Twee Zaanse verzetsmensen in een Scheveningse cel (4)

1 jan

In het voorjaar van 1941 arresteerden de nationaal-socialisten Jan Kalff (1901-1974), de burgemeester van Krommenie. Hij werd Duitsvijandig bevonden en belandde daarom in de gevangenis te Scheveningen, ook wel bekend als het Oranjehotel. Na enige tijd kreeg hij bij toeval gezelschap van een streekgenoot, de Koger Dick de Vries. Die werd onder meer verdacht van spionage. De burgemeester en de technisch employé van Fokker zouden vier maanden op elkaars lip zitten. Kalff kwam weer vrij, hervatte zijn illegale activiteiten en haalde heelhuids de bevrijding. De Vries werd in juni 1943 na een showproces in Berlijn geëxecuteerd. In een lange en onthullende brief, die ik onlangs bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie vond, vertelde de op zijn post teruggekeerde Kalff vlak na de bevrijding van Nederland aan de ouders van Dick de Vries hoe hun ‘samenzijn’ in de cel er uitzag. Vandaag het laatste deel in een serie van vier. 

 “Al hadden wij ons in onze omstandigheden geschikt, dat wil nog lang niet zeggen dat wij getemd of terneergedrukt waren. Ik geloof dat maar zeer weinigen ‘er onder’ te krijgen waren, niettegenstaande ‘kurze Vernehmungen[1] en dergelijke. De taal die wij na de vele grote en kleine plagerijen uitsloegen was dan ook kernachtig en gaf een duidelijk beeld van wat ‘later’ onze plannen met de Duitsers zouden zijn.

Waaruit dat plagen dan wel bestond? Soms in individuele behandeling, als in de cel een emmer water leeggooien met bevel die in 15 minuten op te dweilen met een lapje ter grootte van een vierkante doek. Maar meestal in collectieve behandeling: zonder waarschuwing plotseling het licht uitdraaien, zodat wij ons in donker moesten uitkleden; plotseling luchten, als wij juist aan het eten begonnen waren; een week lang geen couranten geven; zeer kort luchten, etc. Wij maakten ons dan wel eens boos, maar hervonden spoedig ons humeur en lachten maar over de zielige pogingen ons klein te krijgen, dat zou toch nooit lukken. En dat lukte ook nooit; ten eerste omdat wij ons, met ongeveer 1000 man, door elkander gedragen gevoelden, wetende dat wij allen bezield waren door dezelfde idealen en dezelfde vaderlandsliefde. Ten tweede door ons onverwoestbaar optimisme, niet alleen ten aanzien van de afloop van de oorlog, doch ook ten aanzien van de tijd waarop dat zou geschieden. Elk gunstig bericht nam in onze gedachten en gesprekken enorme proporties aan, de ongunstige negeerden wij en van het hoera-geschrijf in onze Duitse couranten geloofden wij niets.

Wat hebben wij vaak over de mogelijkheid van een plotselinge bevrijding gesproken. Uit de gevangenis gehaald te worden door een juichende menigte plus pierement leek ons het prachtigste van alles, en vaak spraken wij er over of wij liever nu direct naar huis wilden of nog een poos op zó’n bevrijding wachten. Meestal varieerde de tijd extra zitten die wij daarvoor overhadden zo tussen 14 dagen en een maand.

Het optimisme was in augustus 1941 zo gestegen dat wij onze ons afgenomen bezittingen, die in de zogenaamde Effectenkamer waren opgeborgen, door onze familieleden lieten afhalen, zodat wij – sloeg het bevrijdingsuur – zo weg konden hollen. Ook hadden wij onze koffers, die wij in de cel hadden, gepakt klaar staan! Later werden wij weer wat kalmer, maar dergelijke tegenvallers doodden ons optimisme niet; de stemming was goed en bleef goed!

Ruzie hadden wij ook, de eerlijkheid gebiedt het te zeggen. Maar zelden en kort en maar over één onderwerp. Ik ben netjes. Dick is netjes, maar Dick was in de cel ‘afgrijselijk’ netjes en hij vond mij maar een slordig mannetje. Dick stapelde zijn bezittingen steeds keurig haaks op, vouwde zijn kleren vóór het naar bed gaan zó op, alsof zij net uit de linnenkast kwamen, Dick dweilde en veegde de vloer tot die steriel was en morste ik daarop bij het handenwassen een paar druppels schoon water, dan huppelde hij met een dweil achter mij aan om die op te vegen. Dat leverde nu en dan wrijving op, maar zoals gezegd: niet ernstig.

Deze voorvalletjes en bezigheden lijken bij elkaar nogal heel wat, maar verdeelt men ze over vier maanden dan is het duidelijk dat menige dag in verveling doorgeworsteld werd en het was daarom een zegen dat wij beiden zo goed sliepen. Wij sliepen om 9 à 10 uur in, soms zelfs vroeger, en waren niet vóór zeven uur wakker, dit nog aangevuld met een middagslaapje van 1,5 à 2 uur bracht de 24 uren van de dag welhaast tot de helft terug.

Eens hebben wij, na enkele vergeefse sollicitaties naar een ‘baantje’ op de gang, de cel van de wachtmeester mogen schrobben en een deel van de gang . Het kon in een half uurtje gebeurd zijn, wij deden er 3 uur over en kregen tot beloning een sigaret, waar Dick, hoewel het roken ook ontwend, vrij goed tegen kon; ik werd er lijkbleek van en voelde mij een uur lang allerbelabberst.

Eenmaal zijn wij beiden – niet tegelijk – uit de gevangenis geweest, om in het hoofdkwartier der SS op het Bezuidenhout gefotografeerd te worden, voor wat wij noemden het ‘boevenboek’. Foto en face, foto en profil, met en zonder hoed! De rit per auto was heerlijk, wij zagen mensen en bomen, zon en licht.

Tegen het einde van oktober kregen wij celgenoot nummer drie, een landarbeider uit ’s-Gravendeel. De man was niet ongeschikt, maar hij verstoorde wat de intimiteit en wij waren blij toen hij na drie weken vertrok. Maar drie man in de cel was rijkelijk veel en wij rekenden uit dat de 800 cellen met per cel 2,5 man 1000 gevangenen opkonden!!

Erg blij met het vertrek van nummer drie waren wij niet meer toen hij nog diezelfde dag vervangen werd door… een Duitser! Hij bleek een anti-Hitlerman te zijn, die, toen ik op de vraag van mijn buren wie er bij ons bijgekomen was antwoordde: ‘Een Duitser’, zelf riep: ‘Sagen Sie ruhig ein Rotmof.’ Niettegenstaande de verhalen die hij over Duitsland deed en de manier waarop hij op de nationaal-socialisten schold, waren wij toch zeer voorzichtig met hem. Ook overigens vonden wij hem maar een indringer en verlangden wij terug naar de dagen van ons rustig samenzijn.

Op 2 november stapte een soort halvegare onze cel binnen, een bijbelvorser of Jehova’s getuige. Met vier man in een ruimte van 3×1.80, dat ging toch niet, maar er werd bij gezegd: ‘Kalff geht hinaus.’ Dat zou dus het einde van ons samenwonen worden; ik verdeelde alles wat ik bezat en dat was veel, daar ik de dag tevoren bezoek gehad had: boter, chocolade, pantoffels, vitaminen, boeken, potloodjes, schrijfpapier, etc. Dick schreef gezwind enige briefjes die ik uit de gevangenis zou smokkelen en gaf mij vuil goed mede, o.a. de rendiertrui. Weinig dachten wij dat ik naar de strafgevangenis ging en de briefjes en kleren daar nog 2 maanden op de zolder zouden blijven.

Na een hartelijk afscheid van Dick werd ik gehaald en verdween ik uit cel 698. Gaarne hadden wij nog even wat intiemer gepraat dan mogelijk met twee vreemden daar bij die elk woord verstaan. Ik kon dus niet meer doen dan wat Dick deed: sterkte toe te wensen, chin up!! Ik verzekerde hem natuurlijk te zullen doen wat ik in zijn belang maar kòn doen en  alle boodschappen aan zijn moeder over te brengen. Een stevige handdruk en… aan ons samenleven van vier maanden was een einde gekomen. Gelukkig was ik de gevangenis te verlaten, ellendig vond ik het Dick te zien blijven en bovendien in zulk naar gezelschap.

En thans weet ik dat deze trouwe kameraad van precies eenderde deel eens jaars voorgoed de ogen heeft gesloten, dat ik, en wat zoveel schrijnender nog is, dat zijn ouders hem niet meer zullen zien. Mogen zij uit de beschrijving van ons leven in Scheveningen de wetenschap krijgen dat hun zoon zich al die tijd flink en als een man gedragen heeft, dat hij naast korte sombere buien opgewekt en vol goede moed gedurende het overgrote deel van de tijd was, dat hij verlangde naar de vrijheid zoals wij allen deden, zei het toch héél goed te kunnen uithouden in de gevangenis en dat ik wéét dat dat de waarheid is.

Mogen zij – met niet minder vertrouwen in hun eigen jongen dan ik in mijn kameraad – wéten dat hij met behoud van zijn geestkracht, en wellicht ook zijn geloof, ook de maanden na november 1941 heeft doorgeworsteld en bovenal wéten dat hij zonder de minste twijfel als een man zal zijn gestorven, met zijn gedachten bij zijn ouders en wel bovenal bij zijn moeder, die hij zozeer liefhad.”


[1] Kurze Vernehmung = kort verhoor, daar daarbij nogal eens geslagen werd, kreeg de uitdrukking de betekenis van een pak rammel.

Dick de Vries ligt op begraafplaats Westduin in Den Haag, waar een monument staat voor de Stijkelgroep. De Vries werd door de nazi’s beschouwd als lid van deze groep, een van de eerste verzetsorganisaties in Nederland. 47 Leden werden in het voorjaar van 1941 opgepakt, een kwart van hen was Zaans. Slechts drie vrouwen en één man zouden de bevrijding meemaken.  

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: