naar het zuiden. Het kost hen enige tijd voor ze, lopend vanaf het station in Breda, het adres van de gebroeders Van Nunen vinden. Daar gearriveerd verdwijnt de zendinstallatie in enkele koffers en gaan de twaalf pakken met biljetten onder de politie-uniformen en in de sokken. Ook de terugweg verloopt voorspoedig. Pel: “Het raam van de coupé was open. Afspraak was dat als iemand erg lastig zou worden met controleren wij hem bij de benen zouden grijpen om hem het raam uit te gooien. Er is niets gebeurd; er was geen controle.” De bagage bereikt ongeschonden de Zaanstreek, waar het verdeeld wordt over enkele betrouwbare adressen. Jan Hendrik op den Velde, de chef-Technische dienst van de OD en BI-contactman, neemt de radiozender in gebruik. Vanuit zijn werkplaats op de Zaandamse Westzijde stuurt hij dagelijks berichten naar Londen. Een buurman, dominee Jan Eikema, codeert de berichten en ontcijfert de boodschappen die het Bureau Inlichtingen in Londen op haar beurt naar Nederland stuurt. Aanvullende hulp komt van Harm Steen, die afwisselend onderdak krijgt bij Op den Velde, Hendrik Fris en Pauline Ausems. Steen kan bovendien in de relatief rustige Zaanstreek de komst van Dré Ausems afwachten.

2.

Na in Goirle te hebben overnacht belt Ausems op 2 maart zijn vriend Jan Hendrik op den Velde, alias ‘Hein’. Hij nodigt zichzelf en zijn vrouw uit voor het avondeten. ’s Middags neemt hij vanuit Tilburg de trein naar Zaandam. Bij de stationsuitgang wordt de reizigersbagage gecontroleerd, maar Ausems ondervindt geen problemen. Vanaf het station loopt hij naar Westzijde 140, gewapend met zijn koffer, geld en identiteitsbewijs. Wat hij niet weet is dat de Sicherheitspolizei diezelfde middag een inval heeft gedaan op zijn gastadres. “Bij Hein stond de deur open, hetwelk op dat uur van de dag meer voorkomt en dus niets vreemds was”, zal hij later verklaren. De fiets van negenendertig [Ausems’ echtgenote, die werkt onder de codenaam P39, E.S.] stond in de gang, ik wist dus dat deze eveneens in huis was.” Pauline is vanuit Zaandijk naar de Westzijde gereden, na eerder die dag door Fine op den Velde voor een etentje te zijn uitgenodigd. Een derde teken dat de kust veilig is, is de kamerlinde die Dré Ausems in de vensterbank ziet staan. Hij heeft voor zijn vertrek naar Groot-Brittannië met Fine afgesproken dat ze bij onraad de grote plant verwijdert. De Sipo-inval is echter dermate snel verlopen dat Fine alleen nog de vitrage heeft kunnen dichttrekken, iets dat Ausems niet opvalt.

De aanleiding voor de Duitse inval is een eerder bezoek van Jan Hendrik op den Velde aan een Haags OD-adres dat door de Sicherheitsdienst in de gaten wordt gehouden. Op weg naar huis is de Zaandammer geschaduwd. Toen het de Duitsers duidelijk werd dat hij een handel in radio-artikelen had, was er voldoende aanleiding om zijn telefoongesprekken af te tappen en vervolgens binnen te vallen op de Westzijde.

Zodra Dré Ausems de huiskamer op de eerste verdieping binnenstapt, weet hij een pistool op zich gericht en krijgt hij het bevel op een stoel plaats te nemen. “Hier zat men drie man sterk van de SD te wachten. Verder waren nog in de kamer Fine en Van Tilburg. Fine kon zich vrij bewegen, Van Tilburg zat in een stoel met een handboei aan de leuning waarop ze een kleedje hadden geworpen. Voor hem stond een telegrafische zender op de grond.”

De geschrokken, maar uiterlijk onbewogen Ausems wordt onmiddellijk aan een verhoor onderworpen. Hij vertelt in het Duits dat Pauline en hij bevriend zijn met de Op den Veldes en voor het diner komen, zoals wel vaker. Zijn vrouw is vanaf huis gefietst, hijzelf komt rechtstreeks van de Fokkerfabrieken in Amsterdam-Noord. Ontspannen antwoordend haalt hij zijn pijp en een doosje lucifers tevoorschijn, in een poging een van de uitgeholde lucifers aan te steken en zodoende enkele daarin verborgen microfoto’s te verbranden. De poging mislukt, aangezien de Sipo overgaat tot fouilleren. Ausems maakt hulpvaardig zijn zakken leeg, waarin niets bezwarends zit. Hij strekt zijn armen uit, het lucifersdoosje nog steeds in zijn hand houdend, en laat zich door een van de Duitsers aftasten. Vervolgens opent hij op bevel zijn koffer. Hij toont zijn identiteitsbewijs en het document waarin staat dat hij bij Fokker werkt. Ausems: “Daarop ging die mof door in de veronderstelling dat een vreemde niet thuis zou zijn in de vliegtuigbouw en vroeg of Fokker ook vliegtuigen bouwde of reparaties verrichtte aan JU 52-toestellen. Daarop wist ik goed te antwoorden. Dus hij dacht dat de papieren en de man echt waren.” De werktuigbouwkundige pakt vervolgens zijn regenjas, met daarin het RVV-geld, hangt het kledingstuk over zijn arm en geeft de Sipo-agent gelegenheid om de verdere kofferinhoud te onderzoeken. Het uitgebreide onderzoek levert geen wapens op; Ausems heeft zijn pistool achtergelaten in Princenhage. Zijn jas ontsnapt aan de aandacht, tot grote opluchting van de eigenaar: “Ik heb ‘m geknepen als de ziekte!” Nog zijn hij en Pauline niet veilig. Fine op den Velde wordt uit het achterhuis gehaald en ondervraagd over Ausems’ verhaal. Zij bevestigt de eetafspraak en wordt weer naar achteren gebracht. Dré en Pauline moeten daar eveneens wachten. “Men meende uit een telefoongesprek van ca. 6 uur des namiddags te hebben opgemaakt dat er twee belangrijke personen moesten komen en wij moesten wachten om te zien of wij deze mensen waren. In de achterkamer heeft negenendertig toen zo het een en ander tussen de kleren verborgen en om 10 uur mochten wij gaan, nadat ik nog eens apart verhoord werd. O.a. vroeg men toen of ik niet een Jopie kende. Vervolgens of ik niet Andries genoemd werd.”

Na twee uur zenuwslopend afwachten krijgt het echtpaar Ausems de vrijheid terug. Samen fietsen ze naar hun Zaandijker woning, op korte afstand gevolgd door een Sipo-medewerker. “Ook in de straat stond iemand te wachten. Ik nam dus aan dat dit de SD was, die moest controleren of wij werkelijk daar thuis hoorden.” Thuisgekomen verbrandt de benauwde geheim agent onmiddellijk alle uit Londen meegenomen microfoto’s in zijn kachel. Zijn verzetsrelaties geeft hij te kennen dat ‘voorlopig alle werk stilgelegd diende te worden’. “Ze hadden maar naar Fokker op te bellen om te weten te komen dat ik daar niet meer werkte”, verklaart Ausems na de oorlog.

Later die avond worden Jan Hendrik en Fine op den Velde afgevoerd. Ze gaan een lange lijdensweg tegemoet. Via het Oranjehotel te Scheveningen, het Groot Seminarie in Haaren -van waaruit hij nog diverse malen boodschappen voor het verzet weet te smokkelen-, kamp Vught en Sachsenhausen komt Op den Velde uiteindelijk terecht in het Duitse concentratiekamp Gross-Rosen. Daar sterft hij, op 31 december 1944. Zijn vrouw overleeft haar gevangenschap wel en mag na enkele maanden terug naar huis.

Ausems overnacht in zijn eigen woning aan de Jacob Honigstraat. “De volgende morgen ben ik op de tijd dat ik vroeger naar de fabriek ging weggegaan en heb in Amsterdam iemand opgezocht om de anderen te gaan waarschuwen. Reeds vanaf thuis heb ik iemand naar de Spartanen gestuurd.” Op zaterdag 4 maart is hij weer in Princenhage, na een barre fietstocht vol sneeuwbuien en lekke banden. Hij geeft Adriaansen opdracht een telegram naar Londen te zenden waarin gewag wordt gemaakt van de arrestaties twee dagen eerder. Adriaansen en Van Loon wantrouwen de Zaankanter inmiddels. Ze vinden het verdacht dat hij is ontsnapt aan arrestatie, zijn filmmateriaal heeft verbrand en bovendien tegen de veiligheidsregels in onderdak zoekt bij familie. Bovendien is er over en weer wrevel over de verdwijning van uit Londen meegenomen kleding en geld en het al dan niet opvolgen van instructies. Ausems bemerkt de spanningen en besluit het Brabantse duo uit elkaar te halen. Hij gelast Van Loon naar een bevriende arts in het vijftig kilometer oostelijker gelegen dorp Bakel te gaan. Het bevel roept weerstand op. Van Loon heeft tijdens Ausems’ afwezigheid de lokale kruidenier Sjef Saenen ontmoet, die hem een verblijfs- annex zendadres aanbiedt. Ausems is echter onvermurwbaar.

Begeleid door politieman Willem van Nunen -die in geval van nood kan simuleren een arrestant te vervoeren- vertrekt Van Loon met zijn zender per taxi naar Bakel. De arts daar heeft wel een slaapplaats beschikbaar, maar in eerste instantie is er geen geschikte seinlocatie te vinden. De gastheer slaagt er echter in om draad van telefoonpalen in de omgeving te knippen. Daarmee wordt een antenne gefabriceerd. Van Loon kan beginnen met zijn seinwerkzaamheden voor Ausems. Erg lang duurt zijn werk niet. Binnen de kortste keren weet heel Bakel dat de nieuwkomer in het dorp illegaal bezig is. Na door de directeur van de plaatselijke melkfabriek te zijn gewaarschuwd dat er een arrestatie op komst is, verlaat Jacques van Loon in allerijl zijn schuilplaats en begeeft hij zich alsnog naar Sjef Saenen in Princenhage. Daar blijft hij tot op 14 juli 1944 Adriaansen wordt uitgepeild en gearresteerd. Van Loon vertrekt naar een veiliger adres en verliest het contact met zijn chef Ausems. Eind oktober 1944 maakt hij in Breda mee hoe geallieerde eenheden de stad bevrijden.

3.

Andreas Ausems is een exponent van het vroege verzet tegen de nazi’s. Uit protest tegen de groeiende invloed van de NSB wordt hij lid van de in juli 1940 opgerichte Nederlandsche Unie, een vergaarbak van andersdenkenden en een halfslachtige poging om tegenwicht te bieden aan de bezetter. De houding van de nieuwe partij wordt overigens door de Duitsers na anderhalf jaar bestraft met een verbod van alle Unie-aktiviteiten. Maar tot het laatst toe colporteert Ausems met het Unie-blad en helpt op die manier mee om de organisatie te doen uitgroeien tot de grootste politieke beweging in de vaderlandse geschiedenis. “Het was opmerkelijk hoe het ledenaantal toenam. Zelfs zo, dat het registreren bijna onmogelijk werd. De meest verkochte nummers waren ‘Waar wij staan’ en het nummer waarin het programma der NSB en dat van de NSDAP naast elkaar afgedrukt stonden, waaruit bleek dat een en ander woordelijk gelijkluidend was”, vertelt hij drie jaar later tijdens een verhoor in Engeland. Na de opheffing van de Unie komen sommige leden clandestien bij elkaar in zogenaamde studiegroepen. Ausems: “Bij die besprekingen had ik toch het gevoel dat wij niets konden doen, doch aan de andere kant leerde je door al die gedachtewisselingen elkaar uit allerlei kringen beter begrijpen. Ook wist men wie betrouwbaar was en leerde je elkaars gevoelens. Hierdoor is dus een mogelijkheid tot samenwerken ontstaan.”

Het colporteren voor de Nederlandsche Unie doet hij naast zijn baan als werktuigbouwkundige bij Fokker op Schiphol. Hij werkt daar sinds 1938. In oktober 1940 gaat hij over tot sabotage van de werkzaamheden ter plekke. Op zijn kantoor ‘vergist’ hij zich nogal eens bij het verwerken van opdrachten voor de Luftwaffe, met vertraging in de aflevering van onderdelen als resultaat. Daar blijft het niet bij. Hij verzamelt Fokkers bedrijfsgeheimen met het oogmerk die via de illegaliteit naar Engeland te sturen. De Amsterdamse schillenboer Cornelis Hoeve steekt hem de helpende hand toe, door hem in contact te brengen met Klaas Schilp. Deze onderdirecteur van de Amsterdamse reinigingsdienst heeft radiografisch contact met Londen. De uitwisseling verloopt elf maanden lang naar beider tevredenheid. Wanneer Schilp in september 1941 per motorboot de Noordzee oversteekt neemt Jan Bijl het zendverkeer over.

Emotioneel hebben Dré en zijn echtgenote Pauline het zwaar, vooral door de plotselinge dood van hun zoontje, een jaar eerder. Ausems is die noodlottige dag bezig om foto’s te maken van zijn vier kinderen. Zijn schoonouders zijn veertig jaar getrouwd en hij wil hen de kiekjes kado doen. “6 juli 1941 (zondag) ’s middags rond 4 uur verdronk onze jongste. Naam: Paul Maria A[usems], geboren 25 aug. 1939. Ik zelf heb hem uit het water gehaald, gewaarschuwd zijnde door buren dat er een kind te water was geraakt. Ik zelf heb zijn kistje gemaakt en dinsdagavond 8 juli heb ik hem er in gelegd. Voordat ik het sloot hebben mijn vrouw en ik zijn speelgoed aan het voeteneind van de kist gelegd. (…) Over dit uur hebben mijn vrouw en ik later nooit gesproken.”

Als in 1942 de jodenvervolging van start gaat verbergt Ausems joodse kinderen in zijn woning. Hij staat overigens ambivalent ten opzichte van deze bevolkingsgroep. “Er zijn natuurlijk ook goede, doch er zijn er die verbazend indringerig zijn, mopperen over de kinderen en het eten en de huiselijke regelen naar hun wensen willen hebben en er niet over denken dat zij zich volgens de huiselijke regelen van dat gezin hebben te gedragen. Ik heb zelf twee joodse jongens en 1 joods meisje in huis gehad. Mijn vrouw, die geen dienstmeisje had, moest hen de gehele dag nalopen en kreeg geen medewerking. Zij zijn onvoorzichtig door het schrijven van brieven aan elkaar, waarin zij uitvoerige gegevens vertellen over de familie waar zij ondergebracht zijn. Hierdoor zijn ook mensen verongelukt”, schrijft hij later in een notitie voor de Nederlandse inlichtingendienst. “Aan de andere kant heb ik ook joden ontmoet die zeer goed en sympathiek zijn, doch zij vormen de grote minderheid van de ondergedokenen. Wanneer je aan illegaal werk doet, dan ben je bang voor een jood. Je helpt hen dan niet meer en heb je een slaapadres nodig, dan informeer je eerst of er een jood verborgen gehouden wordt. Het is zeer erg wat de joden wordt aangedaan, doch je moet ook voor de veiligheid van je eigen familie zorgen en daarom kan je ze dan niet meer helpen. Een en ander is mijns inziens de schuld der joden zelf en niet het gevolg van de Duitse of NSB-propaganda.”

Het onderbrengen van joodse kinderen en het verzamelen van bedrijfsgegevens verloopt maandenlang zonder al te grote problemen. Van tijd tot tijd levert Ausems informatie af bij Jan Bijl, die er dankbaar gebruik van maakt. De latere RVV-man Marinus Boeree maakt na de oorlog enkele aantekeningen over Ausems inlichtingenwerk gedurende die eerste oorlogsjaren. “Zo werd regelmatig geseind tot mei ’42. Bijl was een man die wel hield van uitgaan en hij heeft daardoor vermoedelijk niet voldoende gezwegen. Hij werd gearresteerd. Ausems bleef doorgaan met het verzamelen van inlichtingen over Werkspoor, Fokker, Droogdokmaatschappij en Ned. Scheepsbouwmaatschappij. De belangrijkste vraag was: wat bouwen de Duitsers en waartoe moet dit dienen? Door de arrestatie van Bijl ging dit contact voor Ausems verloren. Hoeve was reeds in het najaar van ’41 gegrepen wegens clandestien slachten.” De Duitse bedrijfsleiders ontdekken Ausems’ obstructiewerk bij Fokker. Boeree: “In september ’42 kreeg Ausems een waarschuwing. Bijl zat in dezelfde cel met Mierloo, dir. Gasfabriek Tilburg. Deze zat maar kort, wegens een onbelangrijke zaak, en Bijl gaf hem bij diens ontslag veel boodschappen mee, o.a. dat men de gehele Zaanstreek wilde uitkammen.” De ingenieur verlaat zijn woonplaats. “Hij kwam daarop in aanraking met een verzetsgroep met een eigen zender en het gelukte hem de opgespaarde gegevens te spuien.”

Via zijn ondergrondse contacten vindt Ausems een geschikte schuilplaats. “Ik kwam in de buurt van Amersfoort terecht op een of andere boerderij, waarvan de boer in connectie stond met Jan Brouwer, een veehandelaar uit Baarn en een bekend aanloopadres voor alle mogelijke legale en illegale dingen uit die tijd”, is het enige dat Ausems over zijn vlucht uit Zaandijk heeft verteld. Brouwer heeft een boerderij aan het Zuidereind 13 in Baarn en verbergt daar behalve Ausems en tal van andere verzetsmensen ook een radiozender.

De Zaandijker vertoeft maandenlang bij deze boer. Hij brengt brieven rond voor het plaatselijke verzet en verricht wat onderzoek. In januari 1943 ontmoet hij in de woning van de veehouder een andere illegaal werker, ‘Lange’ Jan Thijssen. De twee kennen elkaar sinds de jaren dertig, toen ze lid waren van de zweefvliegclub Teuge. Thijssen wil verspreid over het land radiozenders installeren, om zowel het binnenlandse verzetsnetwerk als de contacten met Engeland te versterken. “Brouwer zei toen: ‘Dan heb ik de geschikte vent in de buurt zitten!’ Hij haalde mij en zo ontmoetten wij elkaar weer”, vertelt Ausems.

Thijssen is dag en nacht bezig met zijn zelfbenoemde verzetstaken, een grondhouding die Ausems waardeert. Hij heeft voor de oorlog in opdracht van de PTT clandestiene radiozenders getraceerd en uitgeschakeld. Zijn hierbij opgebouwde kennis van zaken komt nu goed van pas bij het bouwen van een landelijk radionet voor de Ordedienst. Op de zolder van zijn Bussumse woning vindt voorjaar 1942 de eerste proefuitzending plaats van deze Radiodienst in wording en in september van dat jaar wordt er in Amsterdam een gespecialiseerde werkplaats ingericht. Zijn chef-marconist wordt collega-PTT’er Ton van Schendel, net als Thijssen een gedreven ondergronds medewerker.

Jan Thijssen staat klaar om de Radiodienst te gebruiken ten bate van de voltallige illegaliteit, maar stuit op een veto van OD-leider Pieter Jacob Six. Die wil zijn mannen en materiaal pas inzetten op het moment dat de geallieerden aanvangen met de invasie van Nederland. Het is Thijssen tegen het zere been. Hij wil de vijand onmiddellijk te lijf gaan en besluit daarom zijn eigen plan te trekken. ‘Zijn’ Radiodienst -die eigenlijk de Ordedienst toebehoort- moet en zal beschikbaar komen voor alle illegale organisaties, niet alleen de OD. Verder wil hij radiocontact leggen met de regering in ballingschap en een nieuwe, actieve verzetsorganisatie opzetten, als tegenwicht tegen de afwachtende Ordedienst. Het lukt Van Schendel om een zender en de bijbehorende codegegevens in handen te krijgen, nodig om contact te krijgen met Londen. Dat gebeurt tot ergernis van Six buiten de Ordedienst om, waarvoor de nieuwe zendapparatuur eigenlijk bedoeld is. De overname heeft echter Thijssens instemming.

Al plannenmakend loopt Thijssen dus begin 1943 zijn oude kennis Dré Ausems tegen het lijf. “Wij hebben toen het inrichten van zendkringen op ons genomen”, zegt Ausems. “Het opsporen van een goed adres, waar de antenne behoorlijk kon uithangen zonder dat het in de gaten liep en waar de mogelijkheid was om te vluchten. Het ging er dus om de buurt te bekijken. Hebben wij daar contact? Kunnen wij daar in de buurt slapen en eten krijgen? Dan kwam uiteindelijk het overbrengen van het toestel en het aanwezig zijn wanneer gezonden werd. Op zo’n zenddag kwam Ton van Schendel en zei: ‘Ga mee, Andries, ik heb boodschappen!’ Dan stapten wij op de fiets en werd er gewerkt.” In korte tijd weet het drietal met uit de Philips-fabrieken gesmokkelde radio-onderdelen een uitgebreid binnenlands netwerk op te bouwen. Vanuit Amsterdam kan door middel van codetelegrammen een dozijn zendposten worden bereikt.

Ausems krijgt de titels ‘commandant radiogroep-West buitenland’ en ‘algemeen vertegenwoordiger radiogroep-West binnenland’. In die hoedanigheden vergadert hij regelmatig met de top van de Radiodienst. De eerste keer gebeurt dat in een koffiehuis bij het treinstation van Amersfoort, maar om veiligheidsredenen worden de bijeenkomsten verplaatst naar een woning. Het gezelschap oefent op coderingen, bespreekt de techniek en breidt het netwerk uit. Van Schendel: “Vanzelfsprekend moesten de medewerkers ook van de nodige ‘papieren’ worden voorzien. Het geleek op sommige bijeenkomsten bij ‘Johan’ een ware centrale van vervalsingen. Nagemaakte stempels van alle mogelijke Duitse instanties en Nederlandse staatsbedrijven lagen op tafel. Fotografische vergrotingen van bepaalde formulieren moesten worden nagemaakt, waarvan later clichés werden gemaakt, drukproeven, enz. enz. (…) De resultaten waren dikwijls zó frappant, dat de papieren niet van echt waren te onderscheiden.”

Uit onvrede over de afwachtende houding van de Ordedienst ontstaat in april 1943 de Raad van Verzet. De oprichtingsvergadering in Amersfoort wordt bijgewoond door zeven jonge mannen, onder wie de motor van de nieuwe organisatie: Jan Thijssen. “Reeds geruime tijd heeft het Nederlandse volk, en in bijzonder hebben de illegale werkers, het ontbreken gevoeld van een centraal lichaam dat inzake het algemene verzet van het Nederlandse volk leidinggevend vermocht op te treden”, klinkt het in het RVV-Bulletin dat begin juli 1943 verschijnt. “Om in deze ernstige leemte te voorzien, heeft het merendeel der in ons land optredende verzetsorganisaties besloten gezamenlijk zitting te nemen in de Raad van Verzet in het Koninkrijk der Nederlanden. Het doel van de RVV is: coördinatie van het daadwerkelijke verzet in Nederland door centrale vastlegging van de tijd, de plaats, de methode en de aard van het verzet.” De mededeling is pretentieus en onjuist. Slechts een enkele verzetsorganisatie heeft kort tevoren positief gereageerd op een uitnodiging om de nieuwe beweging een coördinerende rol te gunnen. In die situatie zal de verdere oorlog nauwelijks verandering komen. Wel ontstaan er verspreid over Nederland tal van RVV-kernen en -groepen. De Zaanse afdeling krijgt een stevige invloed op de gang van zaken.

Via de door hem geconfisqueerde OD-zender stuurt Jan Thijssen op 2 mei 1943 een telegram naar Londen. Hij maakt daarin melding van de april-meistaking die dan in Nederland gaande is. Thijssen is de eerste die de werkonderbreking noemt en hij laat ook weten dat de RVV de bevolking heeft aangemoedigd om de staking te steunen. “Noem Raad van Verzet”, luiden de laatste woorden van zijn lange telegram. Hij hoopt dat de regering bereid is om via Radio Oranje de oproep van zijn organisatie te onderschrijven. Dat gebeurt niet. In Londen heeft men namelijk geen idee wie of wat de RVV is. Twee dagen na ontvangst van het telegram vraagt de regering in ballingschap via een andere zender aan de OD: “Hoe is de samenstelling en wie vormt de Raad van Verzet?” De ontstemde chef-staf van de Ordedienst neemt daarop nadrukkelijk afstand van de ‘onbekende raad’ en perkt vervolgens de bevoegdheden van Thijssen in. Het liefst zegt Pieter Six de samenwerking met zijn hoofd-Radiodienst per direct op, maar dat zou tevens het einde betekenen van het binnenlandse OD-zendernet. Tot de tegenmaatregelen die Six neemt behoort het minimaliseren van de radioberichten naar Engeland via Thijssens zender. Ausems: “Het was geen belangrijk werk meer. (…) Dat zat ons vrij behoorlijk dwars, omdat wij wel risico namen tijdens dat zendwerk. Niet alleen voor onszelf, maar ook voor de bewoners van dat huis, en dat gaf aanleiding tot minder prettige opmerkingen.”

Thijssens eigengereidheid leidt tot hoog oplopende spanningen. Het algemeen hoofdkwartier van de Ordedienst laat hem de keus: zijn banden met de RVV verbreken of aftreden als hoofd-Radiodienst. Lange Jan legt beide opties naast zich neer. Hij blijft zichzelf beschouwen als leider van de OD-Radiodienst en gaat door binnen de RVV, daarin gesteund door zijn naaste medewerkers. Dat gaat goed tot augustus 1943. Dan maakt Van Schendel -eveneens voor de keuze gesteld te blijven werken voor de OD of voor de RVV- zich los van Thijssen. Daarmee verliest die niet alleen zijn chef-marconist, maar ook het zendcontact met Groot-Brittannië. Op 4 september 1943 hebben Six en Thijssen op een landgoed nabij ’s-Graveland een twee uur durende woordenwisseling. De sfeer is inmiddels zo verziekt dat het hoofd van de Radiodienst -die functie is hem dan nog altijd niet ontnomen- een gewapende lijfwacht meeneemt. Six: “Hij was bang dat hij omgelegd zou worden.” Thijssen blijft weigeren de RVV te verlaten en eist van Six dat die namens hem een boodschap naar Londen stuurt. Op een eerdere RVV-brief heeft hij van de regering geen reactie ontvangen. Hij verwacht dat een via de Ordedienst verstuurd bericht wel tot succes leidt. Six gaat niet verder dan Thijssens eis in beraad te nemen.

Wanneer enkele weken later Six nog niets van zich heeft laten horen is Thijssens geduld op. Bijkomend probleem is dat de Duitsers begin september Van Schendel hebben uitgepeild en vervolgens gearresteerd, met zijn zendcodes en de kristallen die de frequentie bepalen. De hoop op contact met Engeland is nu definitief vervlogen. Ausems: “Ja, toen zaten wij omhoog. Toen hebben Jan Thijssen en ik overlegd wie van ons tweeën naar de overkant zou gaan om contact op te nemen en ook te bespreken dat er meer effectieve leiding aan het verzet zou worden gegeven van Londen uit. (…) Van ons beiden had ik een normaal figuur, want Jan Thijssen was meer dan een hoofd langer dan ik en had een typisch, scherp getekend gezicht, terwijl ik tussen de massa verdween. Ik ben dus gegaan.”

Ausems bereidt zich nauwgezet voor op zijn reis. Hij hoopt na aankomst in Engeland zijn echtgenote via Radio Oranje op de hoogte te kunnen brengen van zijn wedervaren. Om die reden wordt er een radio verstopt in de speelkamer van zijn kinderen. “Daartoe schuift men de werkbank een eindje van de muur, tilt het linoleum op en ziet dan 2 losse planken. Deze oplichtende vindt men de radio en de luidspreker is afgedekt door een oude, geëmailleerde pan.” Achter een plint in zijn slaapkamer maakt hij een kleine schuilplaats, bedoeld voor het verbergen van documenten. “Vlak voordat ik wegging heb ik nog een kies laten trekken, om geen last te hebben van kiespijn onderweg, zodat ik in de bovenkaak alleen maar de 4 snijtanden, de 2 hoektanden en rechts 2 grote kiezen heb overgehouden.” Met zijn broer, die arts is, overlegt hij ook nog over een andere medische ingreep. Hij informeert of het mogelijk is om onder de huid een klein pakketje te plaatsen en dat te camoufleren als operatielitteken. “Hij antwoordde daarop dat dat praktisch niet betrouwbaar uitvoerbaar was, aangezien men het pakketje nooit voldoende kon ontsmetten. Er volgde dus vrijwel altijd ontsteking en ettervorming, waarna het pakketje weer naar buiten kwam na verloop van circa twee tot vier weken.”

Op dinsdag 28 september vertrekt hij, hopend via-via de Noordzee te kunnen oversteken. Hij neemt -zij het niet onderhuids- onder meer een op microfoto’s gezet, uitgebreid exposé mee over het belang van de RVV en de vermeende onkunde van de OD. Bij de stukken zitten ook foto’s van familieleden, bestemd voor zijn broer Felix. Die heeft Nederland al in november 1941 verlaten en is er in geslaagd om via Zwitserland in Groot-Brittannië te komen. Dré Ausems spreekt met Thijssen af dat de eerstvolgende geheim agent die Londen parachuteert moet worden ondergebracht bij de chef-Technische dienst van de OD, Zaandammer Jan Hendrik op den Velde.

In oktober geeft Six aan een medewerker opdracht om contact op te nemen met deze radiotechnicus. ‘Hein’ op den Velde heeft het binnenlandse zendernet van de Ordedienst in beheer en krijgt nu te horen dat de samenwerking met Thijssen onmogelijk is geworden. Op den Velde is ontvankelijk voor die boodschap. Hij zegt zich te willen voegen naar de wensen van jonkheer Six. Nog diezelfde maand meldt hij Thijssen dat de binnenlandse zendposten voortaan rechtstreeks onder de gewestelijke OD-commandanten vallen. Thijssen is volgens Op den Velde alleen nog welkom om technische instructies te geven. De in ongenade gevallen voorman protesteert heftig bij Six, maar die komt niet terug op zijn beslissing. Half december verzoekt hij de eigengereide PTT-beambte zelfs ‘zijn taak als geëindigd te willen beschouwen’.

Wanneer op 13 januari 1944 de kort daarvoor in Nederland gedropte agenten Harm Steen en Sjef Adriaansen zich bij Pauline Ausems melden, waarschuwt zij -conform de ruim drie maanden eerder tussen haar echtgenoot en Thijssen gemaakte afspraak- Op den Velde. Op maandag 17 januari stuurt ‘Hein’ een brief naar Thijssen. Weliswaar, zo schrijft hij, beschikt hij nu over een ‘kanaal’ en een code om contact te onderhouden met de regering in ballingschap, maar een en ander is niet bedoeld voor Thijssen. Volgens de Zaandammer is de inmiddels in Engeland verblijvende Ausems ‘van alle instructies op de hoogte’ en er ‘volledig mede akkoord’. Een furieuze Thijssen reageert per ommegaande: “Het is je volkomen bekend dat A[usems] niet beter weet of wij vormen een gesloten korps, hetzij in of buiten de OD. Je weet zeer wel dat hij ten deze op jou vertrouwt zoals ik op je heb vertrouwd, en het was in dit begrip dat wij afspraken dat jij de eerste verbinding zou opnemen voor de Radiodienst. (…) Wanneer er dus sprake is van een kanaal en een code voor ‘Hein’, zijn bedoeld een kanaal en een code voor de Radiodienst. Iedere andere uitleg betekent (…) een usurpatie en het op eigenzinnige wijze terzijde schuiven van die goed-Nederlandse belangen waarvoor A. en ik ons leven op het spel hebben gezet.” Op den Velde antwoordt wel, maar zijn reactie is lauw. Hij gaat niet overstag voor Thijssens pressie en continueert zijn zendwerk voor de Ordedienst.

4.

Dré Ausems is onbekend met de ontwikkelingen tussen oktober 1943 en januari 1944. Het ontslag van Thijssen als hoofd van de Radiodienst, de breuk van Op den Velde met de RVV en daarmee het verlies van het binnenlandse radionetwerk; Ausems weet van niets. Op 28 september heeft hij Nederland verlaten. Hij wordt daarbij geholpen door een groep marechausseemedewerkers die vluchtelingen naar het buitenland leidt. Reizend langs Baarle-Nassau en Tilburg komt Ausems in eerste instantie uit bij het Belgische Weelde. “Daar stond ook het landhuisje waar mijn ouders in woonden. Dat stond precies op de grens en was dus een prachtige oversteekgelegenheid.” Per bus, tram en trein trekt hij via Turnhout en Antwerpen naar Brussel. Om 18.30 uur stapt hij daar binnen bij hoofdonderwijzer P. Neven, een contactpersoon op de lijn Nederland-Parijs. In de navolgende weken bivakkeert Ausems bij verschillende ondergrondse werkers, in afwachting van een koerier die hem naar Frankrijk kan begeleiden. Die laat op zich wachten. Als gevolg van de vertraging moet Ausems één onderkomen in allerijl verlaten. Zijn joodse gastvrouw is op straat gearresteerd en men verwacht een Duitse inval in haar huis. Op een ander adres maakt hij kennis met ene Lambert, achter welke nom de plume (zo ontdekt Ausems weken later) Harry Linthorst Homan schuilgaat. Deze directiesecretaris van Philips heeft zijn eigen vertrek naar Parijs al geregeld. Ausems: “Ik vroeg hem of ik niet met hem mee kon gaan. Dit was echter onmogelijk.” Linthorst Homan brengt hem echter wel in contact met Mathilde Verspijck. Zij staat aan het hoofd van een vluchtelingenlijn naar het Zuiden. Omdat de koerier nog altijd wegblijft accepteert Ausems haar aanbod om een alternatieve uitweg naar Parijs te zoeken. Binnen enkele dagen regelt ze een vervalste, voor de reis onmisbare Urlaubsbescheinigung, noodgeld in de vorm van wat goud en twee begeleiders.

Twee weken nadat hij Nederland achter zich heeft gelaten komt Ausems aan op het Gare du Nord. Maar ook in Parijs moet geruime tijd worden gewacht. Victor Swane, de leider van een pilotenhulplijn, dient eerst te zorgen voor nieuwe vervalste papieren en enkele passeurs die de Zaankanter over de Frans-Spaanse grens kunnen helpen. Uiteindelijk duurt het tot 18 oktober voor het gezelschap, controle na controle doorstaand, met de trein arriveert in Oloron, een plaatsje op enkele tientallen kilometers van de grens. Van daar moeten ze ‘les montagnes de la peur en de l’espérance’ over, de Pyreneeën. Trekkend door het onherbergzame gebied, klimmend en dalend zonder berguitrusting, bereikt de kleine groep twee dagen later het Spaanse gehucht Orbaiceta. Ausems meldt zich er met zijn reisgenoten bij de plaatselijke politie, in de prettige wetenschap dat hij niet zal worden uitgeleverd aan de nazi’s. “Na een onderzoek van papieren en bagage, hetwelk niets om het lijf had, zijn wij in een herberg gebracht en de andere morgen door twee carabinieri per bus en tram naar Pamplona begeleid. Op het bureau van de vreemdelingenpolitie kregen wij onze Spaanse identiteitskaarten en na circa 2 uur daar te hebben gewacht werden wij naar een hotel gebracht, vanwaar wij de volgende dag naar Lecumberri werden overgebracht.”

Twee weken lang verbijt Ausems zich in zijn hotel. Dan komt eindelijk de toestemming om met een groep landgenoten naar Madrid te vertrekken, het centrum van in Spanje gestrande Nederlandse vluchtelingen. Daar hoort hij dat de door hem gebruikte pilotenlijn is opgerold. Een aantal van zijn helpers zal de bevrijding niet meemaken.

DSC_0592
V.l.n.r. de Engelandgangers H.P. Linthorst Homan, P. Gerbrands en A. Ausems in Madrid

Ausems heeft haast. De door hem in Nederland verzamelde informatie verliest elk uur aan actualiteit. Op 10 november zendt hij een brief naar de Nederlandse minister van Oorlog, Otto van Lidth de Jeude, waarin hij ‘gebruikmaakt van de gelegenheid Uwe Excellentie te verzoeken om gezien de grote belangen van mijn reis deze zoveel mogelijk te bespoedigen.” Een week later stuurt hij de minister een nieuw schrijven. Hij noemt het ‘dringend noodzakelijk’ dat hij voor 15 december terug is in Nederland. “Het hoofddoel van mijn reis is nu het weder tot stand brengen van een goede, d.i. snelle en betrouwbare radioverbinding Londen-Nederland. (…) De omstandigheden waaronder wij werkten en andere bijzonderheden zijn vervat in een rapport van het hoofd van de Radiodienst, welk rapport in de vorm van microfoto’s door mij werden medegenomen en welk rapport ik gaarne mondeling zou toelichten.”

Het (tijdens zijn reis zwaar gehavende) rapport waarop Ausems doelt is een door Thijssen opgesteld ‘Verslag ervaringen hoofd Radiodienst’. Het is een afrekening met de Ordedienst, de organisatie waarbij hij op het moment van schrijven nog steeds in functie is. “De OD heeft onder de actieve illegale werkers geen goede naam. Zijn doelstelling en de bevelen voor onthouding van verzetsarbeid maken deze organisatie een gewild toevluchtsoord voor de laffen en halfhartigen die na de oorlog zich een goed figuur wensen te maken. Zijn aanmatiging, vooral van de leiding, om voor geheel Nederland, zelfs zonder kennis van de feiten, te willen uitmaken hoe de houding tegenover de vijand moet zijn, wordt verafschuwd. Door dom geklets vielen reeds vele slachtoffers onder de slechte soort OD-leden.” Lange Jan presenteert zijn nauwelijks tot wasdom gekomen RVV als enig alternatief en als de leidende sabotagegroep in bezet gebied. Zijn organisatie is naar eigen zeggen ‘ontstaan door de wens indien niet met, dan zonder de OD te komen tot een overkoepeling van alle organisaties in Nederland die tegen den vijand wensen te strijden, de slavenjacht willen tegengaan en de bevolking tot steun wensen te zijn’. Hij schrikt er niet voor terug om grote woorden te gebruiken. “Aangespoord door de in de stakingsdagen duidelijk gebleken bereidheid tot verzet bij de bevolking, alsmede door de voortdurende opwekkingen van Radio Oranje de Jan Saliegeest tegen te gaan, heeft de RVV het merendeel van alle waarlijk militante illegale strijders in Nederland verenigd. Zijn kracht en mogelijkheden groeien van week tot week. De Raad is thans samengesteld uit prominente illegale werkers die, door voortdurend contact en ruggespraak, ieder voor zich geacht kunnen worden, een aanzienlijk volksdeel te vertegenwoordigen”, bluft Thijssen, in de hoop in Londen gehoor te krijgen voor zijn wensen.

Ausems doet weinig onder voor de RVV-voorman. “De OD heeft bij monde van de Cst. [Commandant der strijdkrachten, E.S.] in het onderhoud met Karel duidelijk doen blijken dat zij niet alleen niet wil meewerken aan actief verzet -deze weigering kan natuurlijk een gevolg zijn van de instructies welke zij van de regering ontvangen heeft-, maar zij staat afkerig van elk verzet tegen de vijand. Dit onderhoud vond plaats de vierde september 1943”, neemt hij het in een nieuw rapport op voor Jan ‘Karel’ Thijssen. “En het is tegen deze houding dat ik protesteer. Wij hoeven niet alles te slikken wat ons van Duitse zijde wordt opgelegd.” Hij vraagt het kabinet in ballingschap een sturende rol te vervullen. “Ik bedoel dus niet wij aan de regering gaan vragen of wij het distributiekantoor te Lutjebroek mogen overvallen, maar wel is het van belang te weten of wij door het overvallen van distributiekantoren op de goede weg zijn. Het kon wel eens van groter belang zijn dat wij de bevolkingsregisters meer aantasten. Het is heel aardig dat wij bijvoorbeeld dorsmachines hebben beschadigd en daardoor de oogst in sommige gedeelten van ons land aanzienlijk hebben vertraagd, maar ware het misschien niet nog veel beter geweest de oogst geheel te vernielen? Kunnen wij doorgaan met het verzamelen van militaire berichten? Goed, maar aan welke instantie moeten wij ze dan kwijt? (…) Op al deze punten voelt men bitter het gemis aan leiding, aan overzicht. Wij zitten tot over onze oren in de narigheid en kunnen dus slechts met de grootste moeite een overzicht verwerven van wat er werkelijk gebeurt. De regering, zo zegt men, heeft dat overzicht wel en wij moeten dus in contact komen met de regering om ons werk op de juiste manier voort te zetten.”

Verzoeken om een spoedige overplaatsing naar Engeland vinden weinig gehoor in de Spaanse hoofdstad. Talloze Nederlanders willen de oversteek maken, maar de mogelijkheden daartoe zijn beperkt. Ausems viert zelfs het Sinterklaasfeest in Madrid, wetend dat zijn aanvraag om nog diezelfde maand te mogen terugkeren naar Nederland kansloos is. Zijn kortstondige metgezel in Brussel, Harry Linthorst Homan, treedt op 5 december in de ontvangstzaal van het Nederlands Gezantschap aan als Sint-Nicolaas, Jan Somer als zwarte Piet. Enkele honderden, veelal gedemoraliseerde Engelandvaarders zien het schouwspel van de onherkenbaar vermomde directiesecretaris en het BI-hoofd aan. “De Sint memoreerde geestig het voorrecht dat Hitler hem geschonken had door toe te staan met een extra trein van Nederland naar Spanje te reizen, teneinde de Nederlandse kolonie op te beuren”, bericht dagblad Trouw vijf jaar nadien. “Sinterklaas beloofde als mooiste geschenk een snel vertrek naar Engeland. Dat waren lichtpunten in een omgeving welke zwaar geladen was door de ondervonden desillusies”, aldus Somer in datzelfde jaar. Hij is onder valse voorwendselen in Spanje. Om de doorstroming van de Engelandvaarders te bevorderen zet hij als Rode-Kruismedewerker ‘Elias van Praag’ een BI-filiaal op in Madrid. Een van de mannen die Somer met spoed naar de overkant wil helpen is Ausems. Het duurt na de feestavond anderhalve week voor diens papieren in orde zijn en hij via een smokkelroute Gibraltar bereikt. Van daar kan hij naar Engeland vliegen. In het toestel dat hem naar vrij gebied voert zitten ook Harry Linthorst Homan en geheim agent Piet Gerbrands. Met die laatste zal hij het volgende jaar regelmatig samenwerken.

5.

De tien weken die Ausems in Londen en omgeving verblijft staan bijna volledig in het teken van zijn retourvlucht naar Nederland. De BI-leiding steunt hem in zijn voornemen om terug te keren. Na met goed resultaat te zijn verhoord in de Patriotic School wordt Ausems door Jan Somer ondergebracht in een woning. Hij bevindt zich daar ver van de Engelandvaarders die elkaar ontmoeten in het Nederlandse clubgebouw Oranjehaven. Ausems: “Ik heb in Londen ondergedoken gezeten, omdat anders de contra-spionage verblijd zou zijn geweest met de mededeling dat Ausems heen en weer was geweest. (…) Ik heb van Londen verder niets gezien dan alleen wat mijn instructie mij gaf. Ik ben nooit in Oranjehaven geweest, een heel enkele keer maar in een bioscoop en nooit naar een of andere officiële gelegenheid of zoiets.”

Een week na zijn overtocht naar Engeland ontmoet de Zaandijker in het Savoy-hotel Oorlogsminister Van Lidth de Jeude. De bewindsman noteert in zijn dagboek: “’s Middags langdurige conferentie met Ausems en Linthorst Homan, die vele belangrijke gegevens over Holland verstrekt, o.m. de mededeling dat de OD allerminst populair is. Ik vermoedde dit reeds, maar dit vermoeden werd bevestigd. Geschikte lieden, maar ik ben niet zeker dat zij de algemene opinie in Holland weergeven. Daarvoor is het onderlinge contact te gebrekkig. Ik had de grootste moeite dat zij na de Patriotic School onmiddellijk in mijn handen vielen, waarvoor veel overleg met Justitie nodig was, maar ik heb mijn zin gekregen. In de Savoy werden ze aan mij ‘afgeleverd’ en wij hadden ‘the first talk’, die bijzonder nuttig en belangwekkend was. Lang gepraat, dat nog wel eens herhaald zal worden.”

Jan Somer, eveneens aanwezig bij het gesprek met de minister, heeft eerder al via de Radiodienst vernomen van de voortvarendheid die Jan Thijssen aan de dag legt. Het door Ausems overgebrachte ‘Verslag ervaringen hoofd Radiodienst’ en zijn nauwgezette informatie over de stand van zaken in Nederland versterken Somers positieve indrukken. Zo weet Ausems op 19 januari tijdens een ‘industrieel verhoor’ door de Militaire Inlichtingendienst tot in detail de situatie te schetsen bij bedrijven als Fokker (‘wordt heel veel lijngetrokken’), Philips en tal van scheepswerven.

Ausems legt uit dat er bij de RVV, in tegenstelling tot de OD, geen sprake is van Duitse infiltratie. De gedachte dat de RVV besmet is leeft namelijk sterk bij enkele overheidsinstanties in Londen. Hij onderstreept het belang van de Radiodienst, niet wetend hoe de stand van zaken in Nederland op dat moment is. Ook doet hij uit de doeken hoe het RVV-net van binnenlandse zenders er uitziet en maakt hij duidelijk dat er een agent moet worden gedropt met een op Engeland gerichte zender. Die kan dan fungeren als verbindingsman tussen de Nederlandse zenders en de regering in Londen. De BI-vraag hoe die agent in contact komt met de Radiodienst beantwoordt hij met een verwijzing naar zijn vriend Jan Hendrik op den Velde.

Bureau Inlichtingen is overtuigd, de regering uiteindelijk ook. Ausems’ verslagen, het rapport van Thijssen, de enthousiasmerende berichten die de in Nederland gedropte geheim agent Martin Wiedemann begin 1944 naar Londen stuurt; het maakt dat minister-president Gerbrandy c.s. de RVV niet alleen erkent als betrouwbare verzetsorganisatie, maar het belang ervan zelfs overschat. Het besluit valt om Ausems, geheel conform zijn wens, als geheim agent naar Nederland terug te zenden om daar de coördinatie van het verzet voor zijn rekening te nemen. Ook wordt hij belast met het regelen van radioverbindingen en het opzetten van een inlichtingennetwerk.

Ausems doorloopt de parachutistenopleiding en krijgt les in het verzenden van boodschappen. Tussen de bedrijven door schrijft hij uitgebreide handleidingen voor het Bureau Inlichtingen en collega-agenten, vol tips over de omgang met de vijand (“Op de eerste plaats: VERTROUW NIEMAND. Er is nu eenmaal in Nederland een zucht tot kletsen.”). In de weken voorafgaand aan zijn dropping overlegt de Zaandijker onder andere met minister Van Lidth de Jeude. Belangrijk gespreksonderwerp is het falen van de organisatie van kolonel De Bruijne in wat later bekendheid zal krijgen als het Englandspiel. “’s Morgens kwart voor 9 reeds ZKH [prins Bernhard, E.S.] op bezoek in mijn hotel”, noteert de minister van Oorlog op 5 februari 1944 in zijn dagboek. “Hij heeft vernomen van de moeilijkheden met de sabotagedienst. Daarover had ik gisterenavond tot na elf uur nog een uitvoerige bespreking met Broekman en Van Houten, waarbij ook Ausems aanwezig was. (…) De Bruijne wenste contactadressen van BI tot wie de uit te zenden agenten zich bij aankomst konden wenden, doch BI weigerde deze niet ten onrechte, uit vrees ook ‘besmet’ te worden. Ausems, die op het punt staat naar Holland terug te keren, weigerde eveneens adressen op te geven uit begrijpelijke vrees voor eigen veiligheid. Hij was alleen bereid, na in Holland te zijn aangekomen, aldaar ‘poolshoogte’ te nemen en na contact met zijn vrienden veilige adressen naar Londen op te geven. En ik geloof dat hij groot gelijk heeft.” Ausems wantrouwt dus De Bruijne en diens werkzaamheden. “Ik heb zelf een onderhoud gehad met de heer De Bruijne”, zal hij later zeggen over diens verzoek om hulp. “Toen heb ik mijn poot stijf gehouden en gezegd: ‘Ik doe dat niet voor u, want ik vertrouw dat hier niet’. Dat hebben wij elkaar onder vier ogen kunnen zeggen.” Ausems wil terug, maar in tegenstelling tot zijn anderhalf jaar eerder gedropte streekgenoot George Jambroes niet via de organisatie van Mattheus de Bruijne.

Later die dag spreekt Van Lidth de Jeude nogmaals met Ausems. “’s Middags per auto naar de farm, na eerst nog een laatste bespreking met Ausems, waarbij ik hem de algemene politiek van de regering heb uiteengezet, waarmede hij in het algemeen zeer ingenomen is en wat voor hem een openbaring is. Daaromtrent bestaat zeer veel misverstand in Nederland en het wordt hoog tijd een en ander recht te zetten.” Het kabinet-Gerbrandy is ontevreden over de verzuiling binnen de Nederlandse illegaliteit en wil opdracht geven om over te gaan tot coördinatie. De minister heeft met Gerbrandy en Wilhelmina overlegd over de boodschap die Ausems dient mee te nemen voor het verzet. Het resultaat is een door Van Lidth de Jeude opgestelde lijst met negentien taakverdelingen en opdrachten. Gerbrandy plaatst er op 5 februari zijn handtekening onder. De ‘19 punten’, zoals ze de geschiedenis ingaan, getuigen van weinig inzicht in de actuele stand van zaken. De door Gerbrandy beoogde verzetsindeling stoelt niet op de bestaande verhoudingen in bezet gebied en is al met al van weinig waarde voor de illegaliteit.

Zijn twee ontmoetingen met Wilhelmina leveren Ausems nog een opdracht op. In tegenstelling tot haar ministers acht de koningin een terugkeer naar de vooroorlogse politieke verhoudingen ongewenst. Ze verlangt naar ‘vernieuwing’, naar een regering van nationale eenheid, zonder tegen elkaar agerende politieke partijen. Na haar terugkeer in Nederland hoopt ze het verzet te kunnen raadplegen over de formateur van het eerste naoorlogse kabinet. Dat moet dan wel een man zijn die instemt met haar vernieuwingsdrang. Wetende dat de regering weinig voelt voor haar ideeën typt ze zelf een bericht voor de ondergrondse groepen met wie Ausems contact zal hebben. “X [dat is Ausems, E.S.] heeft sterk de indruk gekregen dat de koningin, door voortdurend voeling te houden en zich te laten inlichten door uit Nederland overgekomenen, geheel met Nederland, zoals het vernieuwd is, medeleeft en ook geheel alles voelt zoals men alles in vernieuwd Nederland aanvoelt”, tikt ze. “X heeft in Londen de indruk gekregen (of wel het is hem verteld) dat er velen in Londen bepaald niet zijn meegegroeid met het nieuwe Nederland. Dus, dat bij al wat de koningin doet, zij met deze moeilijkheid te kampen heeft. Daarvan zal men zich in Nederland terdege rekenschap moeten geven.” Het is een warrige, tegen haar eigen kabinet gerichte boodschap, die bovendien zo geschreven is dat het lijkt alsof Ausems een en ander zelf heeft bedacht. Als Ausems Wilhelmina’s bericht al heeft doorgegeven aan de Nederlandse illegaliteit (dat is onbekend) zal het weinig indruk hebben gemaakt.

De eigenwijze houding van de vorstin komt niet helemaal uit de lucht vallen. Wilhelmina is geïnspireerd door De wedergeboorte van het Koninkrijk, een publicatie van ‘Boisot’ (het pseudoniem van Co de Beus, de secretaris van premier Gerbrandy). Dit boek is in 1942 uitgebracht in Londen en beleeft het jaar daarop in Nederland vier clandestiene oplagen. Het is een pleidooi voor de vernieuwing van het staatsbestel. Daarbij zouden de vooroorlogse democratische besluitvorming en de klassenstrijd moeten worden vervangen door een sterk centraal gezag, met het koningshuis als middelpunt, en een andere economische orde. In haar eigen exemplaar van De wedergeboorte zet Wilhelmina tal van strepen bij de passages die haar instemming hebben. De Beus verwoordt ten zeerste haar vernieuwingswens. Maar ook Ausems is een aanhanger, zo blijkt tijdens een militair verhoor in januari 1944. “Wat ‘Boisot’ in zijn boekje De wedergeboorte van het Koninkrijk aangeeft was nog niet zo gek. Dit boekje wordt zeer bestudeerd in Nederland, zeer veel besproken en heeft vele aanhangers”, zegt hij. De theorie van een centraal gestuurde monarchie waarbinnen het eenheidsdenken zegeviert schept een band tussen de koningin en de ingenieur.

Het Bureau Inlichtingen spreekt met Ausems af dat luitenant Harm Steen en diens telegrafist Sjef Adriaansen hem voorgaan naar Nederland. Zodra zij hebben gezorgd voor een zendcontact met het Bureau Inlichtingen en een opvangadres kunnen garanderen mag Ausems eveneens naar de overkant. Ausems maakt voor Steen een uitgebreid rapport, een mengeling van adviezen en dwingende aanbevelingen. Een deel ervan gaat over het gebruik van de Radiodienst-zendposten. “Met Hein kunt u overleggen omtrent het gebruik der Z.P.’s [zendposten, E.S.] en mijn instructies welke u aan Hein overbrengt zijn dat Hein u alle mogelijke hulp moet geven om de verbinding met E.[ngeland] zo goed mogelijk weer op te richten.” Ausems realiseert zich de spanningen tussen de RVV en de Ordedienst en vermoedt dat Thijssen (alias ‘Karel’) bij gebrek aan aanwijzingen vanuit Engeland de wankele verbinding met de OD heeft verbroken. “Inderdaad hebben wij, de laatste avond voor mijn vertrek uit Holland, via een koerier slagwoorden afgesproken die in deze mogelijkheden voorzien. Deze slagwoorden zijn verloren gegaan. Ik had ze op sigarettenpapier geschreven en ze bij de microfoto’s in de tandpastatube gedaan. De tandpasta heeft het soldeer aangetast zodat, toen ik de tube in Madrid openmaakte, bleek dat alle foto’s en sigarettenpapiertjes onder de tandpasta zaten en voor het merendeel lelijk beschadigd en onleesbaar waren geworden. Maar waar het op neerkomt is dit: er was dus door Karel en mij voorzien dat hij zelfstandig de verbinding met de OD kon verbreken.”

Op 28 december 1943 zendt Radio Oranje een boodschap over ‘witte beertjes voor 39’ naar bezet Nederland. De witte beertjes zijn een verwijzing naar het speelgoed dat Pauline (‘39’) en Dré 2,5 jaar eerder in de kist van hun overleden zoontje Paul hebben gelegd. Jan Hendrik op den Velde laat Londen ruim een week later weten de codeboodschap te hebben begrepen. In de vroege ochtend van 11 januari landen Adriaansen en Steen met hun parachutes vlakbij Breda. Steen heeft een manchetknoop bij zich met daarin een microfoto van een door minister-president Gerbrandy ondertekende brief. Het is een garantstelling van ƒ30 miljoen voor het Nationaal Steunfonds, de organisatie die gedurende de laatste oorlogsjaren tienduizenden onderduikers en het merendeel van het verzet van financiën zal voorzien. Verder moeten Adriaansen en Steen militaire berichten gaan verzamelen, ƒ100.000,- afdragen aan de RVV en contact opnemen met Op den Velde.

Op 13 januari meldt Steen zich in Zaandijk bij Pauline Ausems. Die waarschuwt Op den Velde. De radiotechnicus verschaft Steen onderdak in zijn woning op de Westzijde 140 in Zaandam. Bijkomend voordeel is dat Steen meteen langs kan gaan bij Walraven van Hall, die op de Westzijde 42 woont. Hij overhandigt de NSF-topman de regeringsmachtiging en verbergt zich vervolgens weer bij Op den Velde.

6.

Door op 2 maart 1944, na bij Jan Hendrik op den Velde door het oog van de naald te zijn gekropen, zijn microfoto’s te verbranden heeft Ausems zich in een moeilijk parket gemanoeuvreerd. Bij de vernietigde foto’s zaten namelijk de ‘19 punten’ van Gerbrandy. Hij kent de samenwerkingsrichtlijn weliswaar zo’n beetje uit het hoofd, maar ontbeert nu het bewijs dat de boodschap afkomstig is uit betrouwbare bron. De weinig coherente Nederlandse illegaliteit, toch al uitgedund door de inzet van verraders en intriganten, zit niet te wachten op een zelfbenoemde geheim agent die in handen van de Sicherheitspolizei is geweest. Dat Ausems niet is opgepakt maakt hem nog verdachter en zelfs potentieel slachtoffer van represailles.

Na hun vlucht uit Zaandijk houden Dré en Pauline Ausems zich wekenlang schuil, de eerste zwervend door Nederland, de tweede in Goirle. De werktuigbouwkundige heeft de handen vol aan het op poten zetten van zijn organisatie. Zijn voorganger Harm Steen is gearresteerd en diens marconist Sjef Adriaansen is eigenzinnig en komt afspraken niet na. Wanneer zijn superieur Ausems eist dat hij zijn zendapparatuur inlevert weigert Adriaansen dat bevel op te volgen. Het wordt een hoog oplopende ruzie. Saenen: “Hij vroeg om de kristallen, welke hem echter niet werden gegeven en waarom het toen hard is toegegaan. Beiden hebben toen om instructies gevraagd in een telegram, waarop het antwoord volgde: ‘U blijft beiden uw set behouden, maar wel samenwerking met Andries’.” Ook Jacques van Loon werkt niet mee. Hij heeft bovendien de grootste moeite om zijn zender aan de praat te krijgen. Na zijn overhaaste vertrek uit Bakel zit hij bij Jos Saenen in Princenhage. Hij werkt slordig, laat zijn zender open en bloot in de huiskamer staan en bespreekt zijn opdracht met buitenstaanders. Ook ziet Van Loon er geen problemen in om de bioscoop van Breda te bezoeken en een relatie te beginnen met een plaatselijke inwoonster.

Het ontbreekt Ausems aan overwicht om zijn twee ondergeschikten tot de orde te roepen. Wekenlang is hij bezig om een enigszins werkbare situatie te creëren. Ook heeft hij behoefte aan overleg met Jan Thijssen. Ausems: “17 maart bezocht ik Camoes [de schuilnaam van E.D. van Wijngaarden uit Naarden, een verzetsrelatie van Harm Steen en Jan Thijssen, E.S.]. Daar deze een huiselijk feest had dat weekend kon hij mij niet te woord staan en duurde het tot de avond van 19 maart dat ik ten huize van Camoes Jan ontmoette.” De twee besluiten om de Radiodienst en de Inlichtingendienst te scheiden. “Jan zou de technische leiding op zich nemen van de Radiodienst en ik van de Inlichtingendienst. Jan zou volgens mij de leiding van de RVV moeten laten schieten en zich alleen bemoeien met de Radiodienst. Dit was niet volgens het inzicht van Jan, omdat volgens hem zijn werk in de RVV alleen adviserend was, en hij dus het werk in de Radiodienst als hoofdzaak beschouwde. Hoewel ik hem er op wees dat men hem algemeen als de leider en de drijvende kracht achter en van de RVV beschouwde (…) was hij niet van zijn standpunt af te brengen.”

Volgens Lange Jan is hij sinds Op den Velde zich van hem en de RVV losmaakte ver gevorderd met het opbouwen van een nieuw zendnetwerk. Hij neemt Ausems de 22ste mee naar een RVV-vergadering. Ausems legt daar uit hoe groot in Londen het wantrouwen was, omdat men er meende dat vrijwel de gehele illegaliteit door verraders geïnfiltreerd was. Maar, zo vertelt hij, wanneer hij de kans krijgt om uit te leggen dat de RVV niet besmet is, zal men in Engeland bereid zijn ‘alle gewenste materialen te leveren, alsmede sabotage-instructies en zelfs complete sabotagegroepen te zenden, volledig uitgerust met alle nodige materieel’.

De Raad van Verzet reageert enthousiast. De voordien als gevolg van arrestaties en onderling wantrouwen terneergeslagen RVV-top prijst zich gelukkig dat ze ‘door volharding en door het doel voor ogen te blijven houden zonder onmiddellijk bereikbare resultaten als eis te stellen thans een stadium bereikt heeft dat praktisch werk op grote schaal mogelijk zal zijn’. Er gaat meteen een telegram naar het Bureau Inlichtingen met een verzoek om wapens en blanco persoonsbewijzen. Een dag later is ook Ausems bezig met het opstellen van telegrammen. In acht verschillende berichten vat hij zijn wensen en ervaringen samen.

Ongerust over het lot van Op den Velde en enkele anderen die op de Westzijde in de val liepen, fietst Ausems op 30 maart naar de Zaanstreek. De eerste die hij daar spreekt is Cees Beernink, een medewerker van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers. “Deze vond het nodig om mij te verwijten dat de arrestaties mijn schuld waren. Ik had niet gewaarschuwd en feitelijk iedereen in de steek gelaten. (…) Ook anderen had hij tot die zienswijze weten over te halen. Waar duidelijk bleek dat hij alleen maar de klok had horen luiden, maar niet wist waar de klepel hing en ik geen zin had om mij te verdedigen tegen dergelijke nonsens (…) heb ik hem de deur gewezen.” De woede van ‘Rooie Kees’ Beernink is exemplarisch voor de tegen Ausems heersende argwaan. De Zaandijker probeert contact te leggen met diverse landelijke verzetsorganisaties, maar iedereen houdt de boot af.

De ‘Ouwe taaie’, zoals een van zijn vele pseudoniemen luidt, realiseert zich dat hij snel actie moet ondernemen om een volledige buitenspelpositie te voorkomen. In de nacht van 10 op 11 april stijgt in Groot-Brittannië een vliegtuig op dat twee door Ausems gevraagde geheim agenten zal afleveren, Jan Faber en Herman Leus. Voor het eerst is er ook een BI-medewerker aan boord. Na de geslaagde dropping van de twee agenten heeft deze man vanuit het rondcirkelende vliegtuig een uur lang verbinding met Ausems. Die vertelt hem ongecodeerd -hij heeft er dan nog het volste vertrouwen in dat de volgens de nieuwste Engelse technieken ontwikkelde radiozender niet kan worden afgeluisterd- over zijn ervaringen bij Op den Velde. Ausems klaagt over de technische mogelijkheden van zijn zender en vraagt om een ‘gewoon’ exemplaar. Ook dringt hij aan op een kopie van de 19 punten. Zonder dat bewijs zit hij klem en loopt hij zelfs het gevaar te worden geliquideerd. Het verzet is in de ban van verraders als Anton van der Waals en Ausems’ gedrag vertoont volgens sommigen gelijkenissen met het dodelijke werk van de V-Mann.

Dat de liefde niet van twee kanten komt blijkt ook uit een telegram de dato 16 april. Het is afkomstig van de afgezette Utrechtse commissaris van de koningin Louis Bosch van Rosenthal -inmiddels een topman binnen de Nederlandse illegaliteit- en bestemd voor Willem Visser ’t Hooft, een in Zwitserland verblijvende tussenpersoon van de regering in ballingschap. “Thans is weder bericht ontvangen dat iemand hier zou zijn aangekomen met opdracht van de regering ‘om de verschillende verzetsgroepen te coördineren’ en dat deze persoon ‘reeds met belangrijke groepen contact had gelegd, doch thans was ondergedoken’. Met grote moeite is het ons eerst heden gelukt er achter te komen wie hiermede werd bedoeld. Het gaat weder om een jongmens; zijn credentials en introducties schijnt hij kwijtgeraakt te zijn”, laat Bosch van Rosenthal weten.

Waar de voormalige commissaris op Ausems nog voorzichtig afwachtend reageert, is hij over Jan Thijssen weinig complimenteus. “Hij [Ausems, E.S.] is slechts in contact geweest met één persoon -uit de RVV-, die zich geroepen heeft gevoeld een staatsstuk te doen uitgaan dat gedeeltelijk onwaar en gedeeltelijk dwaas is. (…) Geen enkele verzetsgroep heeft er over gedacht op dit stuk in te gaan of de uitnodiging tot contact te aanvaarden. Men kan van een ernstige organisatie niet verwachten dat zij hier op ingaat, nadat reeds dit dwaze stuk was verschenen. Dit jongmens, die het waarschijnlijk goed bedoelt, introduceert zich als neef van een der ministers.” Bosch van Rosenthal reageert daarmee op het RVV-bulletin van juli 1943, waarin Thijssen -een zwager van oud-minister M. Steenberghe- verklaart dat zijn organisatie is overgegaan tot bundeling van de illegaliteit.

Na veel aarzelingen besluit de Kern, daartoe gestimuleerd door de RVV, om Ausems’ stukken te bespreken tijdens haar wekelijkse vergadering. De Kern functioneert sinds december 1943 en is het eerste samenwerkingsverband dat uiteenlopende Nederlandse verzetsorganisaties coördineert. Het is een initiatief van Walraven van Hall. Zijn stadgenoot en vriend Jaap Buijs fungeert als voorzitter. De Kern bestaat in het voorjaar van 1944 uit landelijk opererende verzetsgroepen als de Persoonsbewijzencentrale, de LO, het Nationaal Comité van Verzet en het NSF. Ausems zet, zo zorgvuldig mogelijk reconstruerend, zijn herinneringen aan de 19 punten op papier. Door zijn gesprekken met minister Van Lidth de Jeude en koningin Wilhelmina is hij bekend met de inhoud. “Zeer geheim”, zet hij in hoofdletters boven zijn reconstructie. “Na lezing onmiddellijk vernietigen. Mag onder geen beding in de illegale pers komen!” Een tweede tekst bevat eigen mededelingen. “Het z.g. Kerncontact is volledig in overeenstemming met de wensen der regering”, schrijft hij. “H.M. de Koningin laat zo spoedig mogelijk 10 à 20 vooraanstaande illegale werkers en andere Nederlanders overkomen teneinde zich uit de eerste hand te laten voorlichten over Nederlandse toestanden. Deze voorlichting kan een belangrijke invloed hebben op de verkiezing van een voorlopige regering. (…) Is de bevrijding voltooid, dan komen de voorlopige verkiezingen, ter vervanging van een demissionaire regering, gevolgd door grondwetswijziging, een en ander in overeenstemming met de wil van het Nederlandse volk, waarmee een eerste begin is gemaakt bij de keuze van de adviseurs.”

De Kern kan niet zoveel met Ausems’ boodschap. De koepelorganisatie wil geen naoorlogse politiek bedrijven, maar de vijand bestrijden. Door akkoord te gaan met Ausems’ interpretatie sluipt de politiek alsnog via een omweg de Kern binnen. Een van de betrokkenen: “De politiek, het staatsbestel of de kwestie wat er zou moeten gebeuren wanneer eenmaal Nederland bevrijd zou zijn, is nimmer aan de orde gekomen. Dit is zeer nadrukkelijk niet gebeurd, dat wenste geen van de ouderen die aanwezig waren.” Ontevreden toont zich ook de LO-vertegenwoordiger. In de 19 punten is voor zijn organisatie namelijk geen plaats ingeruimd. En tot slot blijft de vraag die bij allen leeft: hoe betrouwbaar is een man die geen regeringsdocumenten kan tonen, maar wel in handen was van de Sicherheitspolizei?

Voor Ausems zit er niets anders op dan Londen nogmaals een kopie te vragen van Gerbrandy’s 19 punten. Hij reist terug naar het Zuiden, geeft Jacques van Loon opdracht een telegram te verzenden en wacht af. Begin juni stuurt Radio Oranje een nieuwe slagzin de lucht in: “De krankzinnige mier in het po-kastje brengt de stand op negentien.” Het laatste woord van het codebericht duidt de 19 punten aan, de mier in kwestie is Jan de Bloois. In de nacht van 7 op 8 mei maakt deze BI-agent een deels mislukte landing vlakbij Breda. Zijn vier radiosets slaan kapot tegen de grond, maar de microfilms weet hij wel veilig bij Ausems af te leveren. De Kern heeft er weinig aan. De boodschap onderkent niet de bestaande verhoudingen binnen de illegaliteit en is gedateerd.

Binnen tien weken na Ausems’ landing in Nederland worden er, in etappes, vijf nieuwe agenten gedropt. De eersten, Jan Faber en Herman Leus, hebben voor de Radiodienst drie zenders meegenomen. Maar net als een maand later De Bloois overkomt sneuvelt ook hun apparatuur voortijdig. Gelukkig kunnen Sjef Adriaansen en Jacques van Loon marconist Leus aan zendkristallen helpen. Doordat Ausems hem koppelt aan de Raad van Verzet is hij alsnog in staat om boodschappen naar Londen te seinen. Faber volgt de inmiddels gefusilleerde Harm Steen op als verbindingsman tussen onder meer de RVV en het Bureau Inlichtingen.

Het door Ausems geleide netwerk breidt zich gestaag uit. Terwijl hij in het Land van Altena zit te luisteren naar berichten van de overkant onderschept de ingenieur een oproep van twee jongens die blijkbaar geen contact met Engeland kunnen krijgen. Ze zijn dezelfde avond als De Bloois in Nederland gedropt, met als doel enkele buiten Ausems om werkende spionagegroepen te voorzien van geld en zenders. Het duurt even voor Ausems contact met hen kan leggen. De argwanende boer die het tweetal onderdak verschaft houdt de boot af. Teruggekeerd op zijn eigen werkplek hoort Ausems het duo opnieuw vergeefse pogingen ondernemen om verbinding te maken met de overkant. Een van hen, ‘Antonio’ van de Waal, besluit in Eindhoven vast een ander deel van zijn opdracht te gaan uitvoeren: het overhandigen van ƒ50.000,- aan een spionagegroep. Maar al tijdens de eerste treincontrole valt hij door de mand: zijn persoonsbewijs is te opzichtig vervalst. Arrestatie en gevangenschap zijn het resultaat. Vlak voor de Duitse capitulatie zal de uitgeputte Van de Waal bezwijken in het concentratiekamp Sandbostel.

Zijn collega Tony Visser treft het beter. Via een adres in Dussen ontmoet hij Ausems alsnog. Het blijkt dat ze elkaar al in Londen hebben gezien, wat het onderlinge vertrouwen ten goede komt. Visser vertelt nog in het bezit te zijn van de zender die Van de Waal had moeten afleveren in Eindhoven. Ausems brengt daarop een andere geparachuteerde agent naar Dussen, Gerrit Buunk. Gedrieën proberen ze het bij de landing beschadigde apparaat aan de gang te krijgen, maar het contact met de operator blijft uit. Visser zal uiteindelijk in de Biesbosch gaan zenden met een ander afgeleverd toestel. Dag na dag levert hij vanuit zijn geïsoleerde schuilplaats lange codetelegrammen af.

Nadat Jan de Bloois (alias Piet de Springer) zonder bruikbare zendapparatuur, maar met de 19 punten van Gerbrandy is geland gaat hij volgens afspraak naar de gebroeders Van Nunen in Princenhage. De gewaarschuwde Ausems vindt hem op zijn aanloopadres en verordonneert de nieuwkomer om daar tot nader order te blijven. Na overleg met Jan Thijssen besluit hij om de Maaslandse boerenzoon in te zetten bij de Radiodienst. Ook De Bloois krijgt een zender in beheer.

De via het Bureau Inlichtingen onder Ausems’ bevel gekomen marechaussee Gerrit Buunk (‘Fopkonijn’) bewijst eveneens zijn waarde. Hij is begin juli geland met drie radiosets die de exemplaren van De Bloois moeten vervangen. Een verzetsconnectie neemt hem mee naar het plaatselijk café. “Hij zou daar iemand ontmoeten. Hij wist niet wie en van beide kanten was men dus zeer wantrouwend”, schrijft Marinus Boeree. “In de gelagkamer vonden zij Ausems, die hem nog uit Engeland kende.” Ausems: “Op 20 juli kwam ik in contact met Fopkonijn, die mij vier microfoto’s overhandigde en zich verder ter mijner beschikking moest houden. De ontcijfering van de codeboodschappen had nogal wat voeten in de aarde, maar het werken met Fopkonijn is van den beginne af aan prettig geweest. Allereerst zijn we begonnen met militaire inlichtingen door te geven.

Jan Thijssen heeft in de zomer van 1944 drie buitenlandse en tientallen binnenlandse zenders/ontvangers tot zijn beschikking. Zijn Radiodienst werkt eindelijk op volle toeren. Honderden spionage- en andere berichten reizen door de ether. Het zijn er zelfs zoveel dat Ausems zijn baas moet afremmen. “Na verloop van ca. 2 weken samenwerking tussen Fopkonijn en mij bleek dat de Radiodienst volkomen overstelpt was. (…) Dit heeft mij genoodzaakt tot een vrij scherpe brief aan Jan waarin ik hem zei dat hij er voor verantwoordelijk was dat de eenmaal vrijwillig op zich genomen taak goed uitgevoerd werd. Kon dit niet meer door een te grote toevloed van berichten dan zou ik een censuur moeten instellen.” Ausems en Thijssen maken werkafspraken, waarna de berichtenstroom in betere banen geleid wordt.

Het succes is overigens van relatief korte duur. Aan het eind van het jaar zijn de meeste agenten onschadelijk gemaakt. Het eerste slachtoffer is Jan de Bloois. Hij zit bij de kapper in het Utrechtse gehucht Nederlangbroek als de SD daar een inval doet. Na een vlucht via de achterdeur maakt hij de fout eerst zijn vlakbij geparkeerde fiets op te halen. Hij wordt betrapt en ter plaatse doodgeschoten.

Half december zijn de Duitsers op zoek naar een onderduiker. Herman Leus signaleert de speurtocht, neemt de benen, maar wordt gesnapt. Een gericht schot schakelt hem uit. Op 8 maart 1945 wordt hij geëxecuteerd, uit wraak voor een aanslag op SD-leider Hanns Albin Rauter. Ook Tony Visser valt medio december in Duitse handen. Hij zal tot de bevrijding gevangen zitten. Gerrit Buunk blijft tot februari 1945 op vrije voeten. Tijdens een poging om het inmiddels bevrijde zuiden van Nederland te bereiken door de streng bewaakte IJssel over te steken gaat het mis. Na zijn aanhouding blijkt dat hij spionagemateriaal op zak heeft. Twee maanden later krijgt hij de kogel.

Medio mei 1944 kan Ausems zich weer buigen over de naoorlogse verhoudingen. Dit keer is de inzet de militaire leiding rond de langzaam naderende machtswisseling. Ausems: “In die dagen kreeg ik van Camoes te horen dat er iemand was die namens een hooggeplaatst persoon mij eens wou spreken over de OD en verder over mijn opdracht en wat daarmee samenhing.” Die ‘iemand’ is reserveluitenant N.M. Japikse. Hij zegt te werken namens de voormalige opperbevelhebber van de land- en zeemacht, generaal Izaak Reijnders. Japikse en Ausems zijn het met elkaar eens dat de Ordedienst waarschijnlijk door de Duitsers is geïnfiltreerd en daarmee een onbetrouwbare partner is zodra de geallieerde invasie van Nederland een aanvang neemt. “De hulp waarop men van de zijde van Engeland rekende zou dus zeer problematisch zijn. Verder was Japikse er niet van overtuigd of de OD wel door de rechte man op de rechte plaats werd geleid. Hij stelde me voor Engeland van de mening van Vos (generaal Reijnders) op de hoogte te stellen en te vragen wat er tegen eenhoofdige leiding zou zijn. Volgens zijn zeggen had Vos zeer vele relaties onder officieren en onder secretaris-generaal en zou [hij] zeker in staat zijn een goed bestuursapparaat op te bouwen.” Ausems seint het voorstel om Reijnders te belasten met het militair gezag naar het Bureau Inlichtingen. Op 5 juni ontvangt hij antwoord: “Regering niet bereid vooralsnog eenhoofdig gezag gedurende eventueel vacuüm aan te wijzen.” Ausems slaagt er niet in om opnieuw contact te leggen met Japikse. Van het idee om Reijnders opperbevelhebber van de strijdkrachten te maken komt niets terecht.

Alle in Londen en Nederland gesmede plannen en pogingen ten spijt is er nog altijd geen coördinatie van het nationale verzet. Het betekent dat de regering na de bevrijding geen centraal aanspreekpunt heeft. Met name in Engeland leeft de wens dat de illegaliteit vertegenwoordigers aanwijst die in het machtsvacuüm dat mogelijk gaat ontstaan het vaderland besturen. Op 7 juni 1944, een dag na de geallieerde landing in Normandië, gaat er een codetelegram uit van het Bureau Inlichtingen waarin ‘namens koningin en minister-president’ wordt meegedeeld dat Wilhelmina ‘het als een noodzakelijkheid ziet dat een coördinatie tot stand komt van alle ondergronds werkende groeperingen’. Ze dienen een ‘groep van voormannen op zo breed mogelijke basis’ te benoemen die ‘bij een eventueel vacuüm opdracht krijgen één of meer personen aan te wijzen om op te treden als tijdelijke vertegenwoordigers der regering tot handhaving van orde en rust, tot de aankomst van de vooruit te zenden ministers, die als kwartiermakers zijn te beschouwen, en van het Militair Gezag. De organisatie en technische uitvoering der ordehandhaving blijft echter opgedragen aan de daarvoor reeds aangewezen dienst’. Bedoeld wordt de Ordedienst. De voormannen wordt nog een taak toebedeeld: na de bevrijding ‘de Kroon (…) van advies te dienen’.

Ausems krijgt de door hem aangevraagde, dwingende boodschap op 11 juni voorgelegd. Pas op 23 juni kan hij het bericht voorlezen in de wekelijkse vergadering van de Kern. Hij vult het aan met zijn herinneringen aan de gesprekken met koningin Wilhelmina en minister Van Lidth de Jeude. Vrijwel direct worden de mededelingen verspreid onder andere illegale organisaties. Vertegenwoordigers van zeven illegale blade bespreken de inhoud op maandag 26 en dinsdagochtend 27 juni, in de middag gevolgd door de Kern. In beide vergaderingen blijft verschil van mening bestaan over de bundeling van het verzet. Afgesproken wordt om op 3 juli met zoveel mogelijk groeperingen bij elkaar te komen in een kantoorgebouw aan het Amsterdamse Singel. In totaal hebben 22 landelijk opererende organisaties die dag een vertegenwoordiger ter plaatse. Ook Ausems is uitgenodigd. Van hem wordt verwacht dat hij de vergaderresultaten doorgeeft aan Gerbrandy en Wilhelmina. Zij wachten, vier weken na de regeringsorder te hebben verstrekt, gespannen op bericht. De geallieerde legers rukken inmiddels op naar het noorden van Frankrijk en de tijd dringt. In Amsterdam realiseren de verzamelde verzetsleiders zich het belang van hun bijeenkomst. Na urenlange beraadslagingen komt men tot een verdeling in een linker-, midden- en rechtersectie van de illegaliteit. De representanten van die drie groepen, aangevuld met twee min of meer onafhankelijken, vormen een Contact-Commissie onder voorzitterschap van Willem Drees. Voor het eerst is de grote meerderheid van het verzet gebundeld, zij het dat de onderlinge verhoudingen nog altijd broos zijn.

Dré Ausems meldt tijdens de historische vergadering van 3 juli dat hij voortaan graag aanwezig wil zijn bij de bijeenkomsten van de Contact-Commissie, maar die wens wordt genegeerd. Wanneer de top vier dagen later voor het eerst bij elkaar komt is hij tot zijn teleurstelling niet welkom. De commissie schakelt hem alleen nog in om telegrammen te verzenden naar de regering in ballingschap. Op 18 juli gaat het eerste de deur uit: “Ondergrondse groeperingen op zeer brede basis hebben, erkentelijk voor vertrouwen, op praktische gronden een Contact-Commissie (CC) van 5 personen gevormd voor de tijd van de bevrijding voorafgaand aan een vacuüm. Een uitgebreider adviescommissie voor de tijd na de bevrijding wordt voorbereid.”

7.

Tussen alle coördinatiewerkzaamheden door vindt Ausems ook nog tijd om spionageberichten te maken. Hij geeft onder meer boodschappen door over munitie-opslagplaatsen, vijandelijke troepenbewegingen en de toenemende Duitse repressiemaatregelen. Later in het jaar somt hij de Nederlandse kustgemeenten op die worden ontruimd met het oog op een mogelijke geallieerde aanval en wijst hij in steeds dwingender bewoordingen op de toenemende hongersnood. De hoofdinspecteur van volksgezondheid C. Banning -voor de oorlog dokter in Zaandam en een ver familielid van Ausems- voorziet hem van een lang overzicht met medicijnen. Ze zijn nodig om de sterk geslonken voorraden in de kustprovincies aan te vullen. Ook die verlanglijst gaat naar Londen. Het leidt er onder meer toe dat Engelse vliegers miljoenen eenheden insuline in Nederland droppen.

In totaal stuurt Dré Ausems tot aan de bevrijding zelfstandig en via BI-marconisten ruim driehonderd telegrammen en radioberichten naar Londen. Er is geen agent die zelfs maar in de buurt komt van dit aantal. Ausems toont een ongebreidelde inzet, ondanks dat de Duitsers steeds meer geheim agenten arresteren. Van de 43 gedropte BI-medewerkers zal uiteindelijk minder dan een kwart de bevrijding in eigen land meemaken. De overigen sneuvelen in actie, verlaten Nederland voortijdig of belanden in een buitenlandse cel. Van de zeven geparachuteerde collega’s die Ausems inzet om zijn berichten naar de overkant te sturen slagen er maar twee in om tot het eind actief te blijven. Zijn medespringer Jacques van Loon weet in september 1944 de geallieerde invasietroepen te bereiken. Drie agenten worden gefusilleerd, een vierde overleeft zijn gevangenschap.

Ausems heeft geluk. Hij ontspringt, na de bijna-arrestatie in Zaandam, een tweede maal de dans. In het voorjaar en de zomer van 1944 verblijft hij met zijn gezin in het Land van Altena. Ze wonen tijdelijk in De Assem, een afgelegen boerderij tussen de Brabantse gehuchten Meeuwen en Dussen. Twee maal per week fietst hij naar het Gooi, haalt er spionageberichten op en verwerkt die met het oog op verzending naar Engeland. Op 14 mei krijgt Ausems de waarschuwing dat er over de dijk een groep Duitsers naar hem onderweg is. In de korte tijd die hem rest, weet hij zijn zender in een lege hooiberg te verstoppen. De antenne -11 meter draad- rolt hij snel op en verbergt hij op zolder in een bak met zaad. “De eerste die binnenkwam was een moffenofficier, een luitenant van de Luftwaffe. Hij vroeg: ‘Wo waren Sie am vorigen Sonntag?’ Dit was de dag van mijn uitzending. Ik wist toen al genoeg; zij hadden mij dus gehoord. De hele boerderij werd van half vijf tot half tien doorzocht. Het harmonium werd afgebroken, de bedden uitgeschud, de hooiberg leeggehaald. De zender lag in de lege hooiberg ernaast. Ze hebben het hooi uit de volle hooiberg gehaald en het in de lege gegooid. (…) Wij hebben vijf uur in die kamer gezeten met de hele bevolking van de boerderij en die van de woning van de burgemeester, die aan de oprit van de boerderij stond. Die waren ook voor het Duitse cordon uitgedreven. (…) Ze hebben buiten een paar van ons voor een open kuil gezet, de bekende gebaren gemaakt en gezegd: ‘Waar zit die radiozender?’ Ze hebben veel misbaar gemaakt, maar de Brabantse boeren zijn glashard. Die oude boer, zijn neef en ik waren op elkaar ingeschoten. Die boer werd gevraagd verantwoording te doen van de mensen die in de kamer zaten. De luitenant stond voor hem en vroeg, wijzende op mij: ‘Wer ist das?’ ‘Dat is de houthandelaar Koops’, antwoordde hij. ‘Was machen Sie hier?’, vroeg de luitenant mij, waarop ik antwoordde dat ik een partij hout had verkocht. ‘Ja’, zei de boer weer: ‘Daar ligt het’.” Hoewel de peilploeg weet dat er een zender in de buurt moet zijn, kunnen ze niets vinden dat daar op wijst. Ausems: “De Duitsers hebben verstaan dat er de vorige zondag een vrouwenstem had gesproken. Zij hebben daarom, toen ze daags na dit voorval nog eens terugkwamen, de nicht van de boer meegenomen en die is drie weken lang verhoord.” De Sicherheitsdienst heeft de verkeerde te pakken. De vrouw die de bewuste zondag met het Bureau Inlichtingen sprak was namelijk Pauline Ausems.

Om het risico op nieuwe invallen te minimaliseren verhuizen de zender en zijn gebruikers nog dezelfde avond van De Assem naar Roelofsarendsveen. Dré Ausems: “Wij kwamen daar in augustus 1944 aan, wilden daar gaan werken, doch hoorden dat er een dag tevoren een grote razzia op mannen had plaatsgehad. Toen is ‘Mei’ -dat was de naam van de zender- natuurlijk ook weer ondergedoken. (…) Ik ben naar Breukelen gegaan en heb daar ‘Mei’ opgesteld om eventueel tijdens de invasie dienst te kunnen doen.” Hij is gescheiden van zijn gezinsleden, die afwisselend bij familie en bij voor hen onbekenden bivakkeren. Zijn kinderen bezoeken noodgedwongen verschillende scholen, soms maar voor een paar weken. Zelfs zij krijgen schuilnamen, die als geheugensteun in schoolboeken en -schriften worden genoteerd.

Het kat-en-muisspel tussen de opsporingsinstanties en de geheim agent blijft doorgaan, mede als gevolg van de matige apparatuur waarmee wordt gewerkt. Ausems: “De Engelsen hadden redelijke voorzorgsmaatregelen genomen dat er niet uitgepeild kon worden. Ze hebben echter deze slag verloren, want de moffen hebben het wel uitgepeild.” De makers van Ausems’ apparatuur blijven er ondanks diens ervaringen van overtuigd dat hun product onfeilbaar is. “Dergelijke massa-overvallen zijn typische maatregelen [van de] vijand als hij slechts geringe gegevens heeft. (…) Dus onwaarschijnlijk dat uw uitzending opgevangen wordt”, seint het Bureau Inlichtingen. Jan Somers’ dienst gaat dan ook gewoon door met het verstrekken van de bewuste zenders aan haar agenten.

Een ander probleem waarmee Ausems kampt is het onderhouden van zendcontact. “De verbinding was ieder ogenblik weg. De Engelse technici die het toestel gebouwd hadden, hadden gezegd dat je twintig minuten rustig kon spreken, alleen zo nu en dan onderbroken door het ‘Over, OK, over!’, maar dat bleek niet het geval te zijn. Als ik vijf minuten spreektijd had was het veel. Dan moest ik weer gaan zoeken waar de ander was.” Die ‘ander’ is Piet Gerbrands. Hij vliegt boven de Noordzee, buiten het bereik van de Duitse radar, en dient de verzonden boodschappen op te vangen. “Wij wisten allerlei kleine details van elkaar”, aldus Ausems. “Hij vroeg bijvoorbeeld: ‘Welke kleur had dat horloge dat je kocht in Madrid?’ Ik hoefde hem niet te identificeren. (…) Hij vroeg mij: ‘Hoe heette het hondje van die vriendin van mij waarmee wij de avond voordat je vertrok in Londen zijn gaan eten?’ Ik moest daar dan antwoord op weten te geven. Kon ik het, dan was het goed. Gaf ik er geen asem op, dan dachten zij: ‘Hij is in handen van de moffen’. Het ging ook om de manier waarop je sprak. Gerbrands en ik hebben buiten Londen geoefend met dit toestel en ook geoefend om elkaars stem tot in de kleinste details te herkennen. Juist om dergelijke dingen, omdat je samen veel hebt meegemaakt in Madrid en later op reis, ging het.”

Het is inmiddels begin september. Het optimisme over een snelle vrede groeit met de dag. In het Oosten drijft het Russische leger de tegenstander terug, in Westelijk Europa rukken Britse en Canadese troepen op richting Nederland. Bij Koninklijk Besluit worden op 5 september de Binnenlandse Strijdkrachten opgericht, een bundeling van de Ordedienst, de Raad van Verzet en de Landelijke Knokploegen. Met het oog op de geallieerde opmars en de kans dat hij alsnog wordt opgepakt schrijft Ausems een tientallen pagina’s dik verslag van zijn bevindingen tot dan toe. Hij begraaft het rapport onder een hortensiastruik in zijn onderduikgemeente De Bilt en seint de locatie van de bergplaats naar het Bureau Inlichtingen.

De organisatie van de Binnenlandse Strijdkrachten is overigens niet naar de zin van Jan Thijssen. Weliswaar slaagt Walraven van Hall er in om binnen enkele dagen een Top-driehoek te formeren waarin de OD, KP en RVV opgaan, Thijssen en zijn KP-collega Jan van Bijnen vinden de samenvoeging ‘een militair monstrum van de eerste rang’. “Ik verdom het. En wat meer zegt: ook Lange Jan die in de RVV dezelfde functie heeft als ik, zij het met beperkter volmachten, vertrapt het evenzeer. Dat hebben we de heren in een gezamenlijk schrijven gemeld en laat ze nu maar…”, schrijft Van Bijnen. “De NBS had de grote fout dat zij alles dooreen mengde en daardoor een rem werd op het actieve verzet. In plaats van een voor de hand liggende combinatie der drie organisaties en een verdeling der taken van sabotage voor LKP en RVV en bewakingsdiensten voor de OD werd nu overal een felle strijd om de macht gevoerd, waarbij de een niet voor de ander wijken wilde”, wordt de concurrentiestrijd betiteld in Het grote gebod, een naoorlogs standaardwerk over KP en LO.

Ausems volgt de ontwikkelingen op de voet. Vanuit De Bilt fietst hij regelmatig voor overleg naar het RVV-commandocentrum in Utrecht. Hij staat pal achter Jan Thijssen: “Men moet Jan zien als een uitermate harde werker, die zonder aanzien der personen zijn weg ging langs duidelijke lijnen en die overal, waar hij zulks ontmoette, op alle slakken van halfheid en stunteligheid het nodige zout legde, ook al boette hij daardoor zelf aan populariteit in.” Thijssen is inderdaad rechtlijnig. Hij voelt er niets voor om de commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten te gehoorzamen, zijns inziens een marionet van de conservatieve Ordedienst. “Nu dus uit de vele besprekingen in die dagen (…) gebleken was dat er een ernstige splitsing te verwachten was -enerzijds OD, RVV, KP in Amsterdam, anderzijds de verzetsgroepen in het land- deed ik een poging tot bemiddeling en schreef Richard een briefje waarin ik een onderhoud met hem aanvroeg”, noteert Ausems. ‘Richard’ is RVV-leider Jan van der Gaag, die namens zijn organisatie zitting heeft genomen in de Top-driehoek. Hij trekt in Amsterdam zijn eigen plan, los van die andere leider, Jan Thijssen, en in nauwe samenwerking met onder meer de Ordedienst. Desondanks wil ook Van der Gaag de RVV graag bij elkaar houden. Per kerende post nodigt hij Ausems uit om naar de hoofdstad te fietsen en zich daar te melden op de Leidsekade 58. Het komt er niet van. “Reden hiervan: het posten van ongure types aan de mij opgegeven contactadressen. Later bleken dit wachtposten te zijn”, telegrafeert Ausems op 6 oktober naar het Bureau Inlichtingen. Geschrokken van Van der Gaags bewakers draait hij zijn rijwiel en keert terug naar De Bilt.

Diezelfde maand gaat Ausems wel langs bij het net ingerichte hoofdkantoor van de Binnenlandse Strijdkrachten. Wat hij daar ziet stuit hem tegen de borst. “Men heeft complete burelen ingericht met fraaie titels, huistelefoon, secretarissen, enz. Men telefoneert met Eindhoven langs een zogenaamde privé-lijn. Men geeft bevelen en contra-bevelen, maar niemand is actief strijdend. Men roept mensen naar Amsterdam voor wie elk uur kostbaar is. Men legt duidelijke bevelen zodanig uit, dat er in de praktijk niets van terecht komt”, laat hij het Bureau Inlichtingen weten. “Onze algemene ervaring is deze. Zijn zij gek geworden? Ik persoonlijk zal zorgvuldig alle contact met OD en Driehoek vermijden, tenzij u mij daartoe uitdrukkelijk bevel geeft. Deze mensen kunnen goede militairen zijn, van illegaal werken en daarin resultaten behalen hebben zij geen kaas gegeten. Mijn onafhankelijke positie laat mij toe hier vrij te kunnen spreken.”

De spanningen tussen de leiders van OD, KP en RVV lopen zo hoog op dat de commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten, Henri Koot, de dwarsliggende Jan Thijssen uit zijn functie ontheft wegens ‘sabotage en verzet tegen elk gezag dat niet het uwe is’. “Ik had gehoopt als CNBS u in mijn staf of bij de troep een plaats te kunnen geven in overeenstemming met uw capaciteiten en aspiraties; met uw schrifturen hebt gij mij daartoe de weg afgesneden en naar mij gebleken is de weg tevens tot samenwerking met de KP en OD!” Het nieuws over zijn strijdmakker bereikt Ausems met vertraging. Twee weken na dato bericht hij Londen: “Protesteer ten sterkste tegen ontslag Jan. Hierdoor [gaat] een der weinige leiders van formaat voor verzetswerk verloren. Heeft dit ontslag wel uw goedkeuring?” Twee dagen later vraagt hij gedesillusioneerd: “Ik neem aan dat mijn woord nog enige invloed bij u heeft. Daarom verzoek ik u met de meeste aandrang deze uiterst gevaarlijke poging van OD-mentaliteit ongedaan te maken. Ik hoop spoedig antwoord van u te krijgen. Mogelijke oplossing gelegen in benoeming Jan als commandant stoottroepen voor het gehele land, terwijl NBS, indien gehandhaafd, alleen commando bewakingstroepen krijgt.” Hij is te laat. Al op 1 november is Thijssen, met zijn ontslagbrief op zak, aangehouden door de Sicherheitsdienst. SD-chef Joseph Schreieder weet dat hij een grote vis in handen heeft en verhoort Thijssen dan ook langdurig. Hoe wanhopig en gedesillusioneerd die ook is, hij verzwijgt de namen van zijn mede-RVV’ers. “Hier vervloekt men zichzelf”, krast hij in de muur van zijn Zwolse cel. “Het hart kent zijn eigen droefheid alleen.” Op 8 maart 1945 wordt hij gefusilleerd, als represaille voor de aanslag waarbij Rauter zwaargewond raakt.

8.

Wetend dat de werk- en leefomstandigheden in bezet gebied steeds slechter worden zoekt Ausems contact met een collega-agent van het Bureau Bijzondere Opdrachten (BBO), Maarten Cieremans. Het is hem bij toeval ter ore gekomen dat die een aantal afwerpterreinen onder controle heeft, waarop vanuit Engeland regelmatig goederen worden gedropt. Cieremans: “Dit was een uniek, gewoonlijk streng verboden contact tussen absoluut gescheiden mensen van BI en BBO. Wij toetsten elkaars identiteit met luchtige spot en ironie over Londen en onze opdrachtgevers. Hij was een jaar of tien ouder dan ik en vertelde dat hij en zijn vrienden in Amsterdam dringend verlegen zaten om bepaalde zendapparatuur, andere technische zaken en medicijnen, schoenen, kleding en voedsel. ‘De aandacht van een buurtbewoner, die hier spionageberichten voor ons verzamelt, is getrokken door de regelmatig ’s nachts overkomende solo-vliegende bommenwerpers. Hij heeft toen een boer aangesproken, van wie hij vermoedde dat hij jou zou kunnen bereiken. Nu dat gelukt is, hoop ik dat onze bazen het er over eens zullen worden hier een zending voor mij heen te sturen’. Het bleek dus maar al te simpel te zijn om de grondige veiligheidsmaatregelen, die de droppings omringden, te doorbreken. Niettemin beloofde ik mijn medewerking. Ik zei: ‘Maar als die zending binnenkomt, wat moet er dan verder mee?’ ‘In Breukelen is een café met een ruime achteringang naar de bierkelder. Als de boel daar wordt afgeleverd, dan zorgen wij voor de rest’.” Londen stemt in met het verzoek. Kort daarna lost een vliegtuig een pakket op het afwerpterrein bij Utrecht. Het bevat technisch materiaal, voedsel, textiel, tabak en zelfs flessen met drank. Een dag later wordt de hele voorraad afgeleverd bij het café in Breukelen. De ontmoeting tussen beide agenten is overigens ook uniek om een andere reden dan door Cieremans genoemd. De twee weten het niet van elkaar, maar ze wonen slechts vijf kilometer bij elkaar vandaan: Ausems in Zaandijk, Cieremans in Zaandam. De BBO-agent is daar tot medio 1943 assistent-verkoopleider bij de schaverij van Bruynzeel.

Om niet te worden opgepakt bij de razzia’s die zijn tijdelijke verblijfplaats De Bilt en omgeving teisteren verhuist Dré Ausems opnieuw, dit keer naar Loenen aan de Vecht. Van de tientallen door het Bureau Inlichtingen uitgezonden agenten zijn er op oudejaarsdag nog maar acht actief. De arrestatiegolf in zijn directe omgeving voedt Ausems’ idee dat er sprake is van verraad binnen de RVV-gelederen. Met name in februari 1945 meldt hij het BI week na week de namen van gearresteerde agenten en hun medewerkers. “Zal nader onderzoeken, doch vermoeden penetratie hierdoor versterkt”, seint hij. “9 februari zendpost Havik overvallen. Gepakt: Lex en Alex. 10 februari gepakt: Fopkonijn, Jan en anderen. 11 februari: zendpost Uil overvallen, Bram gepakt.” Hij laat weten dat Pauline (‘39 van de Witte Beertjes’) zijn zendwerkzaamheden overneemt, mocht hij bij een razzia worden aangehouden. “Verdere arrestaties: Lorentz en zijn operator. Ook in Hilversum, Utrecht en Amsterdam zouden arrestaties zijn geweest. Onderzoek penetratie nog geen resultaat. Uitwisseling gevraagd voor al deze arrestanten. Welke gegevens heeft gij daartoe nodig? Jan alias Karel is nog steeds in leven, hoe staat het met zijn uitwisseling?” Het Bureau Inlichtingen kan hem niet van dienst zijn: “Hebben geen succes met uitwisselingsverzoeken en vragen ons af of hierdoor zelfs niet meer aandacht [op] gearresteerden wordt gevestigd dan gewenst.

Naarmate de bevrijding dichterbij komt neemt Ausems’ onrust toe. Op 2 maart seint hij: “Zendpost Arend overvallen. Operator, apparaat en seinplan in handen SD. Vijf dagen later: “Peilers en overvalauto’s bij ons. Wij beperken verkeer.” Hij begraaft opnieuw vertrouwelijke documenten, ditmaal in een boomgaard bij Breukelen. Zes weken voor de Duitse capitulatie waarschuwt hij voor een naoorlogse communistische opstand van de ‘Oranjegarde’ (waarbij hij het los van de BS opererende Oranje Nassau Regiment bedoelt). “Deze hebben plan hun wapens te gebruiken voor opstand tegen koningshuis en wettig gezag. Kolonel Schmidt en andere officieren in deze garde dienen als vlag die de lading dekt. (…) Mijn commentaar is zonder overschatting: communistisch gevaar, pas op voor overdrijving naar reactionaire zijde. Hierin veel groter gevaar gelegen voor ernstige onlusten.” Dat is een verkeerde inschatting. Het regiment onder leiding van voormalig KNIL-kolonel H. Schmidt wordt twee weken na de bevrijding opgeheven.

Tot het laatst toe verzendt en ontvangt Ausems berichten. Op 29 april gaat zijn een na laatste boodschap de lucht in: een verjaardagsfelicitatie voor prinses Juliana. Vijf dagen voor de vijand zich overgeeft stuurt hij zijn finale telegram naar het Bureau Inlichtingen. Hij deelt mee zijn zendapparatuur te hebben opgeslagen ‘in zolderschuit bij jachtwerf Piet Hein in Loosdrecht aan de Bloklaan’. Het slotakkoord uit Londen klinkt op 2 mei: “Meest hartelijke dank voor goede wensen. Wacht in grote spanning op wederzien.” Was getekend: Juliana.

A.W.M. Ausems en prins Bernhard
Prins Bernhard speldt Ausems een onderscheiding op (1953)

De bevrijding van Nederland betekent voor Ausems niet het eind van de Tweede Wereldoorlog. Na zich de eerste maanden te hebben beziggehouden met de afwikkeling van BI-aktiviteiten -hij schrijft onder meer een uitgebreid verslag om het onrecht te bestrijden dat Jan Thijssen zou zijn aangedaan- meldt hij zich als vrijwilliger voor het Verre Oosten. Nederlands-Indië is in handen van Japan, dat zich nog altijd verzet tegen de geallieerden. Met een groot aantal collega-agenten vliegt Ausems per RAF-toestel naar Ceylon, het tussenstation op de route naar Indië. Deze Netherlands Special Forces van het Korps Insulinde hebben ervaring met spionagewerk, parachutespringen en berichten verzenden, maar moeten nu Japans leren en een jungletraining ondergaan. De verwachting is dat zij de aanstaande overgave van het Japanse leger in Nederlands-Indië in goede banen gaan leiden. De missie loopt echter op niets uit. Het verblijf in Ceylon bestaat vooral uit langdurig wachten en het bestrijden van de verveling. Tegen het einde van 1945 kunnen de meeste officieren onverrichter zake per troepentransportschip terug naar Nederland. Zo ook Dré Ausems. Zijn oorlog is voorbij. Hij keert terug naar Fokker en hervat daar zijn oude baan als werktuigbouwkundig.

A.W.M. Ausems